Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Jeremia 33 : 12. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Jeremia 33 : 12. (2de Gedeelte. — Slot.)

19 minuten leestijd

„Zoo zegt de Heere der heirscharen: In deze plaats, die zóó woest is, dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herderen, die de kudden doen legeren."

„Zoo zegt de Heere der heirscharen: I n d e z e p l a a t s , die zoo woest is, dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitgaders in al derzelver steden, z u 11 e n w e d e r o m w o n i n g en z i j n van h e r d e r e n , die de k u d d e n doen l e g e r e n ." In letterlijken zin is deze belofte vervuld aan Juda, toen de Heere na eene ballingschap en gevangenis van zeventig jaren het bewerkte, dat Kores, de koning der Perzen, aan de Joden verlof gaf, om uit Babel weder te keeren naar Juda, Jerusalem te herbouwen en in hun land weder te wonen in vrede. En al keerde het land en volk Juda nooit weder terug tot den vorigen luister, de vervulling der belofte, zoover zij die mochten aanschouwen, was een teeken van de volkomene vervulling naar Geest en waarheid in Christus Jesus, in Welken alle beloften Gods zijn ja en amen. En ook ons, die op Gods Naam hopen, doet de Heere zooveel van de vervulling aanschouwen, als noodig is, opdat wij gesterkt worden, om onze pelgrimsreis door dit aardsche leven te voleinden en te volharden in geloof en boop, totdat wij eenmaal hierboven de volkomene vervulling mogen aanschouwen, nml. allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad.
„Er zullen wederom woningen van herderen zijn, die de kudden doen legeren." Deze belofte is en wordt vervuld aan het ware land Juda. Waar is dat land? Juda beteekent: de Heere zij geloofd! Overal dus, waar de Naam des Ileeren wordt aangeroepen in Geest en waarheid, waar Hij geloofd en geprezen wordt als de éénige en volkomene Zaligmaker van verlorene zondaren, daar is eene stad van het land Juda. Het land Juda is dus de Gemeente van onzen Heere Jesus Christus, die ten eeuwigen leven is uitverkoren, die Hij Zich gekocht heeft met Zijn eigen bloed, en die Hij Zich vergadert in eenigheid des waren geloofs van alle einden der aarde; — want de Heere doet naar hetgeen Hij gesproken heeft, Jer. 23 : 3: „En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb, en Ik zal ze wederbrengen tot hunne kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen", en Ezech. 3 4 : 1 1 —16: „Zoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik, ja Ik zal naar Mijne schapen vragen en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijne kudde opzoekt ten dage, als hij in t midden zijner verspreide schapen is, alzoo zal lk Mijne schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn ten dage der wolke en der donkerheid. En Ik zal ze uitvoeren van de volken en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land, en lk zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stroomen en alle bewoonbare plaatsen des lands. Op eene goede weide zal Ik ze weiden, en op de hooge bergen Israëls zal hunne kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in eene goede kooi, en zullen weiden in eene vette weide, op de bergen Israëls. Ik zal Mijne schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere Heere. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel"; — en zóó lozen wij Yers 23 en 24: „En lk zal eenen éénigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijnen Knecht David, Die zal ze weiden, en Die zal hun tot eenen Herder zijn. En Ik, de Heere, zal hun tot eenen God zijn; en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in 't midden van hen; Ik, de Heere, heb het gesproken".
Onze Heere Jesus Christus is deze éénige Herder De wolven, die de schapen gaarne verscheuren zouden, hebben Hem verscheurd, en Hij gaf Zich over in Zijne trouwe zorg voor de schapen. Maar daarom heeft Hem God ook uit de dooden wedergebracht; dat heeft Hij gedaan in Zijne groote liefde tot ons verlorenen, Hij, Die de God des vredes is. (Vergel. Hebr. 13 : 20.) Hoe konden de schapen in rust en vrede zijn, als zij geenen herder hebben ? Dan dwalen zij rond, dan kunnen zij de goede weide niet vinden, noch ook het frisache water, zij zijn in gevaar door het roofgedierte te worden verslonden. En wij dwaalden allen als schapen, een iegelijk zag op zijnen weg, en hoe zouden wij, die eenmaal van öod zijn afgevallen, door onze zonde van God gescheiden en vijanden Gods geworden zijn, den weg des levens kennen of willen kennen? Maar de God des vredes heeft de verzoening teweeggebracht door Zijnen Eeniggeborene en Geliefde, heeft op Hem geworpen al onze ongerechtigheden, Hem overgegeven in den dood, opdat wij vrede zouden hebben by God in 't bloed Zijns kruises, en heeft Hem weder opgewekt, opdat Zijne schapen, die anders des doods zijn, het eeuwige leven zouden hebben in en door Hem. Alleen onder de hoede van dezen grooten, dezen éénigen Herder zijn wij veilig en wélbewaard, zoodat de wolven ons niet zullen hebben. Hij zal Zijne schapen wel weten te weiden in groote rust, in liefelijke weide, op groen gras, gelijk dit David heeft geloofd en beleden in den 23ste" Psalm: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren", en Jesaia prijst Hem, Hoofdstuk 40 : 11 : „Hij zal Zijne kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen en in Zijnen schoot dragen; de zoogenden zal Hij zachtjes leiden". Ja Hij zal de Gemeente, die Hij Zich verkregen heeft met Zijn eigen bloed, wel onderhouden en beschermen, zoodat alle vijanden tegen haar niets vermogen, gelijk Hij ook gesproken heeft: „Ik geef Mijnen schapen het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één" (Joh. 10 : 28—30).
Hier komt nu de vraag tot een ieder persoonlijk: Behoort ook gij tot de schapen van dezen éénigen Herder? zijt gij toegevoegd tot Zijne kudde? Wie zijn Zijne schapen? Hij Zelf zegt het ons Joh. 1 0 : 2 7 : „Mijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij !" — Allen, welke aan de kudde van Christus worden toegevoegd, komen tot de waarachtige overtuiging, dat zij in zichzelven verloren zijn en alleen gered kunnen worden door de genade, door de verlossing, die in Christus Jesus is. Al hun verlangen strekt zich naar dit ééne uit, om te mogen weten, dat ook zij gevonden zijn door den Herder der zielen, Die alleen hunne zielen verlossen kan en tot den vrede bij God kan brengen. Omdat de éénige Herder hen zoekt, zoeken zij Hem en blaten naar Hem, zonder Hom te hebben gezien ; omdat Hij naar hen verlangt, verlangen zij naar Hem. En omdat Hij hen wel weet te vinden in hunne groeven en kuilen, tus9chen de heggen en doornen, in modder en slijk, vinden zij Hem; Hij roept hen bij name, en waar zij hooren Zijne stem, Zijn Woord, daar ervaren zij het, hoe Hij hen kent, hen kent in al hunne nooden en behoeften en ellenden, maar ook hoe Hij daarin weet te voorzien; daarom volgen zij Hem door begaanbare en onbegaanbare wegen, door bezaaide en onbezaaide landen, omdat Hij hen trekt, en op de vraag: „Wilt gijlieden ook niet weggaan?" antwoorden zij met Petrus: „Heere! tot wien zullen wij heengaan? Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens!"
„De woorden des eeuwigen levens", — dat is de weide, waarin de eenige Herder Zijne schapen weidt, waarin Hij Zijne kudde doet legeren. Woorden des eeuwigen levens zijn de spijze, waaraan de kudde des Heeren dagelijks behoefte heeft. In de woorden des vergankelijken, ijdelen, zondigen levens, in de woorden van een valsch geestelijk leven, van het eigengerechtige leven, van het leven in zelfgekozene werken is geene eeuwigheid te vinden, geene eeuwige zaligheid, maar de schapen des Heeren Jesus moeten eeuwige zaligheid hebben. Zij, die zich door hunne zonden voor eeuwig van den volzaligen God gescheiden voelen, kunnen alleen rust hebben, door te weten: aan Gods gerechtigheid is voldaan, onze zonde, schuld en straf is uit het midden weggenomen, eeuwige gerechtigheid is aangebracht, God toornt niet meer op ons, maar heeft in ons een welbehagen, er is niets meer, dat ons van Hem zou kunnen scheiden! Daar zegt nu de eenige Herder tot deze arme zondaren, die tot God henen moeten, en niet weten, hoe tot God te komen: „Houdt u aan Mij, Ik ben uw Borg, uw Voorspreker, Ik zal u terechtbrengen, Ik zal u door alles heendragen". Terwijl zij bevreesd zijn voor den toorn, troost Hij hen gansch vriendelijk in de macht Zijner liefde, zeggende: „Mijn Vader is uw Vader, Mijn God is uw God, en gij zijt Mijne broeders!" Hij verkondigt hun den wil Zijns Vaders, nral. dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en zich op Hem verlaat, het eeuwige leven hebbe, en dat al Zijne schapen ook zullen zijn, waar Hij is, en eeuwig met Hem zullen weiden in het licht der zalige eeuwigheid. Als hunne zonden hen moedeloos maken, bemoedigt Hij hen en houdt hun, zonder moede of mat te worden, de vergeving hunner zonden, de eeuwige door Hem verworvene genade voor, en bedekt hen daarmede ook. Ja, — gelijk eenmaal Dr. Kohlbriigge zeide, — zoo dikwerf de wol der schapen vuil en zwart is, werpt Hij ze in den stroom Zijns bloeds, Zijner tranen, Zijner gerechtigheid, Zijns Geestes; dan spreekt en maakt Hij hen rein, en Zijne schapen huppelen van vreugde, dat Hij ze zoo goed wist te reinigen, terwijl zij niets konden, dan zich gestadig vuiler maken. Daarom hooren de schapen van des Heeren weide slechts Zijne slem, en o hoe gaarne! Maar voor eenen vreemde vlieden zij, want zij worden spoedig den staf des drijvers gewaar, en schapen zijn zwakke dieren, die alleen kunnen vooruitkomen onder de hand van eenen geduldigen herder, die hen kent, gelijk de Heere hen kent in geduld en liefde, zooals Hij ook spreekt bij Ezechiël, Hoofdstuk 34:31: „Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mjjner weide! gij zijt m e n s c h e n , maar I k ben uw God, spreekt de Heere Heere". En gelijk eenmaal Jakob tot Ezau zeide: „Indien men de kudde maar éénen dag afdrijft, zoo zal de geheele kudde sterven. Ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen naar den gang dezer kinderen en van het vee" (vergel. Gen. 33), zóó kent de Heere Zijne schapen in hunne zwakheid en voegt Zich daarnaar. Ilij is een zachtmoedig Leeraar, een barmhartig Iloogepriester, een genadig Koning, Die langzaam voor de Zijnen heengaat, wel wetende, wat maaksel wij zijn. Ja, Hij doet Zijne schapen nederliggen, Hij geeft rust den vermoeiden en belasten, daar I l i j hun toont, hoe Hij alles voor hen volbracht heeft, zoodat zij rusten mogen van al hunnen arbeid en om niet genieten de vruchten van hetgeen Ilij voor hen verworven en bereid heeft. Dat zijn grazige weiden, dat zijn frissche waterstroomen, waar het heet uit den mond van dezen Herder: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, — niet uit de werken, opdat niemand roeme",— waar Zijn Apostel het der Gemeente herinnert: „Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen" (Ef. 2 : 8—10).
De Heere — wij zagen het — is de éénige Herder Zijner kudde; intusschen heeft het den grooten Herder der schapen behaagd en het behaagt IIem nog heden, Zijne kudde te weiden door middel van herders en leeraars, die Hij Zich verkiest uit de menschen, en die Hij roept, om der Gemeente Zijn Woord te prediken. In en door deze prediking wil de eenige Herder Zijne stem doen hooren, opdat de schapen IIem volgende ingaan en uitgaan en weide vinden. Daarom schrijft de Apostel Paulus aan die van Efeze: „Aan elkeen van ons is de genade gegeven naar de maat der gave van Christus; en Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars; tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus" (Ef. 4 : 7, 11 en 12), — tot verzorging der kudde van Christus, opdat de schapen niet omgedreven worden, herwaarts en derwaarts, door allerlei bedrieglijke leer, maar het rechte voedsel vinden. Niet alsof de éénige Herder onzen dienst van noode zou hebben, maar het behaagt Hem alzoo, menschen te gebruiken in Zijnen dienst, die Hij Zelf eerst tot Zijne schapen gemaakt heeft en toebereid, opdat zij hunne broeders zouden versterken, de verslagenen oprichten, de kranken genezen, de verdoolden wederbrengen, het gebrokene verbinden. Uit zichzelven kan niemand zulk een herder worden, maar de Heere vervult Zijne belofte: „Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vreezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heere" (Jer. 23 : 4.)
Deze herders doen de kudde legeren, zoodat, of ook de Gemeente zich naar 't uitwendige in allerlei nood en strijd bevindt, zij nochtans naar het inwendige allen vrede heeft in Christus Jesus. Zoo schrijft ook de Apostel Petrus, die tot zulk eenen herder gemaakt was, aan zijne medeouderlingen niet: Strijdt voor de kudde, — maar: „Weidt de kudde Gods, die onder u is" (1 Petr. 5 : 1). Want, waar slechts het Woord gepredikt wordt, doet het Woord alles alleen en werpt de vijanden overhoop. Het is evenals wij lezen in den 468le" Psalm: „Of ook de wateren bruisen en beroerd worden en door derzelver verheffing de bergen daveren, nochtans de beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten". Terwijl de vijanden met elkander strijden, terwijl de ééne wolf den anderen verscheurt, blijft de kudde des Ileeren onder de hoede der getrouwe herders rustig legeren te midden van het hoogc gras, zoodat zij niet eens door de vijanden wordt bemerkt. De herders, die de Heere Zijner Gemeente verwekt, maken dan ook niet veel rumoer, gelijk zij, die overal willen hervormen, overal evangeliseeren, overal bekeeren, overal het kromme willen recht maken, terwijl zij gedreven worden door eene wet van werken, zoo niet door vuil gewin of begeerte, om eenen naam te verkrijgen en heerschappij te voeren. De herders, die de Heere verwekt, hebben het woord leeren verstaan: „Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods" (Rom. 9 : 16), en: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen" (Zach. 4 : 6). Zij, die zichzelf hebben leeren kennen als verlorene schapen, die alleen afhangen van Gods barmhartigheid en trouw, hebben ook geduld met de schapen, die aan hun opzicht zijn toevertrouwd. De herders, die God Zijner Gemeente geeft, buigen zich onder het oordeel Gods, zij kennen de verwoesting, die door de zonde is aangericht, den dood, waarin wij liggen, — zij kunnen alleen leven bij het Woord, dat uit den mond des Ileeren uitgaat, — zoo blijven zij onder de genade, blijven bij de kudde, en houden haar bijeen in de weide, — dAar, waar het gras is, dat de Heere laat groeien. Door allen) die naar de genade hongeren en dorsten, naar het Woord des levens, wordt het dan ook bekend, dat het woord, door zulke herders verkondigd, niet hun woord is, maar het Woord van den Oppersten Herder. En dit Woord, gelijk het de kudde doet legeren, is te gelijk een Woord, dat oordeelt, waardoor de Heere richt tusschen do schapen en de bokken. Immers het is niet anders: zoolang de Gemeente van Christus hier op aarde is, zullen zich steeds daaronder voegen de geveinsden, die den Naam van onzen Heere Jesus Christus wel met den mond belijden, maar niet in oprechtheid en waarheid. Maar in de prediking van de herders, die de Heere verwekt, wordt het wel openbaar, dat de genade onzes Gods niet is eene genade, waarbij men in allerlei ongerechtigheid en goddeloosheid zou kunnen volharden, of ook zich ten deele op Christus zou kunnen verlaten en ten deele op eigen werk, maar eene genade, door welke des Ileeren schapen, hoe onnoozel en dwaas ook in zichzelven, geleid en gehouden worden in 't spoor der gerechtigheid. Door dit Woord der genade wordt dus de goddelooze gewaarschuwd, opdat hij zich bekeere en leve, gelijk de Heere dit eischt van de herders en opzieners der kudde. W aar de kudde des Heeren zich legert onder Zijn Woord en de heilige Sacramenten ontvangt naar de instelling van Christus, daar wordt door hare herders de tucht gehandhaafd in den zin en naar den wil van Christus, opdat zich niemand lichtvaardig trooste mot eenen gestolenen troost, opdat de dronkenen niet worden gedaan tot de dorstigen, en de Naam des Heeren niet worde gelasterd. Gelijk bij het ingaan en uitgaan van den stal de schapen geteld worden door den herder, zoo zullen naar Vers 13 de kudden onder de handen des tellers doorgaan; de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en de getrouwe herders zullen hun hart op hunne schapen zetten en naarstiglijk toezien, om hunne schapen te kennen, opdat aan een iegelijk worde gegeven zijn bescheiden deel. Waar de herderen de kudden doen legeren, daar is hunne zorg gericht inzonderheid ook op de lammeren der kudde; — zoo zullen do herderen, die God Zijner Gemeente geeft, vooral ook voor de kinderen der Gemeente zorg dragen, opdat zij onderwezen en opgevoed worden in de vreeze Gods en Zijne waarheid.
De herders, die de Gemeente Gods weiden, zullen evenmin als de schapen en evenmin als de Overste Herder de vijandschap van duivel en wereld niet kunnen ontgaan. In 't geloof hebben zij een volkomen heil in Christus Jesus, en door het geloof genieten en ervaren zij dat heil; zij worden met de Gemeente vertroost door het Woord van den eenigen Herder, maar, terwijl het oordeel begint van het huis Gods, hebben vooral de voorgangers der Gemeente veel aanvechtingen en verdrukkingen te verduren; — en te allen tijde zullen de vijanden er op uit zijn, de herders en de schapen uit de weide des Woords weg te tooveren; kunnen zij het met list niet bereiken, dan gebruiken zij geweld. Evenwel de Heere der heirscharen is machtiger dan alle vijanden, Hij zorgt voor het doorkomen van Zijne dienstknechten en van al Zijn arm volk ook door dezen tijd; hoe groot ook de verwoesting is naar het zichtbare, in alle steden van Juda zullen woningen zijn der herderen, die de kudden doen legeren. Hij, Die hier geene plaats had, waar Ilij Zijn hoofd kon nederleggen, heeft den Zijnen eeuwige woningen bereid in hart Zijns Yaders, maar ook hier op aarde heeft Hij hun woningen bereid, zoodat zij niet herwaarts en derwaarts behoeven te zwerven, maar ruste vinden voor hunnen voet; — en zoo wordt op den dag van het heil des Heeren, den dag, dien de Heere heeft doen aanbreken door do opstanding van Jesus Christus uit de dooden, dit lied gezongen iu het land van Juda: „Wij hebben eene sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Doet de poorten open, opdat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart. Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. Vertrouwt op den Heere tot in der eeuwigheid, want in den Heere Ileere is een eeuwige Rotssteen".
Waar dan onder ons overal de verwoesting wordt aanschouwd door het oordeel Gods, zullen wij daar raden en helpen? Bij ons, bij alle vleesch, bij alle schepsel is geen raad noch hulp! Zullen wij klagen? Wat klaagt een levend mensch? Een ieder klage vanwege zijne zonde! I)at wij ons verootmoedigen voor Gods Aangezicht vanwege al onze zonden en ongerechtigheid, en ons oog gevestigd zij op Gods ontferming en trouw, op de belofte Zijns heils! Zijne hand is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen helpen en redden, Hij doet wonderen als van ouds. Hij beschaamt niet, die in al hunne nooden en al hunne zwakheid Hem verbeiden. Daarom, wacht op den Heere en zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den Heere hoopt! (Ps. 27 : 14 en 31 : 25.)
Niemand roeme in zichzelven; wat wij zijn en wat wij hebben, dat zijn wij en hebben wij alleen door Gods ontferming. Laat ons niet denken: Wij zitten in Abrahams schoot, wij hebben de waarheid en kennen de waarheid, ons kan de zaligheid niet ontgaan. Want dan verheffen wij ons boven het Woord. En alleen waar wij ons buigen onder het Woord, dat ons bestraft, zullen wij de vertroosting van het Woord ervaren en ons verblijden in het heil des Heeren. Zoo alleen brengen •wij lof aan (en huize des Heeren met de Gemeente des Heeren, naar den 795sten rijmpsalm vs. 7 :
Zoo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw' lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw' roem, Uw onverwinb're krachten!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Overdenking van Jeremia 33 : 12. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken