Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Over den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.

20 minuten leestijd

Het is een troostrijk feit, dat Christus aan de Rechterhand des Vaders zit, en dat Hij van daar Zijne hemelsche gaven uitgiet. Laat ons zien, hoe onze Heere Jesus Christus als Koning over ons regeert en ons door zichtbare, heilige waarteekenen en zegelen te verstaan geeft, wat Hij ons door de prediking leert.
Dewijl wij zulke onbevattelijke, stompzinnige mensohen zijn, die moeilijk iets begrijpen, heeft het den Ileere behaagd, naar den rijkdom Zijner genade aan cns te doen, en ons de twee Sacramenten te geven, den lleiiigen Doop en het Ileilig Avondmaal. Nu heerschen er omtrent den Heiligen Doop, maar vooral omlrent het Heilig Avondmaal zeer verwarde begrippen. De Sacramenten zijn w a a r t e e k e n e n , dus teekenen, waardoor wij iets waarnemen; verder zijn het z e g e l e n , waardoor ons de belofte des Evangelies wordt verzegeld, dat is door den Geest zeker en gewis gemaakt wordt. Deze waarteekenen zijn z i c h t b a a r . Onze Heere Jesus Christus namelijk heeft voor den Doop water bevolen, hetwelk het meest geschikte beeld is, om ons te doen verstaan, dat Hij ons reinigt van onze zonden met Zijn bloed en Zijnen Geest. IIet water is het eigenlijke element der reiniging van ons lichaam. Om ons dus beter te doen verstaan, dat Christus onze zielen reinigt met Zijn bloed, heeft Hij het water bevoien, dat wij met het water zouden besprengd worden. Intusschen maakt Hij ons, kinderen en volwassenen, duidelijk, wat het wil zeggen, als Hij door den Profeet s p r e e k t : „Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden : van al uwe onreinigheid en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u ; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, eu zal u een vleeschen hart geven. En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen" (Ezech. 36 : 25—27). — Een zichtbaar waarteeken hebben wij ook in het Heilig Avondmaal. Daar hebben wij ook iets zichtbaars, namelijk: het brood en den drinkbeker, of brood en wijn. Daarmee geeft Christus ons nu te verstaan, dat Hij onzo ziel spijzigt met Zijn lichaam en laaft met Zijn bloed, alsof Hij zeide: Zooals Ik u het brood geef, geef Ik u Mijn lichaam; zooals Ik u den drinkbeker geef, geef Ik u Mijn bloed, — Mijn lichaam te eten, Mijn bloed te drinken. Dat zullen de kindpren niet zoo dadelijk verstaan; zij zullen het echter begrijpen, als ik hun zeg: brood is de naam voor alle spijzen, die het lichaam voeden, en wijn is de naam van den drank, waardoor vooral treurigen worden vertroost, zwakken versterkt en kleinmoedigen bemoedigd. Wat nu het brood is voor het lichaam, — wil de Heere zeggen, — dat is Mijn vleesch voor de ziel, en wat de wijn is voor het lichaam, dat is Mijn bloed voor de ziel. Zoo zijn dus brood en wijn zichtbare waarteekenen, en niet alleen zichtbare, maar ook h e i l i ge waarteekenen; niet heilig op zichzelven, — op zichzelf is het doopwater, is het brood en de wijn dat niet, — maar heilig zijn deze waarteekenen, omdat zij door Christus, onzen Koning, daartoe verordend zijn.
De belofte bij den Doop is, dat Hij ons wil wasschen met Zijn bloed en Zijnen Geest, terwijl Hij in den hemel aan de Rechterhand Zijns Vaders zit; en daar kan Hij het ook alleen doen. De belofte bjj het Avondmaal is, dat IIij onze zielen met Zijn vleesch en bloed spijst en laaft, eu spijzen en laven wil ten eeuwigen leven, dat is 1) tot het geestelijk leven hierbenoden, dat wij Hem liefhebben, eeren en vreezen, Hem volgen, en 2) na dit leven in de eeuwige blijdschap, — zooals de Heere Jesus gezegd heeft: Wie in Mij gelooft, of wie Mijn vleesch eet t n Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. De belofte in het Heilig Avondmaal is volgens Vraag 75 van den Heidelbergschen Catechismus deze: Zijn lichaam is gewisselijk voor mjj aan het kruis geofferd en gebroken, Zijn bloed is gewisselijk voor mij vergoten. Zoo hebben wij dus de belofte van den Heere J e s u s : Ik offer Mijn lichaam aan het hout des kruises voor u, voor u laat Ik Mijn lichaam aan dit kruis als het ware breken; I k vergiet voor u, dat is voor de betaling en reiniging uwer zonden, Mijn bloed. Dat is de belofte. In deze belofte l i g t: 1) dat heb Ik gedaan, en 2) dat zal Ik doen, voor u, Mijn kind; zoolang gij hierbeneden zijt, zal Ik voortdurend Mijn lichaam voor u geven, opdat Mijn lichaam, eenmaal geofferd en gebroken, voortdurend u ten goede kome; en opdat Mijn bloed, eens voor altijd vergoten, u voortdurend ten goede kome; — het is eeno daad van eeuwige kracht, dat Mijn lichaam geofferd en Mijn bloed vergoten is, daarom zal het u ook steeds ten nutte komen.
Ik herhaal het echter: wij arme menschen zijn zóó stompzinnig, dat wij dat ternauwernood kunnen begrijpen. Als wij brood en wijn op de tafel hebben, dan verstaan wij er iets van, dat brood en wijn het lichaam voeden en onderhouden. Dat kunnen wij met ons verstand begrijpen en vatten, maar het andere niet. Wij verstaan het niet, omdat wij niet recht begrijpen en verstaan, dat onze ziel zeker sterft, indien Christus ons niet met Zijn lichaam voedt; dat onze ziel zeker van dorst versmacht, als Christus haar niet met Zijn bloed laaft. En wij verstaan dit niet, omdat wij ook niet begrijpen, dat wij eenmaal eene ziel te verliezen hebben. Wij menschen houden ons zoozeer bezig met ons lichaam en met het stillen van den lichamelijken honger en dorst, dat wij er helaas volstrekt niet aan denken: ik heb nog iets veel kostbaarders dan het lichaam, ik heb eene ziel te verliezen. Deze ziel moet behouden worden. Deze ziel komt om, indien Christus, de Heere, haar niet spijst en laaft. De ziel heeft noodig voortdurend gevoed en gedrenkt te worden, zal zij behouden worden. Dat doet de Heere Jesus door de prediking, maar nu is Hij bovendien zoo genadig, dat Hij der Gemeente twee Sacramenten geeft. In deze zichtbare en heiiige waarteekenen brengt Christus ons Zichzelven in gedachtenis, opdat wjj aan Hem zullen gedenken. Wij worden in het Heilig Avondmaal er aan herinnerd: Christus alleen is de spijze, Christus alleen de drank mijner ziel. In het natuurlijk leven herinnert onze maag er ons aan, dat wij moeten eten en drinken, maar in het geestelijk leven kan alleen de Geest van Christus er ons aan herinneren: gij moet eten en drinken, anders zult gij sterven, en uwe spijze is alleen het lichaam van Jesus Christus, eu Zijn bloed is alleen uwe lafenis. Dat brengt ons de Heere Jesus Christus in herinnering. Ik herhaal het, dat wij slecht van geheugen zijn, en dat het ons telkens weêr moet gezegd worden. De krachtigste man, de krachtigste geloovige vrouw moet nog op liet sterfbed herinnerd worden niet aan hooge dingen, maar aan datgene, wat eenvoudig waar is, en alleen waar is, en ons zoo dikwijls ontgaat, juist omdat het zoo eenvoudig en waar is. — Op Christus' bevel breekt voor uwe oogen de dienaar het brood en geeft u den drinkbeker. Nu kunt gij, als gij aan tafel zit, toch niet zeggen: „Dat is niet waar"; want gij krijgt immers het brood in uwe hand, dan kunt gij toch niet zeggen: „Het is niet waar!" Gij ziet, de drinkbeker wordt u in de hand gegeven, — is dat dan niet waar ? Dat is toch buiten allen twijfel! Nu zegt de Heere Jesus: Zie, zoo zeker als gij het brood ontvangt, zoo zeker is Mijn lichaam u tot spijze, en zoo zeker als gij dezen drinkbeker ontvangt, zoo zeker is Mijn bloed u tot drank ten eeuwigen leven ; het brood eet gij lichamelijk, dat is: met den mond uws lichaams, en den wijn drinkt gij eveneens lichamelijk, dat is: met den mond uws lichaams; maar zoo zeker gij het brood met uwen lichamelijken mond eet, en den wijn drinkt, even zoo zeker eet uwe ziel en drinkt uwe ziel Mijn lichaam en Mijn bloed. Zoo heeft de Ileere Jesus Christus het brood en den drinkbeker ingesteld tot eene gedachtenis, opdat wij er toch aan zouden denken. Daarom heeft Hij ook gezegd: „Zoo dikwijls als gij zulks doet, doet het tot Mijne gedachtenis!" opdat wij toch zullen bedenken, dat er in de woorden: „Mijn lichaam is voor u aan het hout des kruises geofferd en gebroken", eene belofte ligt, en wederom in de woorden: „Mijn bloed is voor u aan het hout des kruises vergoten", eene belofte ligt, namelijk deze: dat is voor u geschied.
Maar nu komt hier nog iets anders bij. Dat lezen wij in Yraag 76: „ W a t is d a t te z e g g e n : h e t g e k r u i s i gd l i c h a a m van C h r i s t u s te e t e n , en Z i j n v e r g o t en b l o e d te d r i n k e n ? " Dat schijnt, zoo oppervlakkig beschouwd, eene dwaze vraag te zijn. Maar denken wij eens aan het volk Israël in de woestijn. Daar had het geen brood en moest van honger omkomen. Nu laat dan G o l zoolang zij in de woestijn zijn, manna van den hemel regenen, en zij verzamelden dat iederen morgen, aten er van en bleven in leven. En toen zij dachten van dorst te zullen omkomen, kloofde Hij de steenrots, zoodat er water uitvloeide, en zij dronken, zoolang zij in de woestijn waren, en bleven in leven. Dat was nu voor het lichaam. Maar de ongeloovige menigte viel in de woestijn en stierf door Gods toorn en gericht. Dit manna en dit water uit de steenrots was slechts een beeld. In Joh. 6 wil Jesus te kennen geven: zooals uwe vaders het manna hebben gegeten, zoo ben Ik voor uwe zielen het brood, dat de Vader uit den hemel doet nederdalen; en gelijk zij het water uit de steenrots hebben gedronken, zoo ben Ik in uwen dorst uw drank. Zoo eet en drinkt het lichaam, en zoo eet en drinkt de ziel ook; maar de ziel eet en drinkt op eene andere manier dan het lichaam eet en drinkt. Op welke andere manier? Daarover handelt nu Yraag 76: „Wat is dat te zeggen: het gekruisigd lichaam van Christus te eten, en Zijn vergoten bloed te drinken?" M. a. w.: dat ik brood eet en den drinkbeker drink, dat begrijp ik, maar hoe moet ik het verstaan, dat mijne ziel eet het gekruisigd niet het verheerlijkt — lichaam van Christus? hoe moet ik het verstaan, dat mijne ziel drinkt het vergoten bloed van Christus? Ziehier nu het antwoord op deze vragen: Zijn gekruisigd lichaam eten en Zijn vergoten bloed drinken, wil zeggen: met een g e l o o v i g h a r t h e t g a n s c h e l i j d en en s t e r v e n van C h r i s t u s a a n n e m e n . — Dus de ziel eet, als zij wat aanneemt. Gelijk de mond het brood en den wijn aanneemt, zoo is dit eten en drinken der ziel: het gansche lijden en sterven van Jesus Christus aannemen, voor zichzelven aannemen, met een geloovig hart. Het is dus: tot den Heere Jesus gaan en zeggen: „Uw lijden en Uw sterven is de spijze en drank mijner ziel!" Zoo gij dat met een geloovig hart aanneemt, ontvangt gij vergeving van zonden en het eeuwige leven. Gesteld eens, gij lijdt vreeselijken honger, dan kan het brood, dat gij eet, u op eens weêr tot het leven terugbrengen. Zoo kon Jonathan in den vreeselijken, langdurigen strijd van vermoeienis niet meer zien, en stond op het punt van te bezwijken ; daar stak hij zijnen staf in den honig, die uit de steenrots vloeide, bracht daarvan een weinig aan zijnen mond, en zijn geest kwam weder in hem. Waar alzoo honger en dorst in de ziel is, zal zij het gansche lijden en sterven van Jesus Christus aannemen en ontvangt daardoor versterking, zekerheid van de weldaad van de vergeving der zonden en van het eeuwig leven, zoodat er weêr moed is en nieuwe kracht, om den pelgrimsstaf weêr op te nemen. Ziedaar ééne nuttigheid. Neemt gij dus met uwe ziel het gansche lijden en sterven van Christus aan, dan eet en drinkt uwe ziel. Maar dat is nu niet het eenige, er komt nog iets bij. De Catechismus zegt daarom: „Maar o o k d a a r b e n e v e n s door den H e i l i g e n G e e s t , Die te z a m e n in C h r i s t u s en in ons w o o n t , a l z o o met Z i j n h e i l i g l i c h a a m hoe l a n g e r hoe m e e r vere e n i g d w o r d e n " , — deze Geest is in Christus, onzen verhoogden Middelaar, Die aan de Rechterhand des Vaders zit en dezen Geest uitstort in de Gemeente, en zoo is deze Gee9t van Christus ook in de Gemeente, dat is in ons geloovigen. Hij houdt immers dezen Heiligen Geest niet voor Zich alleen, maar Hij deelt Hem mede. Zoo is dus één Geest in Hem en in ons; deze Geest vereenigt ons hoe langer hoe meer met Hem. Hoe langer hoe meer! — ach, wij voor onszelven zouden eer denken, dat wij telkens achteruitgaan; het is, alsof wij telkens weder afvallen; wij zijn zoo spoedig moede en mat; het gaat met ons maar zoo langzaam voort, voetje voor voetje, en dikwijls nog vallen wij, dat wij zouden denken, niet weêr te zullen opstaan. Maar terwijl wij meenen, achteruit te gaan en minder te worden, is dit toch in het geestelijk leven, als wij ons aan den Heere houden, niet zoo, er is veeleer een gedurige wasdom, die voor ons verborgen en niet met handen te tasten is, maar die er nochtans ia. Wij worden dus door dezen Geest hoe langer hoe meer met IIem vereenigd. Man en vrouw, bruidegom en bruid worden, indien er vreeze Gods en liefde is, wel met elkaar vereenigd door het jawoord, vervolgens door het verwisselen der ringen, daarna volkomen door de huwelijksvoltrekking, waardoor het op eens is: twee — één vleesch. Maar in werkelijkheid wordt men door allerlei kruis, lijden, druk en nood, en wat men zoo te zamen ondervindt, hoe langer hoe meer met elkander vereenigd. Daar moge men van elkander verwijderd zijn, zoodat bijv. de man verre van huis den koning dient, terwijl de bruid of vrouw achterblijft, — de band wordt door de scheiding slechts te hechter, zoodat het inderdaad een „hoe langer hoe meer" is ; en heeft men ook in het begin van zijn huwelijk allerlei domme dingen gedaan en is men vaak van weêrszijden liefdeloos geweest, het is toch een wonder, hoe alles, zelfs de dood, die anders alles scheidt, de beide deelen slechts te meer yereenigt. Zoo doet ook de Geest van Christus. Spijze en drank der ziel is dus: door den Geest, Die te zamen in Christus en in ons woont, alzoo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer vereenigd worden, „dat w i j , al is h e t , d a t C h r i s t u s in den h e m e l is, en w i j op a a r d e z i j n , n o c h t a n s v l e e s c h van Z i jn v l e e s c h , en b e e n van Z i j n e b e e n e n z i j n " . Daarvan ontvangen wij in het Heilig Avondmaal herinnering en verzegeling; want dewijl Ilij in den hemel is en wij op aarde •zijn, kan het niet gezien worden. Een man kan afwezig zijn, hij kan in Frankrijk, Petersburg of Moskou wezen, de band tusschen hem en zijne vrouw bestaat toch, en door de correspondentie, door de werking der ziel en de wisseling der gedachten, en door wederzijdsch gebed wordt het meer en meer gevoeld: dat is vleesch van mijn vleesch, en been van mijne beenen!
Dat is dus het eten: het gansche lijden en sterven van Jesus Christus aannemen, en alzóó smaken, dat de Ileere vriendelijk is, en alzóó de verzekering ontvangen van de vergeving der zonden en het eeuwig leven. En zoo is het ook met het drinken Yerder is eten en drinken, nml. het eten en drinken der ziel: hoe langer hoe meer met Christus als met den Bruidegom der ziel vereenigd worden, evenals, ik herhaal het, bruidegom en bruid, of man en vrouw, door lang samen te leven, hoe langer hoe meer met elkaar vereenigd worden, zoodat men den onderlingen band gevoelt, en door éénen Geest geregeerd wordt. Ik zeg nu, dat het Avondmaal ons in herinnering brengt en verzekert, dat het waarachtig is, en wij hebben deze herinnering noodig, omdat wij zoo hard van nek zijn en zeer onverstandige menschen zijn, menschen, die steeds twijfelen, of het wel waar is. Zoo moet het ons dan als kinderen worden geleerd: ziet gij ? daar maak Ik bet u nu eens helder en duidelijk, en bevestig het u, dat het zoo is.
Nu kom ik ten slotte nog met eene vraag uit den Catechismus, en deze vraag is: Mag ik tot het Heilig Avondmaal gaan? Het antwoord op deze vraag heeft ieder kind reeds geleerd: „ C h r i s t u s heeft aan mij en a l l e g e l o o v i g e n , tot Z i j n e g e d a c h t e n i s , van d i t g e b r o k e n b r o o d te eten en van dezen d r i n k b e k e r te d r i n k e n bevolen". Dus mag ik niet eens vragen: „Mag ik?" — ik heb dit bevel, en daarom zeg ik: wee dengene, die dit bevel, waarmee de Koning tot ons komt, veracht, en niet begrijpt, dat alleen van dezen Koning zijn leven, en dat Zijne ongenade zijn dood is. •— Maar nu komt er eene andere vraag: wie moeten tot de tafel des Heeren komen? Gij hebt dus uzelven te beproeven, vóór gij aan het Avondmaal des Heeren gaat! En daar luidt dan het Antwoord op de 813,e Yraag: „Degenen, die zie faze l v e n v a n w e g e h u n n e z o n d e n m i s h a g e n " ; wij arme menschen hebben aan ons doemwaardig „ik" een welgevallen; wij zijn er altijd op uit, om onze wegen te rechtvaardigen en alle schuld op den naaste te werpen. Dus: wie moeten tot het Avondmaal des Heeren komen? Die zichzelven uitspuwen en verwerpen, die eenen walg aan zichzelven hebben vanwege hunne zonden. Nu weten wij immers uit het Evangelie : onze zonde voor God, ja, dat is eene schuld van tien duizend talenten of meer dan veertig millioen gulden, terwijl datgene, wat •onze naaste ons schuldig is, hoogstens honderd penningen bedraagt. Dus om onze zonden, die wij tegen God en onze naasten hebben begaan en nog steeds begaan, onszelven verwerpen, aan •onszelven eenen walg hebben, dat is het eerste Bij de zielespijs is alle andere spijs gal, een bedorven brood bij deze koninklijke tafel. Het tweede is, dat wij ons vertrouwen versterken : ik •weet geenen anderen grond van vergeving der zonden dan het lichaam en bloed van Jesus Christus, aan het kruis gebroken «n vergoten. Dit bloed stroomde niet tevergeefs, dit lichaam is niet tevergeefs gebroken, zoo is het dan geschied tot vergeving mijner zonden, — mijn hart, hetzij gij het gelooft, of niet gelooft, het is toch waar! De Heere Jesus heeft het Zelf gezegd, dat dit geschiedt tot vergeving onzer zonden. Maar al zijn nu ook de zonden vergeven, wij zeiven zijn toch nog zwak en krank, bij ons is nog eene groote zwakheid. Dat wij daarom toch vertrouwen en ons vertrouwen laten sterken, dat deze overgebleven zwakheid met bet lijden en sterven van Christus niet is weggenomen; want zoolang wij in dit leven zijn, houdt deze zwakheid niet op. De troost van de vergeving der zonden moet blijven, doch de zonde zelf wordt eerst opgeheven, als wij haar afsterven in den dood. Maar het lijden en sterven van Christus bedekt deze z.vakheid, deze schande en smaad, opdat zij voor Gods Aangezicht bedekt zij. — Nu komt er echter nog iets anders. Diegenen komen waardig tot de tafel des Heeren, die het oprechte verlangen met zich omdragen en hoe langer hoe meer begeeren hun geloof te sterken. Zij moeten gelooven, zij willen en moeten gelooven, en kunnen niet vanwege hunne zwakheid, en daarom zeggen zij: Ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp". Het geloof is niet op eens volkomen en in zijne volle kracht, maar van lieverlede, voor en na, meer en meer wordt het gesterkt. Ten derde komt hierbij, dat zij van harte begeeren, hun leven te beteren. Zij komen dus met de belijdenis: aan mijn leven is niets goeds, maar daar blijven zij, die het bevel des Heeren hebben, om tot de tafel des Heeren te komen, niet bij zitten, neen, zij begeeren hun leven te beteren. Die dus belijden, dat aan hun leven, hun leven voor God, hun leven in de Gemeente, in huis met de hunnen, hun leven in het algemeen, niets goeds is, maar die van harte begeeren, dit leven te beteren, die mogen tot het Avondmaal des Heeren komen; want dat het leven gebeterd wordt, het zwakke geloof gesterkt, de mensch hoe langer hoe meer verootmoedigd wordt voor zichzelven, dat alles werkt dit hemelbrood, deze beker des heils.
21 Mei 1871. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Over den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken