Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 71—73.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 71—73.

22 minuten leestijd

De Heilige Doop staat in zeer nauw verband met het Woord des Heeren of de prediking des Evangelies. Als wij dit verband niet in het oog houden, zullen wij de beteekenis van den Doop in 't geheel niet verstaan, en hem of verachten als eene niets zeggende ceremonie, öf hem te hoog schatten, en in de plaats van het "Woord des Heeren, ja zelfs in de plaats van de werking des Heiligen Geestes stellen.
Dit mogen zoovelen bedenken, als er met minachting van het Woord spreken, alsof het slechts eene doode letter ware. Neen, geene doode letter is het, maar een hamer, die rotsen te morzel slaat, en wederom is het eene blijde boodschap, om te vertroosten degenen, die er door te morzel geslagen zijn. De Apostel Paulus zegt: „Ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, want het is eene kracht Gods tot zaligheid, eerst den Jood", — die het reeds lang had, en er recht op meende te hebben, — „en ook den Griek", d. i. den Heiden, die tot nu toe buiten het Verbond en de kennis Gods stond (Rom. 1:16).
Wij hebben in de vorige verhandeling gezien, dat de Heere Christus ons in den Doop zoowel de afwassching onzer zonden door Zijn bloed als de wedergeboorte door den Heiligen Geest toegezegd en verzekerd heeft. Laat ons nu eerst nader ingaan op de Schriftuurplaatsen, waar de Heere den Doop ingesteld heeft, en waar ons de Heilige Geest de beteekenis van dit Sacrament leert (Vr. 71), en vervolgens toelichten, dat de Doop zelf de afwassching der zonden niet is (Vr. 72), en w a a r o m de Heilige Geest hem dan het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden noemt (Vr. 73).
Eerst gaan wij dus kortelijk de plaatsen na, „ w a a r C h r i s - t u s ons t o e g e z e g d h e e f t , dat H i j ons zoo z e k er m e t Z i j n b l o e d en G e e s t w a s s c h e n wil, als wij met h e t d o o p w a t e r g e w a s s c h e n w o r d e n " (Vr. 71).
I)e Heere heeft dit vooreerst gedaan in de inzetting des Doops, die volgens Matth. 28 : 18 aldus luidt: „ G a a t dan h e n e n, o n d e r w i j s t al de v o l k e n , d e z e l v e d o o p e n d e in den N a a m des V a d e r s en des Z o o n s en des H e i l i g en G e e s t e s " .
Wij hebben reeds de vorige maal dit woord besproken en gezien, dat de Naam Gods is als een watervloed, waarin wij gewasschen worden; dat hij ons heenwijst op het Verbond der genade en vergeving onzer zonden, hetwelk Christus door Zijne bloedstorting en offerande gesloten heeft, en waarvoor de Heere God Zijnen Naam tot waarborg gegeven heeft. Hieraan hebben wij nu nog enkele opmerkingen toe te voegen.
De Ileere beveelt Zijnen discipelen, dat zij al de volkeren moeten onderwijzen, hun dus Gods Woord brengen, en als de volken het aannamen, zouden zij hen doopen. Gods Woord gaat dus vooraf, en het Sacrament volgt tot versterking van dit Woord. In het Woord openbaart Zich immers de eenige en drieëenige God met Zijne gansche barmhartigheid en liefde tot onze verlossing. Hoe konden de discipelen dat Woord achterwege laten en de volken alleen doopen ? Hoe zouden dan de Heidenen zich tot den Heere bekeeren ? Dat Woord predikt ons immers, dat Hij ons met Zijn bloed en Geest wascht; en zoo wij het aannemen, hebben wij grooten troost, welken troost de Sacramenten bevestigen.
Het andere woord der inzetting is Jlark. 1 6 : 1 6 : „Die g e l o o f d zal h e b b e n en g e d o o p t z a l z i j n , z a l z a l ig w o r d e n , maar die n i e t zal g e l o o f d h e b b e n , zal v e r d o e m d w o r d e n ".
Ook dit woord verbindt de Heere Jesus met de prediking des Woords, want Hij zegt Vers 15: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen". Hier verbindt Hij echter in 't bijzonder nog het geloof aan het Evangelie, alsmede den Doop, met de zaligmaking. Het Evangelie is het Woord der zaligmaking, het wijst ons den weg aan, hoe wij uit onze zoude en ellende verlost zullen worden, nml. door Jesus Christus, in Wien de barmhartigheid Gods openbaar wordt. Wie dat Woord gelooft en dus op Jesus Christus vertrouwt, zal verlost zijn van al zijne zonde en ellende. Daarom zal hij er niet tegen opzien, om zich te laten doopen, want dit Sacrament dient hem, om het Evangelie voor hem gewis te maken; en hij belijdt, door zich te laten doopen, zoowel dat hij in den grond verdorven is, als dat Christus zijn Zaligmaker is. Daarom roept hij ook den Naam des Heeren aan, gelijk geschreven staat: „En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden". Welk een steun en troost zal hem daarbij de Doop zijn! Hij heeft daarin de toezegging, dat hij gewisselijk met het bloed en den Geest van Christus gewasschen is. En terwijl hij bij zich niets ziet en gevoelt dan zonde, den toorn Gods en de verdoemenis, bidt Hij den Heere: „Vervul Uw woord, aan Uwen knecht toegezegd, en laat mij smaken de zaligheid mijner ziel".
„Maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden". Hier is de Doop niet genoemd, want het komt op het geloof aan; en wie dat niet heeft, blijft in de verdoemenis, al ware hij ook gedoopt. En dat moeten wij wel ter harte nemen, opdat wij niet meenen, dat de Doop genoeg zou zijn, zonder ware bekeering en berouw over de zonden, dus zonder het ware geloof.
Onze Catechismus ?egt verder: „Deze b e l o f t e w o r dt o o k h e r h a a l d , w a a r de S c h r i f t d e n D o o p h e t b ad d e r w e d e r g e b o o r t e en de a f w a s s c h i n g d e r z o n d en n o e m t " . Ia deze namen ligt namelijk de zaligmakende waarheid, die door den Doop voorgesteld en verzegeld is.
De naam „ h e t b a d d e r w e d e r g e b o o r t e " komt voor in Tit. 3 : 5 vv. De Apostel Faulus draagt aan Titus op, de geloovigen te vermanen, zich waardig het Evangelie te gedragen; want Paulus, Titus en allen „waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende", zoolang zij Christus niet gekend hadden. „Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijne liefde tot de mensclien verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes". Do Apostel wil zeggen, dat wij Gods barmhartigheid niet zullen geringachten. Wij waren gruwelijke zondaren en hadden geen enkel werk, hetwelk men rechtvaardig kan noemen : alles was bij ons zonde, en in ons heerschten alle begeerlijkheden om te zondigen; nochtans heeft Zich God over ons ontfermd, ons Zijn Evangelie geschonken en ons door het bad der wedergeboorte zalig gemaakt uit louter genade; d. i.: in onzen Doop heeft Hij ons de verlossing toegeëigend en ons alzoo vernieuwd door den Heiligen Qeeat. Zullen wij weder heengaan en leven naar onze wellusten en begeerlijkheden? Neen, maar naar het Woord Gods, om God te dienen in Godzaligheid, matigheid en rechtvaardigheid. Wie een verloren zoon was en door den Vader opgenomen werd, blijft gaarne in het vaderlijk huis. Alzoo blijft ook wie tot God bekeerd is, gaarne bij den Heere. Zoo dient de Doop, om ons te herinneren, dat wij in Christus eene wedergeboorte en nieuwe schepping hebben.
De Schrift noemt den Doop ook met den naam „ a f w a s s c h i ng d e r z o n d e n " . Hand. 22 verhaalt Paulus de geschiedenis van zijne bekeering. Toen hjj blind was van het licht, dat hem omschenen had, kwam de oude discipel Ananias en zeide tot hem, dat de Heere hem (Ananias) gezonden had, om hem weder ziende te maken en hem aan te kondigen, dat God hem tot Zijnen getuige gemaakt had bij alle menschen. Daarna gaat hij aldus voort (Vs. 16): „En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den Naam des Heeren". Daarmede moedigde Ananias Paulus aan, om niet langer te aarzelen, maar in het geloof zich in de armen des Heeren te werpen, want hij was bezwaard door de allergrootste zonden; hij had terstond noodig, dat hem zijne zonden afgewasschen werden. De Heere Christus, Die Zich aan hem geopenbaard had, zou ze hem afwasschen, en tot pand daarvoor zou hij den Doop hebben.
Zoo gewis dus Saulus gedoopt werd, zoo gewis zouden al zijne zonden uitgedelgd zijn. Daarom noemen wij terecht den Doop eene afwassching der zonden door het bloed van Christus. En een iegelijk, die gebukt gaat onder zijne groote en zware zonden, — waarvan wij slechts één noemen: de vijandschap jegens God en Zijn Woord, — die zie op zijnen Doop en zij verzekerd, dat de Heere Jesus ze hem uitgedelgd heeft, gevende Zijn eigen bloed en leven voor zijne schuld.
Nadat wij nu de Schriftuurplaatsen nagegaan hebben, waar de Heere Zijne toezegging en verzekering in den Doop uitgesproken heeft, gaan wij over tot ons tweede punt: d a t de D o o p zelf de a f w a s s c h i n g d e r z o n d e n n i e t is.
De Catechismus vraagt in Vraag 72: „Is d a n h e t u i t e r - l i j k w a t e r b a d de a f w a s s c h i n g d e r z o n d e n z e l f ?" en geeft tot Antwoord: „Neen h e t , w a n t a l l e e n h et b l o e d van J e s u s C h r i s t u s en de H e i l i g e G e e st r e i n i g t ons van a l l e z o n d e n ".
De Catechismus antwoordt hier op eene tegenwerping van ons verstand; want als wij lezen en hooren, dat de Doop genoemd wordt de afwassching der zonden en het bad der wedergeboorte, komen wij er lichtelijk toe, in den Doop zeiven deze hooge dingen te zien. En vele Kerken zijn ook hiertoe afgedwaald. De Roomsche Kerk ziet in den Doop de afwassching van de erfzonde en erfsehuld en leert, dat de kinderen door den Doop weder hunnen vrijen wil herkrijgen, dat zij worden, gelijk Adam vóór zijnea val was. Evenzoo spreken ook velen, die anders de Reformatie aangenomen hebben, degenen, die zich naar Maarten Luther noemen. Zij zien in den Doop de wedergeboorte zelf, en het herkrijgen van nieuwe krachten om het goede te doen, in Christus te gelooven, God en den naaste lief te hebben.
Maar wat helpt ons zulk eene herstelling van den vrijen wil ? wat baten deze nieuwe krachten, daar wij toch weder in onze zonden vallen ? En wat is dit voos. eene wedergeboorte, daar wij toch weder, als Adam, Gods Verbond breken? De wedergeboorte, zooals Luther zelf zegt, is in Christus en Zijne gaven en weldaden, vooral in de vergeving onzer zonden, en in een nieuw, Godzalig leven. Zij heeft dus met den vrijen wil des menschen niets te maken. En de Doop moet geenszins zóó verstaan worden, als zouden slechts door het uitwendige bad of begieten met water, al spreekt men daarbij de inzettingswoorden, zulke hooge dingen geschonken en gewerkt worden. Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde, zegt Johannes (l8te Br. 1 : 7), en aangaande den Geest voegt Paulus in Tit. 3 uitdrukkelijk aan de benaming „bad der wedergeboorte" deze woorden toe: „en vernieuwing des Heiligen Geestes". Dat nu Christus ons bij den Doop door het W o o r d reinigt, en niet door den Doop, zegt Paulus Ef. 5 : 25 en 26: „Christus heeft de Gemeente liefgehad en Zichzelven voor haar overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het W o o r d " . Hier is uitdrukkelijk het Woord, d. i. de prediking des Evangelies, genoemd als het middel, terwijl het waterbad het begeleidt. Alleen de Heilige Geest kan het Woord der vergeving onzer zonden om des bloeds van Christus wil en al Zijne weldaden aan onze harten toeëigenen, werkende en bevestigende in ons het geloof aan dat Woord. — Johannes de Dooper zegt: „Ik doop u wel met water tot bekeering, maar Die na mij komt is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen". Hier stelt Johannes zijnen Doop als een uitwendig Sacrament tegenover de daad zelf, dat Christus ons met den Heiligen Geest en met het vuur van Zijn Woord doopt. Want gelijk het water slechts uitwendig reinigt, zoo reinigt het vuur het zilver inwendig van alle metaalslakken. Alzoo worden wij van onze zonden inwendig gereinigd, en dat geschiedt, doordat de Heilige Geest het Woord op ons toepast en ons door inwendige aanvechting en nood afbrengt van onze eigengerechtigheid en zonde, opdat wij alleen in Christus en Zijn bloed gelooven.
Zoo is de meening, als zou de Doop zelf de afwassching der zonden zijn, ganschelijk wederlegd.
Maar waarom wil men in den Doop zelf die dingen zien, die alleen Christus en Zijn Geest kunnen werken? — Omdat men met z i j n h a r t niet tot God wil komen, Hem zijne zonde en verloren toestand uiet wil belijden; men wil niet oprecht voor God zijn; en toch gevoelt men in zijne ziel het gemis van de vergeving der zonden en dat der wedergeboorte. Zoo zoekt men deze dingen in den Heiligen Doop, in het uitwendig werk, en vindt het gemakkelijk, zich zelf datgene toe te eigenen, wat God weigert te geven. Ook zijn er vele leeraars, die wel voorgeven zich aan de Formulieren van eenigheid te houden, en dus ook de erfzonde en erfschuld belijden, maar zij beweren, dat dezelve door het werk des Doops weggenomen worden, en dat daardoor aan den doopeling de kracht om te gelooven geschonken wordt. Den een hindert onze belijdenis van de volslagen verdorvenheid des menschen, hij wil haar opheffen en de leer van den vrijen wil als het ware tersluiks weder invoeren; de ander zoekt op de eene of andere manier de verkeerde leer te handhaven, volgens welke den wedergeborene nieuwe krachten ingestort zijn; bovendien verlegt hij de wedergeboorte en de rechtvaardiging door het geloof in de eeuwigheid. Maar allen, die zulke menschelijke vonden met den Heiligen Doop verbinden, verloochenen Luther en alle vaders der Hervorming, ondermijnen de kracht en beteekenis van Gods Woord, leeren tegen den Catechismus, en brengen onze kerken weder op het Roomsche spoor. Zij zien niet in, dat dit alles tooverij en afgoderij is, gelijk aan zoodanige, waarbij men door zekere woorden het vee zegent of tracht te genezen van ziekten. Blijven wij daarbij, dat wij alleen door het bloed en den Geest van Christus door middel van Z i j n W o o r d van onze zonden gewasschen worden.
„ W a a r o m noemt d a n de H e i l i g e Geest den Doop het bad der w e d e r g e b o o r t e en de a f w a s s c h i n g der zonden?"' zoo vraagt nu de Catechismus in Vraag 73, die wij thans nog zullen overwegen.
Wij hebben den Doop, als wij zeggen, dat hij deze dingen niet zelf teweegbrengt, daarom niet te verachten. Hij is geene ceremonie zonder meer, zooals velen hem beschouwen, die Gods Woord verlaten en alleen door den Heiligen Geest willen bekeerd worden. Zij weten echter zelf, dat zij opwinding en menschelijke aandoening in de plaats van den Heiligen Geest stellen, en daarom verachten zij de heilige Sacramenten. Zoo doet o. m. vooral het zoogenaamde „Leger des heils". Maar als dezulken gelijk hadden, zou Christus den Heiligen Doop niet hebben ingezet.
De Heilige Geest noemt den Doop terecht het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden. „God spreekt a l z o o n i e t z o n d e r g r o o t e o o r z a a k . " Hij wil ons daarmee zoowel onderwijzen, als ons geloof door v e r z e k e r i n g bev e s t i g e n en sterken. Hij leert ons daarmee, dat „ g e l i jk de o n z u i v e r h e i d des l i c h a a m s door het water, a l z oo ook onze z o n d e n door het b l o e d en den Geest van J e s u s C h r i s t u s w e g g e n o m e n worden". Hier bedient Zich dus de Heere van het beeld der begieting of wassching, om ons inwendig te leeren. Hij zegt daarmede tot ons: Wascht gij niet uw lichaam, om uwe onreinigheid weg te nemen? alzóó wasch Ik uwe ziel, om uwe zonden weg te nemen. Zulke beelden en gelijkenissen gebruikt de Heere dikwijls. Zoo zegt Hij bij de gelijkenis van den zaaier (Matth. 13: 20): „Die in steenachtige plaatsen bezaaid is, i s degene, die het Woord hoort", enz.. Bij de instelling der B e s n i j d e n i s zegt de Heere: „Gij zult Mijn V e r b o n d houden" (Gen. 17: 9). Van het Paaschlam zegt Hij: „Dat is des Heeren Passah", d. i. Zijn voorbijgaan aan de kinderen Israëls (Ex. 12 : li'1). Johannes, in het Boek der Openbaring, ziet zijnen Heere en Zaligmaker, hebbende zeven sterren in Zijne rechterhand (Hoofdst. 1). Van deze heet het Vers 20'': „De zeven sterren z i j n de engelen der zeven Gemeenten"; en van de zeven kandelaren wordt gezegd: „Zij z i j n de zeven Gemeenten". Wij spreken niet anders. Wij zeggen van de afbeelding van eenen nabestaande: Dat is hij. Waarom zou de Heere, die Zich tot ons nederbuigt, om ons te leeren, dan anders spreken ? Zou het ons in den zin komen, dat het beeld de man zelf is of zal worden? Of zullen wij aan het beeld de kracht toeschrijven, welke den Heere alleen toekomt ? Dat ware afgoderij!
Maar als wij nu daarbij blijven, dat de Doop een beeld is, om ons te onderwijzen, dat onze zonden vergeven zjjn en wij in Christus eene wedergeboorte van God door Zijn Woord hebben, zoo hebben wij alle oorzaak, om God daarvoor dankbaar te zijn. In het gewone leven onzer Christelijke Gemeenten telt men dat wel is waar weinig. Men zegt: „Wij hebben het immers"; en men is er niet over bekommerd, dat vergeving der zonden en wedergeboorte voor ons menschen eene onmogelijke zaak is. Heeft iemand eenig vermogen, zoo zegt hij ook bij zichzelven: „Ik heb het immers"; maar hij bedenke, dat het hem van den Heere gegeven is, en hem ook in één oogwenk kan ontnomen worden; en hij bedenke ook, dat velen bekommerd zijn, hoe zij aan hun brood zullen komen. Wie in zijnen geest verslagen is, die weet alleen, dat hij zonden heeft, en kan het niet vatten, dat hij in den Heero Jesus vergeving en wedergeboorte heeft. Denzulke komt dan de lleere, Die hem redden wil, te gemoet met het b e e l d des Doops en o n d e r w i j s t hem aldus: Zijt gij niet in Mijnen Naam gedoopt en gewasschen ? — derhalve neemt Mijn Naam al uwe zonden weg.
Maar nog veel meer, dan ons l e e r e n , wil de lleere ons door dit Goddelijke pand en waarteeken v e r z e k e r e n , dat „wij zoo w a a r a c h t i g van o n z e z o n d e n g e e s t e l i jk g e w a s s c h e n z i j n , a l s wij u i t w e n d i g m e t h e t w a t er g e w a s s c h e n w o r d e n ".
De Doop is niet slechts een b e e l d , om ons te leeren, maar ook een w a a r t e e k e n en p a n d , waardoor ons de Heere van Zijne genade wil verzekeren. Een pand is gewoonlijk een tastbaar en zichtbaar voorwerp, dat ons in de hand gegeven wordt en dat wij mogen bezitten, om ons te verzekeren, dat eene belofte, die ons gegeven is, vervuld wordt. Zulk een pand is ook de Doop, aangezien hij ons verzekert, dat het bij God niet alleen zal geschieden, maar reeds nu waarheid is, dat de vergeving der zonden en de wedergeboorte door Christus' bloed en Geest ons toegeëigend wordt. Niet slechts g e l i j k wij, maar ook zóó w a a r a c h t i g wij uitwendig met water gewasschen zijn, zoo w a a r a c h t i g zijn wij van onze zonden geestelijk gewasschen. Zijn wij dus in de banden des duivels en des doods en gevoelen wij onze zonden, is bij ons alles afgesneden, - dat wij ons dan niet slechts door den Heere laten onderwijzen, maar bedenken, dat Hij ons in onzen Doop heeft verzekerd, dat wat voor ons eene onmogelijke zaak is, nochtans waar is3 dat wij namelijk vergeving onzer zonden hebben, en deel hebben aan de wedergeboorte. En zijn wij nog benauwd en overstelpt, zoo laat ons op g r o n d v a n o n z e n D o o p den N a a m des H e e r e n a a n r o e p e n , Hij zal ons zeker verhooren. (Ps. 116.)
Met het oog op die verzekering noemt Petrus den Doop eene vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jesus Christus (1 Petr. 3 : 21). Om deze verzekering wordt de Doop ook rechtstreeks genoemd het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden. Daar is een zeer nauw verband tusschen den Doop eenerzijds en de afwassching onzer zielen van onze zouden en de wedergeboorte anderzijds; de Doop verzekert ons, dat het "Woord, hetwelk ons deze weldaden toezegt, gewis is, en dat het bij God voor den oprecht geloovige alles reeds een feit is, waarvan hij hier nog niets ziet en gevoelt.
Maar wie is nu over zijne zonden bekommerd? Ach, zeer weinig menschen! Nu, voor die velen, die wel gedoopt zijn tot Christenen, maar van Christus niets willen weten, is de Heilige Doop eene gedurige bestraffing, dat zij niet zoo wandelen, als zij geroepen zijn, en dat het hun zal gaan als Farao, die meende, dat voor hem de weg door de Roode Zee ook bereid was, maar hij verdronk in de golven. Gewisselijk, als wij zorgeloos zijn, dan zal ons de Doop, die ons anders de getuigenis van onze behoudenis is, een watervloed zijn, waarin wij verdrinken. Dat wjj ons daarom laten waarschuwen, gelijk de Heere ons waarschuwt, en ons onderwerpen aan het Woord der waarheid, zoo zal onze Doop ons een zegel zijn, dat dit Woord ons behoudt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 augustus 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Vraag en Antwoord 71—73.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 augustus 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken