Bekijk het origineel

40. De slag bij Nieuwpoort (1600).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

40. De slag bij Nieuwpoort (1600).

III. Uit de geschiedenis van het Gemeenebest der Zeven Vereenigde Nederlanden.

9 minuten leestijd

Maurits' overwinningen, gevoegd bij het wantrouwen, waarmee elk aanbod van vrede in de Noordelijke Nederlanden werd ontvangen, brachten Filips tot het inzicht, dat het hemzelven nimmer gelukken zou de oorlogvoerende gewesten weder onder zijne heerschappij te brengen. Daarom zocht hij de zeven provinciën ten minste voor Rome te bewaren, en trachtte daarbij de gelegenheid tot hereeniging met Spanje open te houden. Met dit doel schonk hij de Nederlanden als bruidsgift aan zijne oudste dochter, I s a b e l l a , die in 1598 in het huwelijk trad met den Spaanschen landvoogd Albertus, aartshertog van Oostenrjjk, en verbond aan de schenking de voorwaarde, dat, zoo één der echtgenooten kinderloos kwam te overlijden, de Nederlanden weer aan Spanje zouden vervallen.
Nog in hetzelfde jaar, waarin de overdracht der Nederlanden plaats had, stierf Filips. Vreeselijk was zijn uiteinde: hij werd bij levenden lijve van de wormen gegeten, en wenschte nooit geboren te zijn. Terecht werd zijn lijden door onze vaderen beschouwd als eene vergelding voor de smarten, die hij duizenden onschuldigen onderdanen had aangedaan.
Ook na den dood van Filips II zett'en de vereenigde gewesten den oorlog voort. Wel had Frankrijk, dat met Engeland en de Nederlanden een drievoudig verbond had gesloten, zich van de bondgenooten afgescheiden, maar de Staten waren bereid desnoods alleen het geweld van Spanje te weerstaan. Van Spanje, — want het Spaansche leger in de Zuidelijke Nederlanden bleef, en Albertus was slechts in naam onafhankelijk.
Zeeland klaagde steen en been over de schade, die de handel leed door de rooverijen der Duinkerker kapers, en drong daarom aan op eenen veldtocht in Vlaanderen ter bemachtiging van het roofnest. Holland steunde dit voorstel. Maurits en zijn neef, de Friesche stadhouder Willem Lodewijk, keurden het echter beslist af, daar zij als der zake kundig begrepen in welk een gevaar zulk een tocht het geheele land zou brengen, en hoe weinig vrucht de onderneming, zoo men al slaagde, zou opleveren. Hun tegenstand mocht echter niet baten. De lieeren Staten meenden meer verstand van krijgszaken te hebben dan de beide Stadhouders. Holland — dat wil zeggen: Oldenbarnevelt — dreef de zaak door, en Maurits, als dienaar der Staten, liet zich zenden, luide beklaagd door het volk in de steden, die hij op zijnen weg naar het Zuiden doortrok.
Den 21sle" Juni 1600 scheepte Maurits zich te Rammekcns (op Walcheren) met 20 000 soldaten in. In Vlaanderen geland zijnde, begaf hij zich, vergezeld door de heercn Staten, die goed vonden hem tot in kleinigheden voor te schrijven, wat hij als veldheer had te doen, naar Ostende, eene stad, die destijds Staatsch was. Hier bleven de heeren vooreerst achter, terwijl Maurits verder trok en op Nieuwpoort aanrukte, dat op den weg naar Duinkerken lag en daarom eerst moest ingenomen.
Tot nu toe was de tocht zeer voorspoedig geweest, wat vooral te wijten was aan de omstandigheid, dat de troepen van Albertus wegens wanbetaling aan het muiten waren geslagen. Doch zie, op denzelfden dag, dat Maurits het beleg voor Nieuwpoort sloeg (1 Juli), werd hem bericht, dat Albertus uit het Noorden met een leger tegen hem oprukte. En inderdaad, het was zoo. De moedige en vastberaden Isabella had door persoonlijke toespraak de muitende soldaten tot gehoorzaamheid weten te bewegen, en zelfs het vuur der geestdrift in hen te ontsteken.
Nu was voor Maurits goede raad duur. Ten einde tijd te hebben, om zijn leger in slagorde te stellen, zendt hij E r n s t C a 8 i m i r v a n N a s s a u , eenen jongeren broeder van Willem Lodewijk, met eenige troepen naar de brug van Leffinghem, om er den vijand eenigen tijd op te houden. Graaf Ernst komt echter te laat, en moet weldra voor de overmacht wijken. Met achterlating van 800 dooden vlucht hij naar Ostende.
Albertus droeg op deze overwinning niet weinig roem. Aan Isabella schreef hij, dat hij de voorhoede van het Staatsche leger alvast vernietigd had! Toen het bericht van deze zege te Gent en te Brugge kwam, begon men er de klokken te luiden. En Isabella verwachtte stellig', dat Maurits straks als gevangene voor haar zou verschijnen. „Mij gelust te zien", zeide zij, „hoe zich die van Nassau stellen zal, als hij voor mij gebracht wordt!"
Het ware den Aartshertog niet moeilijk geweest, zijnen vijand, ook zonder noemenswaardig verlies, te gronde te richten, daar hij hem tusschen Nieuwpoort, de zee en de duinen had kunnen insluiten en van honger en dorst laten versmachten. Maar hetzij Albertus' eerzucht dit niet gedoogde, hetzij zijne soldaten hem tot een treffen dwongen, — hij nam dit middel niet te baat.
Zoo zag Maurits zijnen vijand dan weldra naderen. Ook hij had niet stil gezeten. Den ganschen nacht van 1 op 2 Juli had hij wakende doorgebracht en sinds het aanbreken van den dag gunde hij zich geene rust, om op alles orde te stellen. Het geschut had hij op planken gezet, om het inzinken in het duinzand te verhoeden. De schepen, die krijgs- en mondvoorraad hadden aangebracht, had hij weggezonden, om den bloodaards het vluchten te beletten. Ook zijnen jongeren broeder, den 16- jarigen Frederik Hendrik, had hij met de schepen willen wegzenden, opdat, zoo hij zelf mocht sneuvelen, de Nederlanden toch nog eenen telg van den Zwijger mochten overhouden, — maar tevergeefs, de moedige knaap had hem onder tranen gesmeekt, hem die schande niet te willen aandoen.
Als de slag zal aangaan, monstert Maurits zijne troepen, om hun voor het laatst een hartig woord toe te spreken en hunnen moed te verlevendigen. „Sterven, of overwinnen!" is zijn leus, „overwinnen, of de zee indrinken !" En die leus vindt weerklank in de harten en op de lippen zijner krijgers, die in zijn beleid het volste vertrouwen stellen.
Daar stooten de beide legers op elkander! Verwoed is de strijd. Beurtelings rukken de onzen vooruit en worden teruggedreven, en de vijand desgelijks. Men gunt elkander geenen voet gronds. Zie Maurits, te paard gezeten, — Frederik Hendrik naast hem, ook al op een strijdros, — het slagveld met zijnen scherpen adelaarsblik overziende, kalm, maar waakzaam. Zie hem, waar de zijnen worden teruggeworpen, de wijkenden verzamelen, hun moed inspreken en hen opnieuw in het vuur zenden, om hunne spitsbroeders bij te staan. Maar zie ook Albertus, — ongehelmd, om kenbaar te zijn, — vóór de gelederen heen en weèr dravende, om de zijnen aan te vuren. Is het wonder, dat, waar zóó aan weerszijden alle krachten worden ingespannen, de strijd langen tijd onbeslist blijft? "Vier uren is er reeds gestreden, de grond is reeds bezaaid met lijken, doorweekt mot bloed, en nog mag vriend noch vijand zich de zege toerekenen. Men is aan weerszijden afgemat, uitgeput, overspannen door eenen wanhopigen strijd, dien men toch niet kan opgeven. Men vecht met eene razernij, geboren uit de vrees van de nationale eer te zullen schenden, en door de tegenpartij tot den laatsten man toe te zullen worden geslacht, — want de Spanjaarden hadden zich voorgenomen niemand van de Staatschen te sparen, dan alleen Maurits en zijnen jeugdigen broeder, en wie zulke voornemens koestert, ducht van zijnen vijand hetzelfde Vreeselijk is de worsteling. De zon, die den Spanjaarden onbluschbaar vuur in de oogen werpt, strijdt meê! J a ook de wind, die hun den kruitdamp in het aangezicht blaast, neemt deel aan den slag!
Daar tracht de vijand, die zijne ruiters bijna alle reeds verloren heeft, door eenen algemeenen aanval den strijd in zijn voordeel te beslissen en dringt de onzen tot in de zee. Nog eenige oogenblikken, en hij is meester van ons geschut. Maar Maurits, wien niets ontgaat, doet fluks 3 vendelen ruiters, die opzettelijk tot nu toe buiten het gevecht zijn gehouden, aanrukken en den vijand terugdrijven, waarop hij eenen algemeenen aanval van voetvolk en ruiterij beveelt en aan het hoofd der zijnen zich op den tot staan gebrachten vijand werpt, die aan dezen aanval geenen weerstand kan bieden. „Victorie! victorie!" roepen de onzen, en de vijand slaat in wanorde op de vlucht, achtervolgd tot in den nacht.
De Heere is een Krijgsman, Heere is Zijn Naam! En bij Hem zijn uitkomsten tegen den dood! Zijns was de overwinning. Dat beleed ook Prins Maurits, die, van zijn paard gesprongen, zich in zand wierp en met luider stemme aldus zijnen God dankte: „O Heere, wat zijn wij, arme, zondige menschen, dat Gij ons heden, tot eer en glorie van Uwen Naam, zoodanig geluk mededeelt; U zij de roem en dank tot in eeuwigheid!" Door de duisternis werd hij verhinderd zijne verstrooide soldaten te verzamelen en eene algemeene dankzegging te doen houden. Den volgenden dag geschiedde dit echter te Ostende bij monde van den predikant Uytenbogaart.
Wel glansrijk was deze zege ! De vijand telde 2500, volgens sommigen wel 5000 dooden. De onzen leden een verlies van 2000 man en namen omstreeks 700 man gevangen, (voor het grootste gedeelte officieren), waaronder ook de amirant (d. i. veldheer) M e n d o z a zich bevond, en maakten 105 vaandels en al het vijandelijk geschut buit.
De heeren Staten hadden het land aan eenen zijden draad gehangen, — God had het gered! Daarom waren de Nederlanders vroolijk met verschrikking, en namen het den Staten zeer kwalijk, dat zij zoo roekeloos alles op het spel hadden gezet. En wat Maurits betreft, hij gaf het Oldenbarnevelt met ronde woorden te kennen, dat hij en het geheele volk door zijn drijven aan den rand des verderfs hadden gezweefd. Van het jaar 1600 dagteekent dan ook eene verwijdering tusschen beide mannen, die nimmer voor toenadering heeft plaats gemaakt. En de oorzaak daarvan schijnt te zijn, dat Maurits zich overtuigd hield, dat Oldenbarnevelt met eenen duivelschen toeleg den veldtocht had doorgedreven: opdat namelijk het Staatsolie leger zou geslagen en dientengevolge de vrede, waarbij hij persoonlijk belang had, onvermijdelijk worden. In verband daarmee wordt door sommige geschiedschrijvers medegedeeld, dat toen Oldenbarnevelt den Stadhouder na den slag begroette, deze tot hem zeide: „ Ja, oude schalk, gij hadt ons verkocht, maar God heeft u 't leveren belet!"
Wat eindelijk de vruchten der onderneming betreft, zoo werden de waarschuwingen van Maurits en Willem Lodewijk naar waarheid bevonden. Wel sloeg Maurits opnieuw het beleg voor Nieuwpoort, maar toen Albertus in korten tijd weèr een leger verzameld had, vond hij het geraden, het beleg op te breken en naar Holland terug te keeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

40. De slag bij Nieuwpoort (1600).

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken