Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 74.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 74.

22 minuten leestijd

De Heilige Doop is een pand en zegel van Gods trouw en barmhartigheid in Christus Jesus, waardoor Hij ons tot deelgenooten van Zijn Verbond verklaart, en ons verzekert, dat Hij ons wascht van al onze zonden, met ons zijn wil, en ons zalig maakt. Gelijk bij den ondertrouw de bruidegom zich verlooft met de bruid en haar trouw belooft tot in den dood, alzoo belooft de Heere Zijne trouw aan Zijn volk, en wel tot in alle eeuwigheid, gelijk Hij zegt: „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid" (Hos. 2 : 1 8 ) . Bij den ondertrouw geven bruidegom en bruid elkander geschenken tot pand van deze trouw, bijv. eenen trouwring; alzoo geeft de Heere in den Doop ook een pand van Zijne trouw en van Zijn Verbond. Daarom wordt de Doop van ouds her voorgesteld als een ondertrouw.
Houden wij dit in het oog, wanneer wij thans over den Doop van de kinderen der geloovigen spreken. Dikwijls is deze miskend geworden. Er zijn van ouds her sekten geweest, die hem afkeurden ; velen onder ons gebruiken hem zonder verstand, maar uit gewoonte. Daarom is het onderricht aangaande zijne noodzakelijkheid en beteekenis van groot belang.
De Catechismus stelt met betrekking tot den Kinderdoop de Vraag: „Zal men o o k de j o n g e k i n d e r e n d o o p e n ? '' (Vr. 74), en laat daarop als Antwoord volgen: „ J a ; w a nt m i t s d i e n z i j , z o o w e l a l s de v o l w a s s e n e n , in h et V e r b o n d G o d s en Z i j n e G e m e e n t e b e g r e p e n z i j n, e n d a t h u n d o o r C h r i s t u s ' b l o e d de v e r l o s s i n g van d e z o n d e n , en de H e i l i g e G e e s t , Die h e t g e l o of w e r k t , n i e t m i n d e r d a n d e n v o l w a s s e n e n t o e g e - z e g d w o r d t , zoo m o e t e n z i j o o k d o o r den D o o p, a l s d o o r h e t t e e k e n d e s V e r b o n d s , in d e C h r i s t e - l i j k e K e r k i n g e l i j f d , en van de k i n d e r e n der o n g e l o o v i g e n o n d e r s c h e i d e n w o r d e n , g e l i j k in h e t O u d e V e r b o n d of T e s t a m e n t d o o r de B e s n i j - d e n i s g e s c h i e d i s , v o o r w e l k e in h e t N i e u w e Verb o n d de D o o p i n g e z e t is".
Dit Antwoord overwegende, staan wij stil bij deze twee punten: ten eerste, w a a r o m de kinderen der geloovigen moeten gedoopt worden; ten andere, w a t de zegen van den Kinderdoop is.
W a a r o m m o e t e n de k i n d e r e n der g e l o o v i g en g e d o o p t w o r d e n ? Zoo mogen wij billijk vragen, hoewel de Catechismus alleen vraagt: „Zal men ook de jonge kinderen doopen?" In het Antwoord staat immers: „Zoo m o e t e n zij ook door den Doop als door het teeken des Verbonds in de Christelijke Kerk ingelijfd worden".
Dat Antwoord begint alzoo: „ J a " , — men zal de jonge kinderen doopen, — „ w a n t " , — en nu volgt de reden waarom : „ m i t s d i e n zij z o o w e l a l s de v o l w a s s e n e n in h e t V e r b o n d G o d s b e g r e p e n z i j n".....
H e t V e r b o n d G o d s is het genadeverbond of de belofte Zijner genade, waarmee Hij Zich jegens Zijn uitverkoren volk verbindt, dat Hij hen van den dood zal verlossen en hun leven geven; dat Hij hunner zonden niet gedenken, maar hun gerechtigheid geven zal, hoewel Hij alle oorzaak heeft, ons te straffen met tijdelijke ellende en den eeuwigen dood; met één woord: dat Hij met ons vrede maakt en belooft, onze God te zijn. In dit Verbond zijn ook onze kinderen begrepen. Wij zien dit uit de profetie van Jes. 59: 20: „Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen", nml. die zich tot den Heere van hunne afgoderijen, de ongerechtigheden in Jakob, bekeeren, „zegt de Heere: Mijn Geest, Die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van u w z a a d , noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe". Heeft de Heere hun, die zich tot Hem bekeeren, beloofd Zijne woorden en Zijnen Geest in den mond to leggen, opdat zij Hem loven, zoo heeft Hij dit ook aan hunne kinderen en kindskinderen beloofd; niet alleen aan degenen, die door hun woord tot bekeering komen, maar ook aan hen, die van hen geboren zijn. Want zóó alleen konden de Israëlieten oudtijds dezen tekst verstaan. Daarom zegt Petrus op het Pinksterfeest (Hand. 2 : 30): „Want u komt de belofte toe en uwen kinderen". — Zijn dus de kinderen begrepen in het Verbond Gods, dan zijn zij ook i n Z i j n e G e m e e n te b e g r e p e n . Want deze bestaat immers uit de verbondsgenooten, en zij noemt zich naar 's Heeren Naam. Gelijk de Ileere h a a r God is, zoo is Ilij ook de God v a n h a r e k i n d e r e n. Want zij heet de Gemeente des levenden Gods.
Daarom wordt den k i n d e r e n der g e l o o v i g e n niet m i n d e r dan den v o l w a s s e n e n door C h r i s t u s ' bloed de v e r l o s s i n g van do z o n d e n en de H e i l i g e G e e s t, D i e het g e l o o f w e r k t , t o e g e z e g d.
De verlossing van de zonden is het werk van Christus; Hij heeft ze tot stand gebracht door Zijn eigen bloed. Zij wordt ons gepredikt door liet Woord des Heeren. Heeft de Heere nu de ouders verlost van hunne zonden, en hun den Heiligen Geest gegeven, waarom zou Hij de kinderen verzuimen, die Hij hun gegeven heeft? Immers wil de Heere Zich een volk, een geslacht bereiden, dat Hem eeren en Hem loven zal, hetwelk Hij noemt: het zout der aarde en het licht der wereld. En zouden Zijne woorden en Zijn Geest telkens weder ophouden, hoe zou Hij dan Zijnen Christus uit het zaad van David hebben kunnen verwekken?
Insgelijks houdt de belofte na Christus niet op, maar zij bljjft des t,e meer, opdat de zegen Abrahams op alle volkeren zou komen en zij in het zaad van dezen aartsvader gezegend zouden worden door Zijne woorden en Zijnen Geest. Bovendien zou het voor de geloovige ouders eene gestadige onzekerheid en zorg zijn, wanneer de Heere niet voor hunne kinderen het Woord van Christus en Zijnen Heiligen Geest beloofd had; zij zouden geenen grond hebben, om den Heere voor hunne kinderen te bidden om liuune bekeering; want waar wij geene belofte voor hebben, daar kunnen wij ook niet om bidden. En in zichzelven hebben zij geenen pleitgrond, zij moeten zich beschuldigen, dat zij steeds tot alle boosheid geneigd zijn en tegen alle geboden Gods zondigen. Maar Gode zij dank, in de reeds aangehaalde plaatsen hebben wij voor onze kinderen en kindskinderen eene vaste belofte, dat 's Heeren woorden en Zijn Geest van onze kinderen, noch van onze kindskinderen wijken zal tot in eeuwigheid toe. En die woorden spreken van Christus, want Yers 19b en 20 van hetzelfde 59sle Hoofdstuk heet het: „Als de vijand zal komen, gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten", d. i. den Naam Jesus, die het veld- en overwinningsteeken is; tegen dezen kunnen de duivel en onze zonden niets uitrichten. „En er zal een Verlosser tot Zion komen." Dus de Ileere met Zijn bloed is onze Verlosser, en Hij zal alle vijanden verslaan. Zijn nu te Zion maar oude, bejaarde Christenen, en geene kinderen, die niet weten van hunne linker- en rechterhand ? En hebben de ouden alleen den Verlosser noodig, omdat zij niets vermogen tegen den vijand, en niet vooral de weerlooze, zwakke kinderkens? Derhalve voorziet de Heere niet alleen in de behoefte der volwassenen, maar ook in die der kleine kinderen, gelijk Hij Zelf een Kind geworden is.
Is de Heere Christus met de verlossing, die door Zijn bloed geschiedt, hun toegezegd, dan is het ook de Heilige Geest, Die het geloof werkt. Want wij weten, dat de woorden des Heeren ons door den Heiligen Geest gegeven zijn; daarom werkt Hij het ook, dat zij uitrichten, waartoe Hij ze gezonden heeft. Hij werkt het geloof. Wanneer dat geschiedt, is ons verborgen; wanneer Hij het bij de volwassenen in de harten zaait, kunnen wij niet waarnemen, wij kunnen het alleen in de gevolgen zien; waarom zullen wij dan loochenen, dat Hij het ook in de kinderen zaait? En zeggen wij: „Ja, maar zij hebben nog geen verstand!" dan mag wederom gevraagd: Wat doet ons verstand daartoe ? — slechts zooveel, dat wij kunnen kennis nemen van het Evangelie, en hiertoe is zeer weinig verstand noodig, aangezien God het den wijzen verborgen, maar den kinderkens geopenbaard heeft. Overigens wederstaat het verstand den Heiligen Geest, werpt twijfelingen op, en is in den dienst van onzen boozen wil, die gedurig de wegen des Heeren afkeurt; moet het niet door Gods Geest als het ware overgebogen worden? Bij het kind is de wederstand van het verstand, natuurlijk gesproken, veel geringer, omdat het zwakker is. Daarom nam de Heere Jesus het Zijnen discipelen zeer kwalijk, toen zij degenen, die kinderkens tot Hem brachten, opdat Hij ze aanraken zou, bestraften, en zeide tot hen: „Laat de kinderkens tot Mij k o m e n en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods. Voorwaar Ik zeg u: zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan" (Mark. 10 : 13 —16). Hiermee geeft de Heere te kennen, dat wij volwassenen altijd kinderkens moeten zijn, en onze wijsheid moeten buigen onder de stem des Heiligen Geestes. Maar aangaande de kinderen wijst de Heere Zijne discipelen op Zijne ontferming, welke Hij door hun doen verhinderd zou worden te bewijzen, en Hij nam dit zeer kwalijk. Niets vertoornt den Ileere meer, dan dat den kinderkens een aanstoot in den weg gelegd wordt, waardoor zij van Christus afgehouden worden. En Hij zegende hen, die tot Hem gebracht werden, en bewees, dat Hij met Zijne genade en Geest ook voor hen gekomen is. Daarom noemt de Apostel de kinderen der geloovigen heilig (1 Cor. 7 : 14), evenals hij de Gemeenten aanspreekt met den naam „heiligen en geliefden". En ons Doopsformulier legt den ouders eerst de vraag voor: of zij gelooven, dat hunne kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom behooren gedoopt te wezen.
De Catechismus gaat aldus voort: „zoo moeten z i j ook door den Doop, als het t e e k e n des V e r b o n d s , in de C h r i s t e l i j k e K e r k i n g e l i j f d worden".
Hebben de kleine kinderen deel aan de Verbondsbelofte, waarom hun dan het teeken en zegel derzelve geweigerd? De Doop is een zichtbaar waarteeken voor de onzichtbare genade. Indien wij geen ander kenmerk bij de kinderen kunnen zien, dan is dit waarteeken des te noodiger, opdat eerst de ouders in hun geloof verzekerd worden, dat die genade op hunne kinderen rust. Zonde zien zij aan hun kind, dikwijls is het spoedig eene prooi des doods; wat blijft hun dan over, dan alleen de toezegging Gods? Daarom moeten hunne kinderen der Christelijke Kerk door den Doop ingelijfd worden. Want deze is de zichtbare, geschapene gemeenschap der heiligen; zijn de kinderen heilig, zoo behooren zij er ook bij; en daarin wordt de gemeenschap des Heiligen Geestes openbaar, dat de volwassenen evenals de kleine kinderen in een kinderlijk geloof leven.
De Doop als zegel des Yerbonds is dus te gelijk het zegel der i n l i j v i n g in de Kerk. Die inlijving geschiedt eigenlijk door de belofte Gods, maar de Doop is daarvan de uitwendige handeling of openlijke verklaring, waardoor men van de afgoderij der Heidenen afgesneden wordt. Dit heeft in de eerste tijden groot bezwaar gehad; sommigen werden deswege bespot, anderen gehaat en vervolgd. Ook nu nog is een Jood, wanneer hij zich laat doopen, soms niet zeker van zijn leven. Thans is de Doop nog algemeen onder ons in gebruik, maar er kan spoedig een tijd komen, dat men ook weder bespot en gesmaad zal worden, wanneer men zijn kind laat doopen. Hoe geraakt reeds de bevestiging van het huwelijk in onbruik. Wie weet, hoe kort het nog duurt, dat het met den Doop ook zoo gaat. 1)
De kinderen der geloovigen m o e t e n door den Doop van d i e der o n g e l o o v i g e n o n d e r s c h e i d e n worden. Zij zijn het zaad der Kerk; het moet kenbaar gemaakt worden, dat de belofte van Christus op hen rust. Zij mogen niet beschouwd worden als kinderen der ongeloovigen en Heidenen. Gaat gij over uit den dienst des Satans tot God, zoo ontvangt gij een nieuw burgerrecht, het hemelsche; dan moet gij liet rijk der wereld en des duivels vaarwelzeggen; dit geldt ook voor uwe kinderen; want zij gaan met u over in het nieuwe burgerrecht. De Doop nu is een bewijs en oorkonde, dat uwe overplaatsing ook voor hen geldig is. Laat gij echter uwe kinderen niet doopen, dan twijfelt gij aan uw eigen hemelsch burgerrecht; en wilt gij hen eerst laten doopen, als zij volwassen zijn, zoo vervalscht gij uwe oorkonde, waarin staat: „U en uwen kinderen komt de belofte toe".
De Catechismus besluit het Antwoord met eene verwijzing naar de B e s n i j d e n i s : „ g e l i j k i n h e t O u d e V e r b o n d of T e s t a m e n t door de B e s n i j d e n i s g e s c h i e d is, voor w e l k e in het N i e u w e V e r b o n d de D o o p i n g e z e t is".
De woorden „Oude Verbond of Testament" en „Nieuw Verbond" zijn hier genomen in de beteekenis van oude bedeeling en nieuwe bedeeling; niet in de beteekenis, zooals zij in de Schrift voorkomen, t. w. die van werkverbond en genadeverbond, want Abraham had niets, waardoor hij zich Gode kon aangenaam maken. Nochtans wilde God zijn God zijn. Insgelijks hadden zijn huis en zijne knechten niets, maar God wilde ook hun God zijn en bewees het aan Abrahams huisbezorger, die voor Izak eene vrouw ging- halen. Want Hij verhoorde zijn gebed. (Gen. 24.) Van dit Verbond gaf de Heere tot teeken de Besnijdenis, het aftrekken der voorhuid van het vleesch, waarmee gezegd was, dat zij allen in hunne eigene levenskracht niet deugden, maar dat God hunne levenskracht was. In de plaats daarvan is de Doop ingezet. Het water, waarmee wij gewasschen worden of 'twelk op het hoofd gesprengd wordt, beteekent, dat wij gansch en al onrein, melaatsch zijn; kinderen des doods, als het ware op het vlakke des velds geworpen, inwendig doemschuldig, ten verderve bestemd; onwaardig en onbekwaam, om in het Koninkrijk Gods in te gaan. Jlaar daar de Doop met het Woord der belofte verbonden is, zoo wordt het een waarteeken en pand, dat God Zich in Christus over ons ontfermt, ons wascht van alle zonden en onze God wil zijn in leven en sterven. De Doop beteekent dus hetzelfde als de Besnijdenis. De Besnijdenis nu werd voltrokken aan het geheele huis van Abraham, hoewel alleen van het geloof des aartsvaders gesproken is; en verder aan al zijne nakomelingen, wanneer zij acht dagen oud waren.
Heeft de Heere dit bevolen, zoo wil Hij ook, dat de kleine kinderen der geloovigen gedoopt worden. En dit is de beteekenis van dezen wil: dat de belofte Gods, waaronder zij geboren zijn, a a n h u n n e l i c h a m e n v e r z e g e l d worde, gelijk de Heere Gen. 17 zegt: Mijn verbond zal aan uw vleesch zijn. Zoo blijkt genoegzaam, dat de noodzakelijkheid van den Kinderdoop haren goeden grond heeft in de Heilige Schrift. Wij lezen trouwens, dat Lydia met haar huis, Cornelius met allen, die met hem waren, de stokbewaarder te Eilippi met zijn huis zich lieten doopen, hoewel alleen van het geloof van de hoofden der gezinnen gesproken wordt.
Wij hebben hier nog op een bezwaar te antwoorden. Wij spreken van de kinderen der geloovigen. Zijn zij allen geloovig, die met hunne kinderen tot den Doop komen ? Het valt niet te ontkennen, dat dit niet alzoo is. Daarom is het noodig, de ouders, als zij den doop hunner kinderen aanvragen, te onderrichten omtrent hetgeen zij begeeren, en zoo hun wandel niet is, zooals hij behoort te zijn, hun dat onder het oog to brengen, opdat zij het Sacrament des Ileeren niet schenden, maar met een waarachtig berouw den Heere vragen: „Wasch ons en onze kinderen van onze ongerechtigheid". Overigens zijn wij geene kenners der harten en moeten afgaan op de openlijke belijdenis der ouders, gesteld in de tweede vraag, die de Kerk in het Formulier tot hen richt.
Laat ons nu nog kortelijk spreken over den zegen van den K i n d e r d o o p.
Deze zegen is vooreerst hierin gelegen, dat de Kinderdoop een zegel en verzekering is van Gods genade in Christus. Die genade bewijst zich ten eerste daarin, dat de Ileere, eer de kinderen geboren zijn, hen u i t v e r k o r e n heeft in Christus Jesus, om tot Zijn volk te behooren. Vraagt gij, ouders, of uwe kinderen uitverkoren zijn, — zoekt het niet in kenmerken, want gij kunt ze bij dien leeftijd niet vinden, of zij zjjn bedrieglijk; maar lioudt u aan Gods Verbond en belofte, die ook aan uwe kinderen verzegeld zijn. En zoo gij, kinderen en volwassenen, eens in uwe harten bekommerd zijt en in 't geheel geenen troost vindt, maar vraagt: „Ben ik uitverkoren?" zoo moogt gij eerst op uwen Doop zien, waarin Gods drieeenige Naam u als het ware op het voorhoofd gedrukt is; en gij moogt vrijmoedig zeggen: „Ik ben des Heeren". Meer hebt gij niet noodig. Christus is ook opgeschreven als de Eerste in het boek des levens; en zoo gij in Hem schuilt en zegt: „Ik ben Zijn eigen, niet mijn", zoo zal u ook antwoord gegeven worden op uwe vraag.
De tweede zegen is, dat de Heere Zijne verbondsbelofte waar maakt, en u z o o w e l u i t w e n d i g als i n w e n d ig r o e p t , om van uwen wandel in de zonde u tot den Heere te bekeeren. Hij verhoort hiermee* het gebed der Gemeente en der ouders. Daarom wil Hij, dat de ouders hunne kinderen in het Verbond Gods nader onderwijzen en laten onderrichten. En de Heere zal met hen zijn, als zij dat doen; maar weigeren zij het, zoo zal Gods toorn op hen rusten, en Hij zal het bloed hunner kinderen van hen eischen. De kinderen en jongelieden moeten steeds aan hunnen Doop herinnerd worden, vooral als zij niet gaarne zich in Gods Woord laten onderwijzen, maar liever hunnen eigen zin doen; want dan verbeuren zij den zegen van hunnen Doop.
De Heere wil echter niet slechts uitwendig, maar ook inwendig roepen, doordat Hij Zijn Woord in onze harten zaait. Eerst leeren wij ons dan kennen als zondaren, als verdoemelijk, en groote benauwdheid en smarten grijpen ons aan; maar dan is ons de Doop gegeven, om als belofte ons tot eenen pleitgrond te dienen, wanneer wij tot God smeeken om genade; dat wij mogen zeggen: „Heere, Gij hebt ze mij beloofd, ik heb ze niet, ontferm U mijner". Dan houden wij Hem onzen trouwring voor, dien Hij ons heeft gegeven, en Hij kent hem en verhoort ons. Wel belijden wij daarbij, dat wij Hem lang veracht en verloochend hebben, zeggende: „Ik wil niets van dien God weten, Die mij dezen ring gegeven heeft", maar God zal ons dit niet meer toerekenen, maar Zich onzer ontfermen.
De derde zegen is, dat de Heere hen, die Hij krachtdadig geroepen heeft, ook r e c h t v a a r d i g t . Hij verhoort hun gebed en schenkt hun de gerechtigheid van Christus in vergeving hunner zonden. In den Doop hebben zij daarvan een zeker pand en zegel. Daarvan zijn de kinderen niet uitgesloten, want de Heere kan hen reeds in hunne prille jeugd roepen, hun dus ook de vergeving der zonden schenken. En zooals wij gerechtvaardigd worden, zoo worden wjj ook verheerlijkt en heilig gemaakt. Kennen en gevoelen wij de macht onzer zonden in ons, zoo weten wij ook, dat w i j ze niet kunnen overwinnen of onderdrukken. Wij moeten Christus hebben. Zijne genade en Zijnen Geest. Dikwijls meenen wij, dat de Heere ons verlaten heeft; maar dan mogen wij op onzen Doop zien, en wij weten, dat in Christus onze oude mensch gekruisigd en gedood is, en dat wij in Hem een nieuwe mensch zijn, opgewekt van de dooden en levende in goede werken, die Hij voor ons bereid heeft. Dit komt voorwaar ook den kinderen ten goede.
Eindelijk is de Doop ook een pand onzer z a l i g e verl o s s i n g ; gelijk wij bidden in het Doopgebed: „Dat zij dit leven om Uwentwil getroost mogen verlaten, en ten laatsten dage voor den Rechterstoel van Christus, Uwen Zoon, zonder verschrikking mogen verschijnen". En in het Dankgebed: „Dat zij vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen mogen, om U en Uwen Zoon Jesus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen. Amen".


1) "Wij hebben alle oorzaak, voor deze verachting van den Heiligen Doop te waarschuwen, daar zelfs velen in de Kerk het niet noodig achten, zich te laten doopen, wanneer zij in hunne jeugd niet gedoopt zijn; men meent, dat de belijdenis des geloofs een veel beter getuigenis zou zijn, dat men tot de Gemeente toetreedt. Maar wee hun, die wijzer willen zijn dan de Heere Christus, en die het Sacrament, door Hemzelven ingesteld, verzaken! Dit bewijst, dat men geenen God kent, Die tegenover ons ataat, en ons eenerzijds tot verantwoording roept, anderzijds in Christus ons Zijne genade toezegt; dat men zijne eigene zonde niet kent, en geene behoefte heeft, om van zijne gruwelijke ongerechtigheid door het bloed van Christus gewasschen te worden. "Wee den herders, die de kudde vleien en haar niet tot Christus leiden; die verklaren: het is niet noodig, dat gij een zeker pand van het Verbond Gods aan uw vleesch hebt; uwe geloofsbelijdenis en uwe belofte is veel beter! Welken troost heeft dan de arme zondaar, die zijne geloofsbelijdenis en belofte gebroken heeft?
2) Vergel. hetgeen over Vr. 68 gezegd is. (N . 33, blz. 249 vv.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Vraag en Antwoord 74.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken