Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 75.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 75.

18 minuten leestijd

Op de leer des Heiligen Doops volgt in den Catechismus die van het Heilig Avondmaal, welke wij thans zullen verklaren.
Evenals bij den Heiligen Doop begint de Catechismus met ons te wijzen op den grond onzer zaligheid, de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht. Wij merken alleen dit onderscheid op, dat terwijl in Vraag 69 gezegd wordt, hoe wij in den Heiligen Doop vermaand en verzekerd worden, dat deze offerande ons ten goede komt, ons in Vraag 75 geleerd wordt, d a t wij d a a r a a n en a a n al h e t g o e d van C h r i s t u s g e m e e n s c h a p h e b b e n.
De Doop is het Sacrament en de verzekering, dat wij in Christus ingelijfd zijn en dus gewasschen, gerechtvaardigd en geheiligd door den Naam van Jesus Christus en den Geest onzes Gods. Het Heilig Avondmaal echter verzekert ons, dat wij, ingelijfd zijnde, niettegenstaande de zonde, die ons nog altijd aankleeft, ook gedurig deel hebben aan Christus en aan al Zijne goederen en weldaden. Deze verzekering hebben wij noodig. Want elke zonde, die wij doen, verstoort onze juiste verhouding tot God en het Verbond Gods, en maakt ons der verdoemenis schuldig. Daarom moet de ware geloovige telkens opnieuw vergeving der zonden hebben en verzekerd worden, dat Gods genade hem verblijft en dat Christus hem niet afsnijdt van Zijn lichaam als een onnut, onvruchtbaar, ja weerspannig en schadelijk lidmaat; zoo hij zich maar aan het Woord en Verbond Zijner genade, hem eens gegeven, houdt.
Bovendien lijden allen, die Christus door een waar geloof ingelijfd zijn, allerlei nood, inwendige en uitwendige aanvechting en vijandschap van den duivel en van allen, die het Evangelie van Christus haten. Denken wij slechts aan de discipelen des Heeren, die bijna tot wanhoop vervielen, toen de Ileere Jesus van hen genomen en gekruisigd werd. Toen hadden zij echter in het Heilig Avondmaal de verzekering, dat Christus voor h e n Zich ten offer gaf. Deze verzekering konden zij zich wel is waar niet verklaren; evenwel was zij er; en zij liepen niet over tot hunne vijanden. Alzoo versterkt het Heilig Avondmaal degenen, die lijden; het is voor hen eene spijs en lafenis.
Gelijk bij den Heiligen Doop, zoo hebben wij nu bij het Heilig Avondmaal twee onderscheidene dingen in 't oog te houden, die echter bij elkander behooren, en eene uitwendige, zeer gewone handeling tot een Sacrament maken. Deze zijn: het b e v e l des Heeren Jesus, om het Avondmaal te houden, en Zijne b e l o f t e , die Hij daarbij gegeven heeft.
Laat ons eerst deze twee stukken in 't bijzonder nagaan, en vervolgens in de derde plaats onderzoeken, hoe de Ileere Jesus ons daardoor verzekert, dat wij aan Zijne offerande, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed g e m e e n s c h a p hebben.
Wij letten dus eerst op het b e v e l v a n C h r i s t u s , om h e t H e i l i g A v o n d m a a l te h o u d e n.
„ C h r i s t u s h e e f t " , zegt de Catechismus, „mij e n a l l en g e l o o v i g e n b e v o l e n t o t Z i j n e g e d a c h t e n i s v a n d it g e b r o k e n b r o o d te e t e n en v a n d e z e n d r i n k b e k er t e d r i n k e n ."
Het was op den laatsten avond vóór Zijn lijden aan het kruis, dat Christus nog eens met Zijne discipelen bijeen was en met hen, met een sterk verlangen daarnaar, het Paaschlam at, hetwelk een Sacrament der oude bedeeling was, dat Israël wees op Christus, als het Lam Gods, geslacht voor de zonden des volks. Toen nam Hij onder het eten brood, zeide dank, brak het en deelde het onder Zijne discipelen, zeggende: „ N e e m t , e e t , d a t is M i j n l i c h a a m , h e t w e l k voor u g e g e v e n (of g e b r o k e n ) w o r d t ; d o e t d a t tot M i j n e g e d a c h t e n i s ' . Desgelijks, na het eten, nam Hij den drinkbeker, zeide dank en sprak: „ D r i n k t a l l e n d a a r - u i t ; d e z e d r i n k b e k e r is het n i e u w e T e s t a m e nt n Mijn b l o e d , h e t w e l k voor u v e r g o t e n w o r dt t o t v e r g e v i n g der z o n d e n " (Matth. 26).
De Ileere Jesus maakte hiermede eene handeling, die wij dagelijks verrichten, tot Sacrament, nml.: het eten van brood, en het drinken van den drinkbeker. Hij beveelt ons dat te doen, niet zoozeer om het lichaam te verzadigen, maar als eene godsdienstige en zinnebeeldige handeling, als inzetting. Deze inzetting ligt daarin, dat Hij het vóór Hem liggende brood en den gevulden drinkbeker nam en beval, dat de discipelen van het brood nemen en eten, en uit den drinkbeker allen drinken zouden. Verder zegt Hij, dat zij dat zouden doen tot Zijne gedachtenis; d. i. dat zij Zijner gedachtig zouden zijn en Hem niet vergeten in hunne aanvechting en nood; dat zou tot vers t e r k i n g van hun geloof dienen; ook wilde Hij, dat zij Hem daarmede zouden d a n k z e g g e n voor het groote heil, hetwelk Hij voor hen aangebracht zou hebben; en eindelijk, dat zij ook o n d e r e l k a n d e r de g e m e e n s c h a p zouden onderhouden, e l k a n d e r l i e f h e b b e n , gelijk Hij hen liefheeft en met Zich tot één lichaam vereenigt. Met het oog daarop heet het Heilig Avondmaal: a) de g e d a c h t e n i s v a n h e t l i j d e n en s t e r v e n van C h r i s t u s , waarop doelt het breken des broods; want in Zijn lijden en sterven werd Zijn lichaam gebroken en Zijn bloed vergoten; b) de d a n k z e g g i n g (Grieksch : Eucharistie), overeenkomstig het gebruik om den drinkbeker des Avondmaals dien der dankzegging te noemen; c) de comm u n i e of het o n d e r h o u d e n d e r g e m e e n s c h a p.
De Heere Jesus heeft nu niet alleen aan de discipelen, maar, gelijk de Catechismus zegt, ook aan mij en aan alle geloovigen bevolen, Zijne inzetting van het Heilig Avondmaal te onderhouden; anders had Hij niet gezegd: „Drinkt a l l en daaruit". En dat dit niet de discipelen in hun bijzonder ambt geldt, als Apostelen en verkondigers van het Evangelie, blijkt hieruit, dat alle geloovigen immers deel hebben aan de offerande van Christus; anders zou het Evangelie den leeken ook niet ten goede komen, en het doel des Heeren, om al Zijn volk zalig te maken van hunne zonden, zou verijdeld worden. Daarom heeft de eerste Gemeente het Heilig Avondmaal als Gemeente vlijtig onderhouden, wat de Heilige Geest prijst, waar Hij door Lukas schrijft (Iland. 2 : 42): „En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de b r e k i n g des b r o o d s , en in de gebeden". Met de woorden „in de breking des broods" wordt bedoeld: in de bediening van het Heilig Avondmaal.
Derhalve, indien wij in den Heere Jesus geloovig zijn, in Hem onzen Zaligmaker zien, zijn wij ook schuldig, Zijn bevel op te volgen, en ons door geene bedenkingen daarvan terug te laten houden. „Aan mij en aan alle geloovigen" heeft de Heere het bevolen. Zullen wij ons aan Zijn bevel onttrekken? i s Hij niet onze Medicijnmeester? Neemt een geneesheer het niet terecht zeer kwalijk, wanneer hij aan eenen zieke voorgeschreven heeft, wat tot zijne genezing dient, en deze zijn voorschrift niet opvolgt ? Alzoo vertoornen wij den Heere Jesus, als wij weten, welke zondaren wij zijn, en dat wij alleen door Hem gered kunnen worden, maar evenwel van Zijn Heilig Avondmaal geen gebruik maken.
Laat ons verder zien, w a t de H e e r e J e s u s b i j en in h e t b e v e l , om h e t H e i l i g A v o n d m a a l t o t Z i j n e ged a c h t e n i s te h o u d e n , ons b e l o o f d h e e f t.
Die belofte ligt in de woorden: „Dat is M i j n l i c h a a m, d a t v o o r u g e g e v e n (of g e b r o k e n ) w o r d t " ; en: „ d at i s M i j n b l o e d " of „het n i e u we T e s t a me n t i n M i j n b l o e d , d a t v o o r u en v o o r v e l e n v e r g o t e n w o r dt t o t v e r g e v i n g der z o n d e n ".
Het brood dient tot voedsel voor het lichaam, de drinkbeker tot deszelfs lafenis. Hoewel de Heere zegt: „ d a t is", zoo wil Hij toch niet, dat wij meenen, dat het brood nu werkelijk het lichaam van Christus wordt of is, of de drinkbeker Zijn wezenlijk bloed, anders had Hij er niet aan toegevoegd: „dat is het nieuwe Testament in Mijn bloed"; want een uitwendig voorwerp kan geene geestelijke, onzichtbare zaak zijn, zooals het nieuwe Testament of Verbond is, maar het kan ons daarop wijzen, als nml. het woord, waarmee dit te verstaan gegeven wordt, er bijgevoegd wordt. Bijv. een mijlpaal is op zichzelf slechts een opgericht paaltje; maar door de plaats, waar hij staat, en de cijfers en woorden, die er op aangebracht zijn, wijst hij aan, hoe ver men zich van eene plaats verwijderd heeft, en hoe ver men nog van eene andere plaats af is. Al zóó wijzen het brood en de drinkbeker des Avondmaals door 's Heeren woord op het nieuwe Testament der genade Gods. Want de Heere Jesus geeft door de namen, waarmede Hij het brood en den drinkbeker noemt, te kennen, wat zij beteekenen. En wat beteekenen zij? Wat de Catechismus zegt: dat Christus mij beloofd heeft: „ e e r s t e l i j k , dat Z i j n l i c h a a m zoo z e k e r v o o r m i j a a n h e t k r u i s g e o f f e r d en g e b r o k e n, e n Z i j n b l o e d voor mij v e r g o t e n is, als ik met o o g e n z i e , d a t h e t b r o o d des H e e r e n voor mij geb r o k e n , en de d r i n k b e k e r mij m e d e g e d e e l d w o r d t ".
De woorden des Heeren wijzen ons rechtstreeks op het kruis van Christus, waar Hij niet voor Zichzelven, niet om eigene zonden en misdaden gekruisigd is geworden, maar volgens het profetisch woord en de uitspraak van Christus Zelf voor m i j n e zonden en misdaden. Jes. 5 3 : 5 heet het: „Maar Hij is om onze overtredingeu verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden". En de Heere Jesus zegt Zelf: „Mijn lichaam wordt v o o r u gebroken, Mijn bloed voor u vergoten tot vergeving der zonden". W i e heeft verdiend, om aan het kruis te hangen: de Heere Jesus, of wij? Hij is onschuldig, Hij heeft geen onrecht gedaan, en in Zijnen mond is geen bedrog gevonden. Maar wij hebben onrecht gedaan, in onzen mond is leugen en bedrog. Bijgevolg behoort o n s l i c h a a m gebroken en aan den dood overgegeven, ons bloed, waarin ons leven is, op de aarde gestort te worden, omdat wij met onze zonden en wandaden de aarde tot eene hel gemaakt en Gods grooten en heiligen toorn opgewekt hebben. Het behaagde echter God den Heere, daar wij zoo ganschelijk der verdoemenis en der hel prijsgegeven zijn, Zijnen Zoon voor ons in dezen rechtvaardigen dood over te geven, en Zijne verdoemende gerechtigheid aan Hem uit te oefenen, om ons te behouden. Opdat wij dit recht verstaan en daarvan verzekerd mogen worden, zegt de Heere Jesus: Gelijk en zoo gewis Ik dit brood breek en u geef om te eten, en dezen drinkbeker om te drinken, zoo gewis geef Ik en heb Ik gegeven Mijn eigen lichaam en bloed in den dood, — voor u, — opdat Mijn Vader u al uwe zonden vergeve, u niet meer verdoeme en doode om uwer zonden wil.
Ten andere heeft de Heere Jesus beloofd: „ d a t H i j Zelf m i j n e z i e l met Z i j n g e k r u i s i g d l i c h a a m en verg o t e n b l o e d zoo z e k e r t o t h e t e e u w i g e l e v e n s p i j st e n l a a f t , a l s ik h e t b r o o d en d e n d r i n k b e k e r des H e e r e n a l s z e k e r e w a a r t e e k e n e n van h e t l i c h a am en b l o e d van C h r i s t u s u i t d e s d i e n a a r s h a n d ontv a n g en m o n d e i i j k g e n i e t ".
De Heere Jesus heeft niet alleen het brood g e b r o k e n, maar ook aan de discipelen g e g e v e n en gesproken: „Neemt, eet"; en den drinkbeker heeft Hij hun ook i n de h a n d geg e v e n , zeggende: „Drinkt allen daaruit". Gelijk Hij hun bevolen heeft te eten en te drinken, alzoo geeft Hij nu ook aan onze zielen te eten Z i j n g e k r u i s i g d l i c h a a m en te drinken Z i j n v e r g o t e n b l o e d , en wanneer ik die zekere waarteekenen des lichaams en bloeds van Christus uit des dienaars hand ontvang en mondelijk geniet, moet ik daaraan niet blijven hangen, maar in mijnen geest doordringen tot die geestelijke waarheden en feiten, die ik niet zie, dat Hij namelijk Zelf mijne ziel spijst en laaft.
Deze inwendige spijziging en laving geschiedt door den Heiligen Geest, en bestaat daarin, dat Deze mij door 's Heeren Woord en een oprecht geloof met Christus telkens vannieuws verbindt, en de eerste inlijving vernieuwt, zoodat ik door Christus' gekruisigd lichaam leef, gelijk ik mijn tijdelijk leven door spijs en drank onderhoud. De spijs en drank gaan in het lichaam over en onderhouden zijne levenskracht; alzóó gaan Christus' gekruisigd lichaam en vergoten bloed in mij over, zoodat ik daarvan leef in mijn geloof en in mijne hoop op het eeuwig leven. En alles wat des Heeren is, is mijn; Zijn gekruisigd lichaam is nu het mijne, Zijn vergoten bloed is het mijne. In Hem zeg ik: „Het is volbracht". In Hem ben ik gekruisigd, gedood en begraven, in Hem ben ik opgestaan van de dooden en opgevaren ten hemel; in Hem is Zijn God en Vader mijn God en Yader, en ik Zijn kind, waaraan Hij een welbehagen heeft. Zijn geloof, Zijn strijd, Zijne overwinning zijn de mijne. Zijne onsterfelijkheid en Zijn eeuwig leven zijn de mijne. Daarentegen zijn mijne zonde en ellende de Zijne, mijne zwakheid, waarin ik vóór en na mijne bekeering zondig, is de Zijne geworden. Mijn ongeloof, mijn afkeuren van de wegen des Heeren, mijne aanvechtingen, ook mijne uitwendige armoede, zorgen en gebreken zijn alle de Zijne geworden. En daar Hij waarachtig God is, een Held, zoo heeft Hij ze overwonnen en overwint ze ook, zoodat ik mag zeggen: „Wij zijn meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad en Zichzelven voor ons heeft overgegeven."
Dit alles verzekert ons de Heere Jesus door en in het Heilig Avondmaal, en dat is geheel overeenkomstig de behoeften van Zijne geloovigen. Want het is noodig, dat wij bestendig vermaand en verzekerd worden, dat Christus voor ons gestorven is en ons vergeving der zonden verworven heeft. V e r m a a nd moeten wij worden, omdat wij er gedurig op uit zijn, in onze werken en vrome gestalte den grond onzer zaligheid te zoeken. V e r z e k e r d , omdat wij door onze zonden en den duivel gekweld en door Gods Wet geslagen worden, opdat wij vastelijk mogen gelooven, dat de Heere Christus voor ons persoonlijk vergeving heeft verworven. Ook moeten wij verzekerd worden, omdat wij moedeloos worden en verzuimen van de hemelsche spijs en lafenis te eten en te drinken. Daarin bestaat de verzekering, dat zoo gewis wij van het gebroken brood eten en van den drinkbeker drinken, wij zóó gewis van den Heere niet vergeten, maar van Hem Zelf gespijzigd en gelaafd worden aan onze zielen.
Ons blijft nog over in 't kort te antwoorden op de vraag: Hoe worden wij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd, dat wij aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebben?
Wij hebben niet van noode, naar eeno geheimzinnige (mystieke) werking te zoeken; een pand, ons voor eene belofte gegeven, is ons de verzekering zelve daarvan. Alzoo verzekert ons de Heere Christus door alles, wat bij het gebruik van het Heilig Avondmaal volgens Zijne inzetting geschiedt, zoowel dat wij in Zijnen dood vergeving der zonden hebben, als dat Hij ons met Zijn gekruisigd lichaam wil spijzen en laven. Terwijl wij dus met onzen lichamelijken mond eten en drinken, spreekt do Heere Christus door Zijnen Geest tot onze heilbegeerige, maar o zoo moedeloozo ziel van Zijn lijden en sterven voor h a ar en maakt haar weder vast in het geloof.
Wij hebben gezien, van welk groot gewicht het is, deel te hebben aan de offerande van Christus Jesus. Dit is de grond onzer geheele zaligheid; daarom hebben wij allereerst te vragen: „Heb ik er deel aan? Is het mij er om te doen, dat ik er deel aan heb?" Ach, wij verdienen het niet, wij zijn het geheel en al onwaardig. Maar boe zullen wij zalig worden, als wij er geen deel aan hebben ? Daar is het nu Gods barmhartigheid, dat Hij ons Zijn Evangelie doet verkondigen, om den zondaar, dien Hij heeft verslagen gemaakt, te vertroosten; zoo roept hem diezelfde barmhartigheid tot het Heilig Avondmaal, beveelt hem zelfs, daaraan deel te nemen, en de Heere verzekert hem, dat Hij hom met Zijne ware offerande spijzigt en laaft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Vraag en Antwoord 75.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 september 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken