Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 83 en 84.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 83 en 84.

20 minuten leestijd

Deze Vragen sluiten zich nauw bij Vraag 82 aan, en zijn met Vraag 85 de nadere verklaring, wat de sleutelen des hemelrijks zijn.
Het hemelrijk of het Koninkrijk Gods is het Koninkrijk, waar God met Zijne genade regeert, en waardoor de mensehen, die daarin opgenomen worden, voor eeuwig behouden en zalig gemaakt worden. Het is te vergelijken met een welgeordend, goed ingericht of welvoorzien huis, waar een ieder het zijne krijgt, en waar ook eene volmaakte tucht en orde heerscht. In het "huis eens menschen is echter nooit die orde, en zijn nooit die schatten, die in het Koninkrijk Gods te vinden zijn. Daarop hebben wij wel acht te geven.
Een huis nu heeft sleutelen, waarmee het geopend en gesloten wordt, en die ook de deuren, waarachter de schatten liggen, openen en sluiten. Zoo is het ook met het hemelrijk.
Voorts behooren de sleutels aan den heer des huizes, die des hemelrijks aan Christus toe. Wanneer eene stad aan eenen vorst wordt overgegeven, geeft men hem de sleutels der stad 'over; daarmee geeft men dan te kennen, dat hij over de stad te gebieden heeft, en dat hij te bepalen heeft, wie daarin zal wonen, of door de poorten zal ingaan. Alzoo heeft ook de Heere Christus de macht over de stad Gods, om te bepalen, wie daarin wonen zal en deel zal hebben aan al Zijne goederen en weldaden.
Laat ons nu nader overdenken: a) Wat het ambt der sleutelen beteekent. b) Aan wie Hij de sleutelen des hemelrijks geeft, c) Wat het eerste stuk van het ambt der sleutelen is.
W a t b e t e e k e n e n de s l e u t e l e n des h e m e l r i j k s?
Eerst moeten wij letten op den o o r s p r o n g van het ambt der sleuteleo des hemelrijks.
Dezen vinden wij in de woorden des Heeren Jesus in Matth. 1 6 : 1 9 : „En Ik zal u g e v e n de s l e u t e l e n van h et K o n i n k r i j k der h e m e l e n ; en zoo w a t g i j z u l t bind e n op de a a r d e , zal in de h e m e l e n g e b o n d e n z i j n, en zoo wat gij o n t b i n d e n z u l t op de a a r d e , zal in de h e m e l e n o n t b o n d e n z i j n " . De Heere spreekt hier als de ware Koning van het Koninkrijk Gods. Zoo zegt Hij Openb. 3 : 7 : „En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft (d. i. des Konings over het huis Israël); Die opent, en niemand sluit; en Hij sluit, en niemand opent". Ook zegt Hij: „Ik heb de sleutelen der hel en des doods" (Openb. 1 : 18).
H i j g e e f t aan de discipelen de sleutelen. Hij bezit ze dus Zelf. En wanneer Hij hun macht geeft, om te binden en te ontbinden op de aarde, dan bestaat het ambt der sleutelen in eene volmacht, die Hij geeft, om in Zijnen Naam Zijn Koninkrijk te openen en toe te sluiten, dat niemand in Zijn Koninkrijk komt, dan zij, die toegelaten worden volgens Zijn bevel en verordening. Gewoonlijk stelt een koning en vorst hofmeesters of schatmeesters aan, en dezen worden de sleutels van de schatten des konings gegeven. Toen bij de oude koningen uit het huis Davids eens een hofmeester — Sebna ontrouw was, zeide de Heere tot den Profeet Jesaia (Hoofdst. 2 2 : 1 5 vv.): „Alzoo zegt de Heere, de Heere der heirscharen: Ga heen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna, den hofmeester, en spreek: Wat hebt gij hier? of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt, als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die eene woning voor zich op eenen rotssteen laat afteekenen? Zie, de Heere zal u wegwerpen met eene mannelijke wegwerping, en Hij zal u ganschelijk overdekken", — dat gij zult worden als een, die in het graf ligt en met aarde bedekt is, — „Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men eenen bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uwe heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws heeren! En Ik zal u afstooten van uwen staat, en van uwen stand zal Hij u verstoren". — Deze schatmeester had zich rijk gemaakt van de schatten des konings, en had zeker vele ellendigen verdrukt. — Daarna heet het Vers 20: „En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijnen knecht Eljakim (d. i.: God "doet opstaan), den zoon van Hilkia, roepen zal. En Ik zal hem met uwen rok" — d. i. met uw ambt — „bekleeden; en Ik zal hem met uwen gordel sterken, en uwe heerschappij zal Ik in Zijne hand geven; en hij zal den inwoners te Jerusalcm en den huize van Juda tot eenen vader zijn", d. w. z.: hen vaderlijk, naar 's konings bevel met diens goederen verzorgen. „En I k zal den s l e u t e l van het h u i s van D a v i d op z i j n en s c h o u d e r l e g g e n ; en hij zal o p e n d o e n , en niem a n d zal s l u i t e n ; en hij zal s l u i t e n , en niemand z a l o p e n d o e n . En Ik zal hem als eenen nagel inslaan in eene vaste plaats, en hij zal wezen tot eenen stoel der eer voor het huis zijns vaders. En men zal aan hom hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitelingen en der afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flesschen".
Hier hebben wij de beteekenis der sleutelen voor ons. God heeft in de eerste plaats Zijnen Zoon Jesus Christus verordend en doen o p s t a a n , en Hem de sleutelen over Zijn geheele Koninkrijk gegeven: over Zijnen hemel en Zijne genade, over leven en dood, zelfs over de hel, omdat Hij Zijne ziel voor het volk Gods in den dood geèft, om hen te verlossen van de eeuwige verdoemenis. Dus heeft Hij de macht en het recht, om te openen en te sluiten. En Hij oefent die macht uit door Zijnen Geest als een vader, en zij zullen allen aan Hem hangen, als de vaten aan den nagel, die op eene vaste plaats is ingeslagen. Alzoo wil Hij ook, dat hij, aan wien Hij de sleutelen geeft, ze naar de inzetting Gods gebruiken en van de schatten naar 's Konings bevel uitdeelen zal; dan zal hij voor het volk ook zijn een vader, die getrouw voor zijn volk zorgt; en het volk zal aan hem hangen en op hem vertrouwen, zoodat hij is gelijk een nagel, ingeslagen aan eene vaste plaats; en allen, klein en groot, oud en jong, zullen aan hetgeen hij zegt, geloof slaan.
Wie is nu een getrouw dienstknecht des Heeren? Hij, die zich in zijn ambt getrouw aan Zijn Woord houdt, en daarvan niet afwijkt. Hij verkondigt niets anders dan 's Heeren Woord, en handhaaft het; en God geeft hem daarom Zijne volmacht, dat wat hij bindt, ook in den hemel gebonden is, en wat hij ontbindt, in den hemel ontbonden is. Het binden is zooveel als: onder Gods oordeel stellen; ontbinden: van dat oordeel vrijmaken. Binden is dus: verklaren, dat iemand verdoemd is; ontbinden: dat God hem de zonden vergeven heeft. Aan wien nu verklaard wordt, dat hem zijne zonden vergeven zijn, die is in de stad Gods, die mag Gods genade ontvangen. Maar aan wien God niet vergeeft, die is onder Gods zware oordeel.
Waarom stelt nu de Heere dit ambt der sleutelen in ? Omdat Hij Zijne Gemeente hier op aarde door menschen wil regeeren en leiden. Hij zit ter Rechterhand Gods, en zendt Zijnen Geest uit, om Zijne Gemeente te bouwen en allen samen te voegen tot eenen geestelijken tempel. En dat doet Hij door Zijn Woord. Opdat wij ons aan dat Woord onderwerpen en daardoor ons laten leiden, opdat alles welvoegelijk en behoorlijk in de Kerk toega, de zonde geweerd, de zondaar tot Christus gebracht, de genade van Christus verkondigd worde; eindelijk opdat wij elkander broederlijk zouden liefhebben, en dat de een zich niet boven den ander verheflfe, maar arm en nederig van geest blijve. wil Hij niet, dat iemand zich beroeme, alsof hij grootere openbaringen des Heeren ondervonden zou hebben dan zijn naaste; daarom komt Hij tot ons in Zijne dienstknechten, en Hij wil, dat wij door "hen Zijne eigene stem zouden hooren. Daarom hebben wij de stem Zijner dienstknechten te eeren, alsof God door hen tot ons sprak; en wee ons, als wij er niet naar luisteren. De Heere zal Zjjne dienstknechten en hun woord, dat naar Zijn Evangelie gesproken is, handhaven. Maar wèl ons, wanneer wij ons aan de leiding van Zijne dienstknechten houden. De Heere zal aan ons rijke, hemelsche gaven uitdeelen.
Het ambt der sleutelen van het Koninkrijk der hemelen bestaat nu in twee stukken: in het verkondigen van het heilig Evangelie, nml. van Jesus Christus en van al Zijne beloften aan de geloovigen, en van Zijne bedreigingen aan de ongeloovigen en onbekeerden.
Eer wij nu van het eerste stuk spreken, moeten wij nog op deze vraag antwoord geven: A a n wie g e e f t C h r i s t u s het a m b t der s l e u t e l e n van Z i j n K o n i n k r i j k?
De Heere zegt tot Petrus: „En I k zal u geven de sleutelen van het K o n i n k r i j k der hemelen". Waarom gaf Hij ze aan Petrus? Omdat Hij hem uitverkoren heeft tot Zijnen discipel en getuige van alles wat Hij gedaan, geleerd en geleden heeft. En Simon Petrus had beleden, dat H i j was de Christus, de Zoon des levenden Gods. Dit hadden andere menschen niet beleden, maar sommigen, dat Hij was Johannes de Dooper, die dan van de dooden zou opgestaan zijn; anderen: Elias die vóór de komst van Christus zou gezonden worden, om Hem den weg te bereiden; anderen: Jeremia, of een van de andere Profeten. Maar zij allen zagen in den Zoon des menschen den Christus niet, wegens Zijne uitwendige armoede en zwakheid, en de smaadheid, waarmee Hem de oversten des volks bedekten. Zij meenden, dat de Christus vooral door de oversten des volks en door de vromen des lands, de Farizeën, moest geëerd worden, en dat Hij als een koning zich onderscheiden zou door groote uitwendige macht en rijkdom, evenals Salomo. Evenwel konden zij niet loochenen, dat Hij de woorden Gods sprak, en dat Hij groote wonderen deed. Zoo oordeelt echter het vleesch. Petrus daarentegen erkent den Heere Jesus voor den Christus. En de Heere zeide tot hem: „Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is". Simon Petrus had het dus niet van zichzelven, door de overlegging des verstands, maar van God den Yader, Die het hem door den Heiligen Geest aan het hart geopenbaard heeft. En als d a t geschied is, dan. heeft Simon Petrus de w a a r h e i d voor den Heere beleden; hierop komt het aan, als wij vragen, aan wie de Heere Zijne sleutelen geeft. Hij noemde hem om deze belijdenis Petrus, d. i. rotssteen; en Hij zeide: Op deze Petra zal Ik Mijne Gemeente bouwen, en de poorten- der hel zullen dezelve niet overweldigen. Dit is dus het fundament van 's Heeren Gemeente, dat men belijdt, dat Jesus, de Zoon des menschen, hoe zwak en broos Hij moge wezen, hoe veracht ook bij de wereld, de G e z a l f d e Gods is, Die onze z i e l e n z a l i g maakt. Wordt dit niet erkend en beleden, zoo staat men of stelt men zich buiten de Kerk. Daarom eischen onze Formulieren van allen, die eenen dienst bij de Gemeente aanvaarden, dat zij de leer der Heilige Schrift als het Woord Gods tot onze zaligheid erkennen.
Aan wien dus de Heere de sleutelen des hemelrijks geeft, die behoort vooral zelf in het geloof in .Tesus als den Christus te staan, en het te belijden. Hij behoort te erkennen, dat de Heere Jesus de eenige en waarachtige Hoeksteen en het Fundament is, waarop alles in de Kerk rust. Wanneer men echter eenen anderen hoeksteen of steunpilaar zoekt, dan heeft men geen recht op de sleutelen, noch om te openen, noch om te sluiten. Daar bijv. de paus te Rome zich in de plaats van Christus stelt, zoo heeft hij, noch allen, die hem aanhangen, dat recht. Wanneer eene Kerk of Gemeente, in plaats van zich aan het Woord van Christus te houden, naar het vrome volk ziet, zoo maakt zij menschen tot steunpilaren, en dan heeft zij ook geen recht, om de sleutelen te gebruiken. En wordt Jesus als de Christus en de waarachtige en eeuwige God geloochend, dan berooft men zich ook van de macht der sleutelen; zoo ook, wanneer men eigen werk en vroomheid naast het volkomene werk van Christus plaatst onder den naam van heiligmaking. Al wie zoo doen en het ambt der sleutelen toch gebruiken, vertroosten den bedrukte en verslagene van geest niet, maar verheerlijken den menseh in zijne deugd en vroomheid, en zij werpen dus de goeden uit de Kerk, en behouden de kwaden. Daardoor ontstaat groote verwarring. Maar de Heere zal dan Zijne kudde Zelf weiden, en Hij zal het bloed Zijner schapen van de hand der ontrouwe herders eischen.
Het eerste vereischte voor eene Gemeente is, dat bij haar het door den Heiligen Geest gewerkte levende geloof heersche, en wij hebben wel te arbeiden, dat wij dit verkrijgen, d. w. z. den Heere te smeeken en ons te onderwerpen aan Zijn Woord. Daarna dat wij een levendig besef hebben van de heiligheid van Gods beloften, opdat zij noch door onszelven, noch door anderen ontheiligd worden. Eindelijk dat wij broederlijke liefde onder elkander hebben, en elkander niet beoordeelen, maar elkanders lasten dragen, en dat het ons er om te doen zij, dat wij tot Christus komen en bij Hem blijven. Waar deze vereischten zijn, daar wordt het ambt der sleutelen van het hemelrijk naar recht uitgeoefend, niet tot verstoring, maar tot ophouw der Gemeente.
Die uitoefening heeft de Heere nu toevertrouwd in de eerste plaats aan Zijne Apostelen, niet alleen aan Simon Petrus, maar ook aan zijne mede-Apostelen, want allen beleden den Heere Jesus als den Christus. Ook blies de Heere op hen a l l en (Joh. 20:22), zeggende: „Ontvangt den Heiligen Geest. Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden" (Vs. 23).
Voorts stelden de Apostelen, die niet overal tegenwoordig konden zijn, in elke Gemeente, die zij stichtten, onder vasten en bidden ouderlingen of opzieners aan, zoowel zulken, die leerden, als zulken, die opzicht hadden over den wandel der gemeenteleden, en hen vermaanden, bestraften en vertroosten. Derhalve kunnen wij zeggen: de Heere gaf de sleutelen aan Zijne G e m e e n t e , als die Zijn Woord ontvangen heeft. Want Hij zegt: Op dezen rotssteen wil lk M i j n e G e m e e n te bouwen. En Matth. 18 : 17 wil Hij, dat de G e m e e n te degenen, die de broeders niet willen hooren, bestraffe.
W a t is nu het eerste s t u k van het ambt der s l e u t e l e n?
Het eerste stuk is: de p r e d i k i n g van het Evang e l i e . Evangelie wil zeggen: blijde boodschap, en beteekent in de Heilige Schrift de geheele verkondiging van Christus als onzen Zaligmaker.
„Hoe wordt n u " , vraagt de Catechismus in Yraag 84, „het h e m e l r i j k door de p r e d i k i n g van het h e i l ig E v a n g e l i e o n t s l o t e n en t o e g e s l o t e n ? " M. a. w.: hoe worden door de prediking van Christus de poorten der stad Gods opengedaan en toegesloten? Antwoord: „ A l z o o , als a c h t e r v o l g e n s het bevel van C h r i s t u s a l l e n en een i e g e l i j k g e l o o v i g e v e r k o n d i g d en o p e n l i jk b e t u i g d w o r d t , dat h u n (zoo d i k w i j l s zij de beloft e n des E v a n g e l i e s met waar g e l o o f a a n n e m e n ), w a a r a c h t i g al h u n n e z o n d e n van G o d , om de verd i e n s t e n van C h r i s t u s , v e r g e v e n z i j n ".
Hierdoor wordt de stad en het huis Gods, ja ook de schatten des Heeren ontsloten. Het Evangelie wordt verkondigd door de Apostelen en de dienaren des Woords, door hen wordt het net uitgeworpen. Zoo velen nu dat Woord aannemen met een waar geloof, d. i. niet slechts met het verstand, maar ook met het hart, dezen wordt nog verkondigd en openlijk betuigd in den Naam van Christus, dat God al hunne zonden vergeven heeft. — Waarom heeft Christus dit verordend? Omdat allen, die met het hart het Evangelie gelooven, in zichzelven om hunner zonden wil verslagen zijn, en dus vreesachtig zijn, zij kunnen zich de vergeving der zonden niet zelf toeëigenen. De Heilige Geest werkt wel aan hen. Hij opent hun hart voor het Evangelie, Hij arresteert hen, houdt hen vast bij hunne zonden; doch Hij wil ook door de dienaren des Woords hun betuigen, dat zij niet tevergeefs tot Christus hunne toevlucht nemen, maar dat Hij hunne gerechtigheid is, en hunne zonden weggenomen heeft. Zoo betuigde Nathan uitdrukkelijk aan David : „De Heere heeft uwe zonde weggenomen". De dienaren des Woords hebben daaraan toe te voegen, dat God hun de zonden vergeeft niet om hun gebed en geloof en worsteling, maar om de verdiensten, d. i. om den arbeid van Christus.
„ D a a r e n t e g e n wordt a l l e n onge 1 o o v i g e n , en die z i c h n i e t van h a r t e b e k e e r e n , v e r k o n d i g d en bet u i g d , dat de t o o r n Gods en de e e u w i g e verdoem e n i s op hen l i g t , z o o l a n g z i j z i c h n i e t bekeeren."
Wie nml. dat verkondigde waarachtige Evangelie niet gelooft, wie bij zijne zonden blijft, zich niet veroordeelt, ja met dat gehoorde Woord den spot drijft en het veracht, mitsgaders hem, die het verkondigt, — die neemt niet waarachtig de toevlucht tot den Heere Jesus, hij heeft het vleesch lief, hij ontziet menschen, of verheft zich. Voor dezulken blijft niets over dan Gods toorn en eeuwige verdoemenis. En het moet hun door den dienaar des Woords openlijk betuigd worden, opdat zij gewaarschuwd zijn en vreezen. Deze aankondiging is dus eene waarschuwing, gelijk de Catechismus ook zegt: „zoolang zij zich niet bekeeren". God heeft immers geen behagen aan den dood des zondaars, maar daaraan, dat hij zich bekeere en leve. Blijft dan de mensch in zijne zonde, tergt hij den Heere, zoo weet hij, dat God hem zeker oordeelen zal.
„ V o l g e n s deze g e t u i g e n i s des E v a n g e l i e s wil God beide in dit en in het t o e k o m e n d e leven o o r d e e l e n . "
„ W a t g i j op a a r d e b i n d e n z u l t , z a l in de h e m e l en g e b o n d e n z i j n ; en wat g i j op a a r d e o n t b i n d e n zult, z a l in de h e m e l e n o n t b o n d e n z i j n . " Wie het ware geloof heeft, vindt bij God genade; wie het niet heeft, vindt bij Hem niets dan toorn en verdoemenis. Een Corneliua ondervond het, want terwijl Petrus hem het Evangelie verkondigde, kwam de Heilige Geest op hem en op allen, die het hoorden. Daarentegen, toen Petrus tot Ananias zeide: „Gij hebt niet den menschen, maar Gode gelogen", viel hij dood neder.
Niet altijd volgt Gods oordeel terstond; God wacht nog, maar het komt gewis, o zondaar! Daarom laat u waarschuwen. Yelen onder ons hooren wel het Evangelie, en zij weten, dat zij niet oprecht wandelen, maar hunne vleeschelijke begeerlijkheid is zóó sterk, dat zij alle waarschuwingen verachten, en dikwijls den dienaar des Woords smaden en bespotten. Maar de Heere zal hem handhaven. Daarom zij denzulken gebeden: koopt uwen tijd uit; gedenkt, dat eene eeuwigheid op het tijdelijke leven volgt, — dan zult gij weenen en met de tanden knersen. Zij echter, die Gods Naam vreezen, en hunne zonden kennen, mogen zich houden aan dat Evangelie, zoo zal hun Koning Zich hunner ontfermen, en hen in Zijn Rijk opnemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Vraag en Antwoord 83 en 84.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken