Bekijk het origineel

Bij het einde des jaars 1897.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bij het einde des jaars 1897.

9 minuten leestijd

„Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen." (Spr. 2 : 7a.)

„IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid!" Dat mag voorzeker van al het ondermaansche gezegd worden. Alles op deze aarde is aan wisseling, verandering, veroudering onderhevig: het komt en gaat, het verschijnt en verdwijnt, het spruit opwaarts, het bloeit en verwelkt, het wordt en vergaat, — niets is duurzaam, 't is alles vergankelijk, 't gaat alles voorbij. Wat is ongestadiger dan de rijkdom? wat brozer dan de gezondheid? wat kwetsbaarder dan de eer? wat daalt schielijker dan het aanzien bij de menschen ? IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid, — van niets zijt gij zeker, o mensch, niets is hier bestendig, dan de onbestendigheid.
Wij staan straks weêr aan den eindpaal des jaars. Wie onzer heeft niet op de eene of andere wijze ondervonden, dat alles hierbeneden onbestendig is? Hoe nietig kunnen ons som wijlen alle dingen dezer wereld voorkomen, als wij zoo zien, dat niets stand houdt, dat niets betrouwbaar is, dat alles wankelt en wijkt, dat alles ten val of ondergang neigt, dat aan alles de tand des tijds knaagt.
Maar nog erger is het met die ijdelheid van het ondermaansche gesteld. Ook z o o l a n g wij iets van de dingen dezer wereld bezitten, geeft het ons niet, wat het ons belooft. Al de goederen dezer wereld laten immers de ziel ledig. Al de schatten der aarde kunnen de ziel niet bevredigen. Al wat de zinnen bekoort, laat eene leemte. Al wat wij op deze aarde bezitten, hetzij rijkdom met al zijne genietingen, hetzij eer of aanzien bij de menschen, het kan de ziel niet verzadigen. Onze ziel is onsterfelijk, is voor de eeuwigheid geschapen, wij zijn Gods geslacht, — daarom kan alleen wat eeuwig is ons bevredigen, ons verzadigen, ons gelukkig, waarlijk gelukkig maken.
Niet alleen dus dat alle dingen in deze wereld aan den tand des tijds zijn blootgesteld, en dat de wisselvalligheden des levens soms plotseling het zoet in bitter verkeeren, — maar ook knaagt aan alles de worm der onvoldaanheid. Iedereen, wie hij ook zij, moet het ondervinden, dat de dingen dezer wereld niet geven, wat zij beloven; dat zij onbevredigd, onverzadigd, ledig laten; dat zij geen wezen hebben, dat zij niets wezenlijks, maar in één woord ijdelheid zijn, dat zij dus niet waarlijk gelukkig kunnen maken.
Ja, dat gevoelt ieder mensch wel, maar hoe weinigen willen het zich bekennen! Hoe velen zoeken al hun geluk in de dingen dezer wereld en werpen zich van de eene genieting op de andere, en vinden zich altijd onbevredigd, en geven het toch nooit op, om van deze dingen hun geluk te verwachten, — totdat, zoo God het niet verhoedt, het heden der genade verdarteld is en zij te laat erkennen, dat de dingen dezer wereld bedriegen.
Tot die dingen behoort echter niet slechts wat de wereldling najaagt. Hoevelen toch, die als godsdienstige, vrome menschen bekend staan, zullen ook eenmaal beschaamd staan, dewijl ook zij de ijdelheid hebben bemind. Want er is nog eene andere ijdelheid, dan die de wereldling najaagt, namelijk dat men bij al zijne godsdienstigheid voor God niet bekennen wil, hoe en wat men is, t. w. blind, doof, stom, kreupel, lam, doodkrank,, melaatscli, en daarbij in de schande zijner naaktheid liggende^ maar — bewerende, dat men ziende en hoorende is, vervuld van den lof Gods, gezond van lijf en leden, bekleed met het bruiloftskleed, — zich beijvert om zich zelf aangenaam en steeds aangenamer in de oogen Gods te maken. Ook hierbij vindt de mensch geene bevrediging, want bij gevoelt wel, dat hetgeen men Gode brengt volkomen moet zijn, en iets volkomens vermag de mensch niet te brengen De mensch, die in deze dingen zijn heil en zielsrust zoekt, jaagt dan ook telkens nieuwe begeerlijkheden der schijnvrome wereld na, en zoo God niet genadiglijk tusschentreedt, dan moet ook deze mensch met eeuwig naberouw beweenen, dat hij zijn hart gezet heeft op de ijdelheid.
Is dan al wat van deze wereld is ijdelheid, kan niets van dat alles ons bevredigen en waarlijk gelukkig maken, maar misleidt en bedriegt daarentegen alles, dewijl het geen wezen heeft, — hoe rampzalig ware dan heel de menschheid, zoo God Zich niet aan den mensch had doen kennen, want alleen in den eeuwigen, volzaligen God is waar geluk, volmaakt geluk, duurzaam, bestendig, eeuwig geluk. Maar Gode zij dank, Hij heeft Zich aan den mensch doen kennen, en wel heeft Hij Zich aan hem geopenbaard in zóódanige betrekking, dat de mensch weêr gemeenschap met zijnen God verkrijgt en alzoo deel krijgt aan de zaligheid in God. Als zóódanig heeft God Zich aan ons geopenbaard in Zijn Woord, waar ons zulks op elke bladzijde worde betuigd, o. a. in het kostelijk woord van Spr. 2 : 7 r „ H i j legt weg voor de oprechten een bestendig wezen".
Wie zijn dat, de o p r e c h t e n ? Dat zijn dezulken, die door God oprecht zijn g e m a a k t , om te erkennen, dat zij niet zijn, zooais zij beweerden te zijn, maar zooals Gods Woord van hen getuigt —: blind, doof, kreupel, lam, doodkrank, melaatsch, in de schande hunner naaktheid liggende. Zij maken met David den Heere hunne zonde bekend en bedekken hunne ongerechtigheid niet (Ps 32 : 5), zij verbergen voor Hem niets, maar leggen hun hart voor Hem bloot, en belijden en beweenen hunne zonde met hartelijk berouw. Zij erkennen, dat vanwege hunne zonde geen vrede in hun binnenste is, — totdat God hen vrede doet vinden in het bloed des Lams. En genade bij God gevonden hebbende, zijn zij door God oprecht gemaakt om bij de genade te blijven, en zoo begeeren zij van de genade alleen te leven, niet half van het hunne, zoodat zij een verborgen brood der wet zouden eten en de gestolene wateren der zelfheiliging drinken.
Yoor deze oprechten nu l e g t de H e e r e weg een bes t e n d i g wezen. „Een bestendig wezen", dat wil eigenlijk zeggen: wat wezen heeft; dus iets wezenlijks, en geen schijn; iets, dat vast en zeker, duurzaam en onvergankelijk is; iets, dat niet beschaamt, niet bedriegt, niet misleidt wie er op bouwt; dat niet ledig laat, maar bevredigt, verzadigt, dus dat geeft wat het belooft, dat waarlijk gelukkig maakt. Zulk een begeerlijk goed heeft de Heere weggelegd voor de oprechten.
Welk is dat goed ? Dat is het eeuwige, hemelsche goed, waarvan de Apostel Paulus spreekt, als hij aan Timotheüs schrijft: „Ik word n i e t b e s c h a a m d : want ik weet, Wien i k geloofd heb, en ik ben v e r z e k e r d , dat Hij machtig is, m i j n p a n d , bij Hem w e g g e l e g d , te bewaren tot dien dag" (2 Tim. 1 : 12). Dat is de eeuwige zaligheid in Christus, — •Christus en al Zijne hemelsche schatten en weldaden Dat is het goed, dat de Apostel Petrus noemt: „eene onverderfel i j k e , en o n b e v l e k k e l i j k e , en o n v e r w e l k e l i j ke e r f e n i s , die in de h e m e l e n b e w a a r d is voor u" (1 Petr. 1 : 4). O, welk een heerlijk goed, dat volgens deze getuigenissen dengenen, voor wie het is weggelegd, nimmer ontgaan kan, en daarbij eene erfenis is, die tot in alle eeuwigheid haar wezen behoudt. Ja, eene e r f e n i s is dat goed, en het testament, waarbij den erfgenamen, den oprechten, dat goed is vermaakt, is vastgemaakt in den dood des Erflaters, Jesus •Christus, onzen Heere, en zoo is het onherroepelijk. En deze onze Heere Jesus Christus is uit den dood opges'aan en heeft Zich gezet ter Rechterhand Gods, opdat wij de zekerheid zouden hebben, dat Hij ons de erfenis kan deelachtig maken. Daarop ziende, roept de Apostel Petrus uit: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, Die naar Zijne groote barmhartigheid, ons heeft wedergeboren, tot eene levende hoop, door de opstanding van Jesus Christus uit de dooden!" (1 Petr 1 : 3).
Welzalig dan de oprechten! hun wordt een bestendig goed bewaard in den hemel, een eeuwig goed, de eeuwige zaligheid. Maar van de eeuwige vreugde, die hiernamaals hun deel is, wordt hier reeds de voorsmaak genoten Yan de hemelsche goederen, die de Heere Jesus Christus door Zijn lijden en sterven verworven heeft, leven de oprechten ook hierbeneden reeds. Uit dien hemelschen schat ontvangen zij nu reeds al wat zij noodig hebben, om welgetroost te leven en te sterven: genade, vergeving der zonden, reiniging, gerechtigheid, heiligheid, vertroosting en een goed geweten voor God. en zoo is er reeds hierbeneden voor den oprechte rust te midden van het rustelooze, vrede te midden van allen strijd en aanvechting van de zijde zijner doodvijanden, geluk ook onder leed en kruis, zekerheid te midden van alle onzekerheid dezes levens, een vast punt, eene onwankelbare rots te midden van de bruisende baren van de zee der wereld.
Welgelukzalig, voor wien de Heere dit bestendig goed heeft weggelegd. Dat moge ook uw deel zijn, Lezers van het Zondagsblad, zoo zult gij met kalmen blik het bijkans afgeloopen jaar zich bij het verleden zien voegen, al het zichtbare rondom u zien verouderen en verdwijnen, wetende dat de onzichtbare, onvergankelijke schat, die u in de hemelen bewaard wordt, in eeuwigheid blijft. En daarbij zult gij dan waar geluk mogen smaken, ja ook met blijdschap Gods gaven voor deze wereld, het vergankelijke goed, mogen genieten, dewijl gij er uw hart niet op zet, maar het aanneemt als bewijzen van Gods oneindigen rijkdom van genade en goedertierenheid, dien gij eens ten volle en ongestoord zult genieten. Zoo zult gij dan, ook bij alle teleurstelling, verlies of lotwisseling, die u in dit jaar hebben getroffen, moed mogen grjjpen, het oog gericht houdende op het onbeweeglijk, hemelsch Koninkrijk van Jesus Christus, onzen Zaligmaker, van Wiens komst in het vleesch om ons dat Koninkrijk te bereiden, wij in deze dagen weêr het Kerstfeest vieren. Gewisselijk, er is weggelegd voor de oprechten een bestendig wezen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Bij het einde des jaars 1897.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken