Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bij het begin des jaars

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bij het begin des jaars

„Heere! de aarde is vol vau Uwe goedertierenheid; leer mij Uwe iDzettiogeo." (Ps. 119: 64.)

9 minuten leestijd

's Heeren goedertierenheden zijn allen morgen nieuw. Dat getuigt elke dag, dat getuigt in 't bijzonder de eerste dag des jaars. Aan wat al goedertierenheden des Heeren hebben wij bij elke jaarwisseling te gedenken. Yoor wat al weldaden, in het afgeloopen jaar ons door den Heere bewezen, hebben wij Hem te danken: Hij heeft ons leven verlengd in een land, dat de zegeningen des vredes geniet, en ons geschonken brood om te eten, kleêren om ons te dekken, een huis om er in te wonen, gezondheid, sterkte, moed en lust om onzen arbeid te verrichten. Wel is waar onthield Hij ons naar Zijne wijsheid of rechtvaardigheid het een of ander, of gaf het in geringe mate, maar ook de minst bedeelde heeft nog reden om Gods goedertierenheid over hem te loven, want wat zou het deel zijn van eenen mensch, wie hij ook zij, zoo God hem gaf naar hetgeen hij verdiende? . . . . „Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben!" — dat woord voegt ieder onzer, waar hij terugziet op het verleden.
Ja, groot is Gods goedertierenheid, want ook de Godvreezenden, aan wie zij zich betuigt, zijn immers zondaars, en zijn haar dus onwaardig; en zij strekt zich niet alleen uit tot degenen, die Hem vreezen, maar ook tot degenen, die Hem verachten, ook tot degenen, die in het Heidendom verzonken liggen. Goedertierenheid behoort zóó zeer tot Gods wezen, dat Hij niet kan nalaten daarnaar te doen, daarvan aan al Zijne schepselen overvloedige bewijzen te geven: Zijne goedertierenheid omvat het ganscbe menschdom. Zoovele eeuwen en jaren als er sinds den Zondvloed zijn voorbijgegaan, heeft Hij niet opgehouden Zijne zon te laten opgaan over boozen en goeden, en door het groote licht des daags, dat vroolijk is om zijn pad te loopen, hun de geregelde afwisseling Tan dag en nacht, van koude en hitte, van de jaargetijden te geven. Ook heeft Hij al dien tijd niet opgehouden te regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, niet opgehouden zaaiing en oogst elkander te doen afwisselen, en uit de aarde te doen spruiten wat noodig is tot voeding van mensch en beest. Hij heeft voorts te allen tijde en aan alle plaatsen gezorgd voor beroep en bedrijf, voor nering en hanteering, voor welvaart en overvloed, j a heeft ook den arme het zijne beschikt, en Hij is het ook, die orde en veiligheid in staat en maatschappij bewaart.
Dat heeft de Heere gedaan en doet Hij. O gewis, daar zijn ook tijden van bezoeking, — de Heere is wel genadig, maar ook rechtvaardig, — doch ook wanneer Hij het kwade bezoekt, ook wanneer Hij tuchtigt, kan Hij nauwelijks Zijne goedertierenheid inhouden, — ook de wolken Zijns toorns laten nog het schijnsel van het licht Zijner goedertierenheid door, en het is Hem eene vreugde, na de kastijding het volle licht weêr te doen doorbreken en Zijne schepselen te verblijden.
Ziende op al die gaven voor het natuurlijk en maatschappelijk leven, die de Heere, de goedertierene God, over het gansche wereldrond aan al Zijne schepselen met milde hand toedeelt, roepen wij reeds met David u i t : „ H e e r e ! de a a r d e is v o l v a n Uwe g o e d e r t i e r e n h e i d !"
En toch is dit alles nog niet eens het voornaamste. Al deze gaven zijn van voorbijgaanden aard, zij zijn geen blijvend, maar een vergankelijk goed, die, hoe kostelijke bewijzen zij ook mogen zijn van Gods goedertierenheid, vergeleken met het blijvend, onvergankelijk, hemelsch goed, waarmede God Zijne schepselen verblijdt, slechts eene schaduw zijn. Welk een bewijs van Gods goedertierenheid, dat Hij, toen de mensch, het meest beweldadigde schepsel, in zijnen zondeval zich van Hem, zijnen Schepper, had losgescheurd en afgekeerd, de gansche schepping niet deed instorten, niet aan vernieling en vernietiging prijsgaf, — en welk eene onbegrijpelijke goedertierenheid, dat Hij niet het gansche menschdom in den afgrond der ellende liet liggen! Hij bewees nog altijd de goedertierene God te zijn, ja gal dc bewijzen van eene alles te boven gaande goedertierenheid in Zijne opzoekende liefde, waarmee Hij tot den mensch kwam, Zich tot hem nederboog en hem ophaalde uit den afgrond, waaruit hij zich zelf nimmer zou verlost hebben. Hij schonk hem de belofte van don Christus, het Evangelie, Hij gaf Hem Zijn Woord, waarin Hij Zich aan hem openbaarde als een genadig God, — en in de volheid des tijds vervulde Hij de telkens herhaalde belofte, door Zijnen Zoon te zenden en tot 's menschen zaligheid over te geven in den dood. Kon Hij grooter, treffender, overvloediger, heerlijker, schitterender bewijs van Zijne goedertierenheid geven ? Hier vooral is van toepassing het woord van Ps. 117: 2: „Zijne goedertierenheid is g e w e l d i g over ons!"
In Christus worden de deuren van de schatkamer der goedertierenheid Gods wijd opengezet, in Hem wordt zichtbaar de volheid van Gods rijkdom aan goedertierenheid, en in Hem wordt die volheid uitgestort over een van God afgevallen menschdom. Wie zal alle weldaden der goedertierenheid Gods noemen, welke ons door Christus uit Gods Vaderhart toekomen? wie ze beschrijven? — eene eeuwigheid zal er noodig zijn, om deze goedertierenheid, die tot in eeuwigheid is, naar waarde te roemen en te bezingen. Eene herstelde gemeenschap met God, genade, vergeving van zonden, de zalving met den Heiligen Geest, gerechtigheid, die voor God geldt, verhooring der gebeden, uitredding uit allen nood, — ziedaar eenige van de hemelsche schatten, die door Christus, om Christus' wil ons uit Gods goedertierenheid oin niet worden geschonken, en die intusschen nog maar eene voorproef zijn van de eeuwige zaligheid, welke de Zijnen hiernamaals zullen genieten!
Wolk eene schatkamer van goedertierenheid, die zich ontsluit in Christus, en die nog te grooter in onze oogen wordt, wanneer wij bedenken, dat God voor al de goedertierenheid, die Hij den mensch bewijst, geenen anderen dank heeft, dan dien Hij Zelf werkt, want zóó ondankbaar is de mensch, dat hij uit zichzelf Gods goedertierenheid met ondank, met zonde vergeldt. Uit deze schatkamer hebben wij het onwaardeerbare voorrecht, dat wij tot op dezen dag Gods Woord hebben, de spijze, die nu weer een jaar lang onze zielen heeft gevoed, en ook verder kan voeden, — voeden ten eeuwigen leven.
Nu leven wel is waar millioenen menschen op Gods aardbodem in vervreemding van het Evangelie van Christus, maar als wij bedenken, dat alle gave, die God ons voor het tijdelijk leven schenkt, ons alleen om Christus' wil geschonken wordt, dan wordt het ons duidelijk, dat God inderdaad de gansehe aarde doet deelen in de goedertierenheid, die zich ontsluit in Zijnen Christus. Otn Christus' wil behoudt de aarde nog hare plaats in Gods schepping; om Christus' wil wordt de aarde niet weèr als in Noachs dagen door eenen Zondvloed overstroomd; om Christus' wil laat God nog eiken dag Zijne zon opgaan over boozen en goeden; om Christus' wil regent Hij over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; om Christus' wil brengt de aarde op haren gezetten tijd nog voort, wat tot onderhoud van ons tijdelijk leven dient. Zoo was het in de eeuwen vóór ons, zoo in het afgeloopcn jaar, — zoo zal het ook in dit jaar zijn, zoolang Gods zon de aarde beschijnt.
„Heere! de aarde is vol van Uwe goedertierenheid!" roept David uit. „Leer mij Uwe i n z e t t i n g e n ! " voegt hij daaraan onmiddellijk toe.
Hoe komt David tot die bede ? — O, geen mensch heeft van zichzelven een hart voor Gods goedertierenheid, noch zooals zij ons met weldaden voor dit leven alleen, noch zooals zij ons met geestelijke zegeningen zegent, — maar God heeft aan David een hart g e s c h o n k e n , dat Gods goedertierenheid opmerkt en er zich met innerlijke verheuging over verheugt. Wie nu evenals David oog en hart voor Gods goedertierenheid gekregen heeft, die denkt bij zichzelven: Ileere, mijn God, welk een God zijt Gij, groot van goedertierenheid en waarheid! Gij zijt waardig, dat men Uw W o o r d hoort, dat men Uwe i n z e t - t i n g e n kont en er in wandelt, ja daarop hebt Gij recht, — Heere, l e e r mij daarom Uwe inzettingen. — En dewijl Gij zulk een goedertieren God zijt, zoo is ook Uw Woord enkel goedertierenheid, zoodat het mij alleen dan wel zal gaan als ik bij Uwe inzettingen blijf, — mij is dus vóór alles noodig, dat Gij mij Uwe inzettingen leert. — Heere! de aarde is vol vau Uwe goedertierenheid, — ja Uwe goedertierenheid is het, waarvan zij vol is. O, dat ik dit vasthoude en dus U, niet mij, de eere geve, — leer mij daartoe Uwe inzettingen. — Ach, mijn hart is zoo vol verkeerdheid, het is steeds geneigd, op het vergankelijke goed te zien, en den Gever daarvan uit het oog te verliezen, of ook om U alleen om hetgeen vergaat na te loopen, en daarbij de g r o o t s t e gave Uwer goedertierenheid, Uwen Christus, uit het oog te verliezen, te gaan verachten, —• o, leer mij daarom Uwe inzettingen.
Ja, d a t is ons bovenal noodig, dat de Heere, de goedertierene God, ons Zijne inzettingen leere, ons met Zijn Woord onderwijze. Waar wij dan zien, dat Gods goedertierenheid groot en geweldig over ons is, dewijl Hij ons weèr een jaar lang heeft gedragen en verzorgd, en ons nu weèr een nieuw jaar deed intreden, daar zij bij ons de erkentenis, dat Zijne goedertierenheid ons — heden, gisteren, morgen — tot bekeering leidt, d. w. z. onze bekeering bedoelt, d. i. dat wij ons tot H e m keeren, als tot ons hoogste Goed. Wie zich alzóó tot den goedertiereuen God keert, die zal het leeren verstaan: „Uwe goedertierenheid" — zooals zij ons U in Christus doet kennen als onzen verzoenden God en Vader, — „is beter dan het leven" (Ps. 63 : 4). Want, hebben wij Christus, zoo hebben wij alles, — met Hem wil onze God en Vader ons alle dingen schenken, en bezwijkt ons vleesch en ons hart, zoo is God de Rotssteen onzes harten, en ons Deel in eeuwigheid.
Om onze Lezers op d i t Geschenk van Gods goedertierenheid te wijzen, op deze Gave boven alle gaven, de Gave, waarin a l l e goede gave ligt opgesloten, — daartoe gaat ons Blad weêr eenen nieuwen jaargang in. Zegene de Heere, de goedertierene God, de onderwijzing, die het brengt, aan de harten, opdat Zijne inzettingen door ons gekend en bemind worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 januari 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Bij het begin des jaars

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 januari 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken