Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedachten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gedachten

4 minuten leestijd

Het gansche begrip onzer wijsheid (welke alleen voor eene waarachtige en grondige wijsheid te houden is) bestaat bijna in twee stukken, t. w. in de kennis Gods en van onszelf. Doch hoewel deze twee door veel banden te zamen en onder elkander verbonden zijn, zoo is het nochtans zwaar om te oordeelen, welke van deze twee de eerste plaats heeft en een oorsprong is van de andere.


Eene Godvruchtige ziel verdicht zichzelf niet allerlei God, maar aanmerkt alleen den eenigen en waarachtigen; zij schrijft ook aan God niet toe al wat haar behaagt, maar zij houdt zich vergenoegd met zulk eenen, als Hij Zelf Zich bekend maakt, en is altijd met de grootste naarstigheid bezorgd, dat zij niet door eene vermetele lichtvaardigheid buiten Zijnen wil en believen ga en verkeerdelijk afdwale.


Er is voorwaar, gelijk de Heiden Cicero zegt, geene natie zóó barbaarsch, en geen volk zóó wreed en verwilderd, of zjj zijn in hunne gemoederen overtuigd, dat er een God is. En die in andere deelen en trappen van hun leven en wandel allerminst van de wilde dieren verschillen, die houden nochtans gedurig binnen zich eenig zaad en beginsel van den godsdienst, zóó vast kleeft dit gemeen gevoelen der Godheid in de ingewanden van alle menschen. Naardien er van 's werelds begin af geen land, geene stad en eindelijk geen huis is geweest, hetwelk zonder religie heeft kunnen zijn, zoo is daarin te merken eene zekere stilzwijgende bekentenis, dat namelijk de kennis en het gevoelen der Godheid in aller menschen hart is ingeschreven. Ja, de dienst zelfs, dien zij den afgoden betoond hebben, is hiervan een heerlijk bewijs en proefstuk. Wij weten allen, hoe ongaarne de mensch zichzelven vernedert om andere schepselen boven zichzelven te verhoogen. En daarom, dewijl hij liever hout en steen dienen wil, dan gehouden te worden voor een, die geenen God heeft, zoo blijkt daaruit, dat deze indruk der Godheid zeer levendig is, welke zóó moeilijk uit des mensehen gemoed kan uitgewischt worden, dat het lichter is, de gezindheid en drift der natuur te verbreken; gelijk die inderdaad verbroken wordt, dewijl de mensch van de voorzeide natuurlijke hoogheid gewillig en van zelf nederdaalt, en afdaalt tot de veraohtste dingen, om alzóó eenigen god te eeren.


Al is het, dat er eertijds eenigen waren, en ook heden ten dage niet weinigen te voorschijn komen, die ontkennen, dat er een God is, zoo gevoelen zij nochtans nu en dan, hetzij zij het willen of niet, juist datgene, wat zij niet begeeren te weten. Men leest nergens, dat iemand in stouter en ongebondener verachting Gods uitgebroken is dan de keizer Gajus Caligula; en nochtans heeft nooit iemand zóó ellendig geschrikt en gebeefd, wanneer eenig teeken van Gods toorn vertoond werd, en alzóó heeft hij tegen zijnen wil God gevreesd, Dien hij met opzet poogde te versmaden. Dit ziet men ook alom wedervaren aan alle anderen, die hem gelijk zijn. "Want hoe moediger iemand is om God te verachten, zooveel te meer wordt hij ook door het geritsel van een vallend blad ontroerd en verontrust.


Wat David zegt: dat de goddelooze en dwaze menschen in hunne harten zeggen, dat er geen God is, dat wordt vooral verstaan van degenen, die het licht der natuur, dat in hen is, verstikt hebbende, willens zichzelven onverstandig maken, gelijk er vele menschen worden gevonden, die, nadat zij door vermetelheid tot zondigen en door gewoonte verhard zijn, uitzinniglijk alle herinnering aan God van zich stooten, die nochtans vanzelf door het gevoelen der natuur hun inwendig wordt ingegeven. Opdat dan David de uitzinnigheid van deze goddeloozen te aanschouwelijker maken zou, zoo zegt hij van hen, dat zij kortweg loochenen, dat er een God is, niet omdat zij Hem Zijn Goddelijk Wezen ontnemen, maar omdat zij Hem van Zjjn oordeel en voorzienigheid berooven, en als eenen ledigen God binnen den hemel beperken en besluiten. Want dewijl geene zaak onzen God minder past, dan de regeering der wereld van Zich af te wijzen en die aan het toeval en het geluk te vertrouwen, en de schelmstukken der menschen door de vingeren te zien, opdat zij vrij en ongestraft moedwilligheid bedrijven mochten, — zoo is het vast en zeker, dat al de zoodanigen, die de vrees voor het hemelsche gericht uitblusschen, en zichzelven zorgelooslijk vleien, daarmede niet anders doen dan verzaken, dat er een God is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 februari 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Gedachten

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 februari 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken