Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedachten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedachten

5 minuten leestijd

Men voet voor vast houden, dat zich van den eenigen God afscheiden al degenen, die de zuivere religie vervalschen, hetwelk noodzakelijk wedervaren moet eenen iegelijk, die aan zijne eigene meeningen vasthoudt. Dezulken zullen wel zeggen, dat zij dat niet in den zin hebben, maar wat zij voorhebben, of wat zij zichzelven wijsmaken, het doet niet veel tot de zaak, dewijl de Heilige Geest verklaart, dat zij allen te zamen afwjjkers zijn van God, die naar de duisternis en blindheid huns harten duivelen stellen in Zijne plaats. Hierom zegt Paulus, dat de Efeziërs zonder God waren, totdat zij uit het Evangelie geleerd hadden, wat het was den waren God te dienen. En dit zeggen van Paulus moet niet alleen op eene natie of volk toegepast worden, want hij betuigt elders in 't algemeen, dat alle menschen in hunne gedachten verijdeld zijn, nadat hun in het gebouw der wereld de Majesteit des Scheppers geopenbaard was. Daarom is het, dat de Schriftuur, om den eenigen en waren God plaats en herberg te bereiden, als valschheid en leugentaal veroordeelt al hetgeen eertijds onder de Heidenen voor Godheid gehouden en geëerd werd; en zij laat geenen anderen God blijven, dan Die op den berg Zion woont, alwaar de bijzondere kennis Gods groeit en bloeit. Gewisselijk, onder de Heidenen ten tijde van Christus schenen de Samaritanen allernaast te komen bij de ware godsdienstigheid, en nochtans hooren wij uit Christus' mond, dat zij niet wisten, wat zij dienden; waaruit dan volgt, dat zij door eene ijdele dwaling bedrogen waren. Eindelijk, al is het, dat zij niet allen te zamen met grove gebreken bevangen zijn geweest, of in openlijke afgoderij vervallen zijn, zoo was nochtans geene enkele religie, die in 't gemeen gevoelen der natuur gegrond was, goed en aangenaam voor God. Want al is het, dat enkelen met het gemeene volk niet den dollen man gespeeld hebben, zoo blijft nochtans Paulus' leer staan, dat de wijsheid Gods van den overste dezer wereld niet wordt begrepen. Indien de alleruitnemendsten in duisternis gedwaald hebben, wat zullen WÜ z e g g e n v a n het schuim en het gemeene grauw ? Daarom is het geen wonder, dat de Heilige Geest alle godsdiensten, die door der menschen goeddunken versierd zijn, als verkeerd verwerpt; want in de hemelsche verborgenheden is elke meening, die wij van menschen ontvangen hebben, toch eene baarmoeder van dwaling, al is het, dat zij niet altjjd eene groote menigte van dwalingen voortbrengt. En ook al komt er niets ergers bij, zoo blijft toch altoos dit geen kleine misslag, dat men bij geval den onbekenden God aanbidt, waaraan volgens het zeggen van Christus schuldig worden al degenen, die uit de Wet niet zijn onderricht, welken God men dienen moet. En gewisselijk, de beste wetgevers onder de Heidenen zijn niet verder bezorgd geweest, dan dat de religie in het gemeen en eendrachtig gevoelen mocht gegrond zijn.


Zoo veel lampen, als in het gebouw der wereld aangestoken zijn, stralen ons tevergeefs haar licht toe, om de heerlijkheid van den Bouwmeester te verklaren, dewijl zij ons van alle kanten op zoodanige wijze bestralen, dat zij evenwel door zichzelve ons niet kunnen brengen tot den rechten weg. Zij verwekken voorwaar wel eenige vonkjes, doch vonkjes, die verstikt en uitgedoofd worden, voordat zij eenen vollen glans van zich geven. Waarom de Apostel ter zeiver plaats, waar hij de wereld noemt eene schilderij en afbeelding der onzienlijke dingen, terstond daarna ook zegt, dat men door het geloof verstaat, dat zij door het Woord Gods is bereid; alzóó te kennen gevende, dat wel de onzienlijke Godheid door zoodanige tafereelen wordt voor oogen gesteld, maar dat wij geene oogen hebben, om ze te aanschouwen, tenzij dat zij met inwendige openbaring Gods door het geloof verlicht worden. En al» Paulus leert, dat uit de schepping der wereld geopenbaard wordt hetgeen van God moet worden geweten, zoo verstaat hij niet zoodanige openbaring, welke door de scherpzinnigheid der menschen begrepen wordt, maar hij toont veelmeer aan,, dat die niet verder dient, dan om hun alle onschuld te benemen. Dezelve Paulus, al is het, dat hij ergens zegt, dat God niet verre is te zoeken, als Die in ons woont, leert nochtans elders, waartoe zulk eene nabijheid dient en bevorderlijk is. God. zegt hij, heeft in de verledene tijden al de Heidenen laten wandelen, in hunne wegen, hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vroolijkheid. Alhoewel dan God de Heere zonder getuigenis niet is, terwijl Hij door veel en verscheidene goeddadigheid de menschen tot Zijne kennis vriendelijk lokt, zoo laten zij nochtans, daarom niet af, hunne eigene wegen, d. i. hunne doodelijke dwalingen te volgen.


Hoewel het aan der menschen gebrekkelijkheid moet toegeschreven worden, dat zij het zaad en beginsel der kennis Gods, hetwelk door de wonderlijke kunst der natuur in hunne verstanden gestrooid is, terstond verderven, zoodat het tot geene goede en oprechte vrucht opwast, zoo is het nochtans zeer waarachtig, dat wij allen door dit eenvoudig getuigenis, hetwelk de creaturen tot Gods lof zeer heerlijk uitspreken, geenszins genoegzaam worden onderwezen. Want zoo haast als wij eenigen smaak van de Godheid uit de aanschouwing der wereld ontvangen hebben, brengen wij, den waren God terstond voorbijgaande, in Zijne plaats de droomen en spooksels onzer hersenen op het tooneel, daarbij den lof der gerechtigheid, wijsheid, goedheid en macht van God, den rechten oorsprong daarvan, afwijzende en op een maaksel van onze verzinning overbrengende. En voorts verduisteren en verkeeren wij Zijne dagelijksche werken door kwade waardeering en achting alzóó, dat wij aan die werken hunne heerlijkheid, en aan den Werkmeester daarvan Zijnen behoorlijken lof benemen en onttrekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Gedachten

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken