Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 3 : 10 en 11.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 3 : 10 en 11.

15 minuten leestijd

Yers 10. „ D a a r om was Ik v e r t o o r n d over dat ges l a c h t , en s p r a k : A l t i j d d w a l e n zij met h e t h a r t, en z i j h e b b e n M i j n e w e g e n n i e t g e k e n d ." Yers 11. „Zoo h e b I k dan g e z w o r e n in Mijnen toorn: I n d i e n z i j in M i j n e r u s t z u l l e n i n g a a n ."
Deze woorden lezen wij ook in Psalm 95.
Het is heel iets anders, wat God aan een geheel volk doet, dan dat Hij Zijne genade aan eenen enkelen mensch verheerlijkt. De genade is er, zij stoort zich aan niets; dat neemt echter niet weg, dat men onder deze genade ook omkomen kan. Dat ligt dan echter niet aan de genade, niet aan God, maar aan den mensch, die zich tegen de genade heeft willen handhaven. Zoo kan ik dus gerust zeggen, dat de genade algemeen is; en wederom is dit eene leugen des duivels! zij is er slechts voor de uitverkorenen, — en nochtans voor allen.
Zooals wij gezien hebben, wordt in Psalm 95 Christus ons voorgesteld als eene rots. Nu komen de golven en willen voor en na deze Rots vergruizen. Maar God is als het ware in de Rots, en zoo worden de bruisende golven teruggeworpen. — Dat is de beteekenis van Vers 10.
Wanneer God eenen mensch het verkeerde hart liet, wat dan? Maar dat doet God niet. Wanneer iemand verzinkt en den ondergang nabij is, en zich voor God nederwerpt en belijdt: „Ik ben vleesch", dan zal God hem voor omkomen bewaren.
Nu zegt God van het volk in de woeatjjn : „ A l t i j d dwalen z i j met het h a r t " . Wat is dat? De mensch denkt van God anders, dan hij moest. Het hart heeft altijd kwade gedachten, wil altijd andere wegen, dan die, welke God verkiest. „Dwalen" is, dat men van den goeden weg, dien God gesteld heeft, afgaat, in plaats van steeds te blijven, waar men door God gezet is, d. w. z. van Christus niet af te wijken. De zaak van het waarachtige leven wordt vastgehouden, waar men met het hart God en de genade verkiest. Waar echter het hart daarvan af is, daar kan God niet vasthouden, en geen mensch is in staat vast te houden. — Gods Woord is alleen betrouwbaar. Sanherib kan alle macht hebben, en Jerusalem zich niet meer kunnen staande houden, — Gods Woord is echter machtiger dan Sanherib. Hij heeft hemel en aarde gemaakt.
Altijd verkeerd van God denken, — ja dat doen wij, en daarbij heeft men gerechtigheid naar eigen meening, en zonden naar eigen meening. Zoo is men altijd met het hart van God af.
„En z i j — juist zij — h e b b e n Mijne w e g e n n i et g e k e n d . ' ' — Gods wegen zijn anders dan de onze. Wanneer een kind in het tandjes krijgen is, heeft men dan den tijd niet af te wachten, tot zij er zijn? Wat kan men er aan doen? En moet de mensch in de zaak der zaligheid niet evenzoo Gods tijd afwachten? moet hij niet bij de ontferming blijven, op Gods Woord wachten, opdat een stroom van genade over hem uitgestort worde? — Waar God Zijn leven verheerlijken wil, doet Hij het in den dood van Zijn volk. Daar mag Jona opgeslokt zijn, hij komt toch weêr te voorschijn. — Gods wegen zijn deze, dat er eerst eene hellevaart is, en dan gaat het naar boven. Het is alles, zooals wij het in de schepping der natuur zien: alles heefc zijnen tijd en zijne plaats, —niets is te weinig, niets te veel. Zóó is het ook in de schepping der genade. — Wil God Zijno genade verheerlijken, dan zullen de zonden woeden en razen, zooals nooit te voren, — dan komt de duivel, om den mensch steeds dieper te doen zinken, of men het Woord des Evangelies mocht prijsgeven; dan schijnt het den mensch toe, alsof de weg, waarop hij zich bevindt, des duivels weg is, en — velen keeren terug.
God hoeft meer te doen, dan Zich alleen met ons, geringe schepselen, bezig te houden; Hij heeft Zijnen grooten Naam te verheerlijken daarboven, te verheerlijken Zijne gerechtigheid voor de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, en die Hij gebonden heeft met banden der duisternis. De duivel en de wereld zullen ervaren, dat Zijne werken groot zijn.
Gods wil is en blijft het, dat de mensch aan de genade vasthoudt, en als de mensch dat doet, dan zal hij ervaren, dat God eenen mensch staande houdt. Dat verstaat niemand dan hij, die zonde heeft, en evenwel lust tot Gods gebod heeft, die begeert verlost te zijn; — de zoodanige is wel is waar zóó gebonden, dat hij zich niet verroeren kan, maar uit den kuil roept hij tot God.
Maar juist zij, van wie men het verwachten zou, dat zij den weg Gods kenden, weten er niets van! Ach, kan men dan niet bij de waarheid blijven, dat Christus moet lijden en zóó tot de heerlijkheid ingaan? Dat nu is het rechte lijden: hoe ook de zonden ons benauwen, den duivel geenen voetbreed gronds gegund, maar Jezus vastgehouden. — Het volk verstond dat niet, omdat het zijne zonde niet gevoelde, en tevreden was met eenen dronk waters, zonder naar het hemelsche Kanaiin te vragen.
Wel hem, aan wien God zulks openbaart, die uit God geboren is, om eens den hemel te beërven. God geeft de genade in het hart, inzonderheid wanneer men jong is; dan ziet men op de Wet, en is niet tevreden, totdat God genoegdoening heeft, en zoo ziet men dan op het geslachte Lam.
Als men Vers 10 en 11 leest, dan zou men denken, dat de rust, waarvan hier sprake is, gekomen is, nadat God al datgene, waarop Vers 10 doelt, van de menschen ondervonden had, Dat is echter niet zoo. God bedoelt er meê, dat het zóó gekomen is, als Hij gezworen heeft, en dat dus Zijn eed gerechtvaardigd is.
Acht en dertig jaren heeft het volk zich niet anders gedragen. Dat God acht en dertig jaren te voren dezen eed gezworen heeft, zien wij uit Num. 13, waar wij de geschiedenis lezen van de door Moze3 uitgezonden verspieders. Waartje liet God het land verspieden ? Hij wilde, dat de kinderen Israëls zoulen weten, welk een heerlijk land het was, dat Hij voor hen bereid had (Vs. 1 en 2), opdat zij dus in de woestijn zouden leven in de hoop, zulk een goed land te zullen beërven. Klein was het land, vergeleken met alle andere landen, maar zulk een goed en machtig land, als het destijds was, is er nooit op aarde geweest, tenzij Holland in de nieuwe geschiedenis. Zij zouden dus dat land, dat tal van steden telde, dat een land van louter heerlijkheid was, eens zien. Als Mozes nu mannen uitzendt, om het land Kanaan te verspieden, noemt hij Hosea, den zoon van Nun, met den naam Josua (Ys. 16). Yoorts zegt hij : „Beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont" (Ys. 18—20), alsof hij dat niet wist. Maar als ik u den weg ten hemel beschrijf, dan zal de een zeggen: het volk daarop is sterk; de ander: het is zwak; — de een: het is vet; de ander: het is mager.
Mozes had Hosea du? Josua genoemd. Hosea beteekent: Yerlos, — gij zoon van Nun, uit den stam van Efraïm, die daar alzóó staat, dat Ik aan u Mijne vrucht heb. Mozes zeide, toen hij hem dien naam Josua gaf: Hij zal verlossen. — „Hosea": „Yerlos gij!" dat is de naam, dien de kinderen meekrijgen op den weg des levens. En „Jesus": „Hij zal verlossen", — ook dezen Naam krijgt het kind mêe op den levensweg. Wat dit woord zegt: „Hij zal verlossen", dat kan zelfs de grijsaard nog niet vasthouden en bewaren; steeds heet het: „O die kinderen Enaks!" Wat vermocht echter David niet al met dezen Naam!
Yers 30: „Kaleb stilde het volk voor Mozes en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten, want wij zullen dat voorzeker overweldigen". Waarom? Omdat God het gezegd heeft, zullen wij de zonde overweldigen. Heeft Hij niet gezegd: Gij zult Hem Jesus heeten, want Hij zal verlossen? Kunnen wij dus niet zingen : „Dood, waar is uw prikkel ? hel, waar is uwe overwinning?" Zijn dat leugens? Neen, waarheden zijn het! Wij zullen ze zeker overweldigen! Er zijn geene reuzen, die Gods volk vernielen. Het kleine volk kan, wat in Psalm 105 gezegd wordt. — Vers 31 : „Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij". Wat deert het ons echter, dat dood, duivel, zonde en wereld ons te sterk zijn ? Den Heere zijn zij toch niet te sterk! — Yers 32: „Het volk, hetwelk wij in het midden van dat land gezien hebben, zijn mannen van groote lengte". Do hand in den boezem! Hoe velen zijn er onder ons, — God kent ze,— die, als zij voor aanzienlijke menschen staan, evenzoo doen? — Yers 33: „Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze oogen, alzoo waren wij ook in hunne oogen". Laat ons voor Gods oogen zijn als sprinkhanen Wanneer wij voor Gods oogen zijn als sprinkhanen, dan zullen wij de reuzen wel aanzien zooals David en zeggen: „Gij hebt den levenden God gehoond!" en voorwaar, de reus ligt eensklaps ter aarde! — Wat groot is voor de wereld, is in Gods oogen klein; wat daarentegen klein is voor God, is voor de wereld machtig en heerlijk. — Zoo ging het ook Hizkia, toen de gezanten van den koning van Babel tot hem kwamen. Toen dacht hij: Die aanzienlijke mannen komen tot mij, dat zijn toch nog vrome menschen, zij hebben immers ook nog van den Heere gesproken! — en zoo heeft hij dan duizend buigingen gemaakt. Zoo was hij in zijne en in hunne oogen als een sprinkhaan.
Deze geschiedenis is eene prediking, die eene machtige werking heeft. Intusschen, alle kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en Aaron, zeggende: „Waarom brengt ons de Heere naar dat land ? Zou het ons niet goed zijn, naar Egypte weder te keeren?" (Num. 14: 3.) Daarentegen lezen wij van Josua en Kaleb, dat zij zeiden: „ Yreest gij het volk dezes lands niet, want hunne schaduw is van hen geweken, en de Heere is met ons", — Die doet het, en daarvoor vreest alles.
Deze geschiedenis is eene prediking, die eene machtige werking heeft. Intusschen, alle kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en Aaron, zeggende: „Waarom brengt ons de Heere naar dat land ? Zou het ons niet goed zijn, naar Egypte weder te keeren?" (Num. 14: 3.) Daarentegen lezen wij van Josua en Kaleb, dat zij zeiden: „ Yreest gij het volk dezes lands niet, want hunne schaduw is van hen geweken, en de Heere is met ons", — Die doet het, en daarvoor vreest alles.
Zie op Jesus ter Rechterhand des Yaders, wees in uwe eigene oogen een worm, des eeuwigen levens onwaardig, maar volhard gij in dezen dorst bij den Rotssteen, en ondervind daar te midden van de zwakheid de wondermacht Zijner genade, zoo zult gij bevinden, dat Hij zóó groot is, dat Zijn hoofd tot in den hemel reikt, terwijl Hij met den eenen voet op de aarde en met den anderen op de zee rust. Er zal niets zijn, wanneer Hij het niet gebiedt, en geen ander zal het land hebben, dat Hij aan het volk gezworen heeft te zullen geven. Alsdan is de schaduw geweken van alle menschen, van alle machtigen en duivelen, en ook alle zonden hebben hare schaduw verloren. Dat zijn leelijke dingen, die geene schaduw hebben, die zijn aan dorre boomen gelijk. — Maar over Zijn volk breidt de Heere Zijne vleugelen uit, Hij bedekt het met Zijne genade, en zoo geeft het volk eene schaduw van zich, dat de duivel er voor beeft. Daarom zeide ook Josua: „Hunne schaduw is van hen geweken".
Daarop zeide het volk, dat men Mozes, Aaron, Josua en Kaleb zou steenigen. Toen verscheen de heerlijkheid des Heeren, d. i. de Heere Jesus in de heerlijkheid des Yaders. De Heere wilde het volk verdelgen en Mozes tot een grooter en sterker volk maken Doch Mozes zegt (zie Ys. 13—16): Heere, Uw volk heeft wel is waar Uwen Naam gelasterd, maar laat Uw Naam toch niet gelasterd worden door de Heidenen, — „nu dan, laat toch de kracht des Heeren groot worden" . . . . Welke kracht? De kracht, die datgene vermag te doen, waarvan ieder mensch moest zeggen: Dat kan ik niet meer doen! dat laat mijne eer niet toe! „Gelijk Gij gesproken hebt", zóó gaat Mozes voort, „zeggende: De Heere is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en vierde lid" (Ys. 18). Straffen moet God, — Hij kan niet anders; maar bij het bezoeken der ongerechtigheid blijft Hij des ontfermens gedachtig. „Vergeef toch" — bidt Mozes — „de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt" (Vs. 19). „En de Heere zeide: Ik heb huil vergeven naar uw woord" (Vs. 20).
Vers 11. „Zoo heb I k dan gezworen in M i j n en t o o r n : I n d i e n zij in M i j n e rust z u l l e n ingaan.'' Dezen eed vinden wij ook Num. 14 : 21—23 en 28- 35.
De r u s t Gods was de rust, die God beloofd had, vooreerst de rust in het land Kanaiin, voorts de rust in den hemel. God heeft aan het volk Israël beloften gegeven niet alleen voor dit, maar ook voor het toekomende leven. Wanneer Hij tot dit volk zeide: „Ik ben de Ileere, uw God", dan bedoelde Hij niet: hun God, als een God der Joden, — maar dat Hij was hun God, Christus, Heiland, Borg, hun Verlosser van zonde, duivel en dood.
Toen God Zijn volk door de Roode Zee leidde, leidde Hij lien door de macht des duivels en des doods heen, en toen zij naar Kanaiin reisden, reisden zij naar het land, dat hierbeneden niet ligt. Zij betraden den weg naar dat zichtbare land, maar gingen langs dezen weg de eeuwige heerlijkheid in. De eeuwige heerlijkheid, de rust, noemt God: Zijne rust.
Gelijk God tweemaal is opgestaan van Zijnen troon, zoo heeft Hij ook tweemaal gerust. Vooreerst nadat God hemel en aarde gemaakt had, niet om Zijnentwil, maar om der menschen wil, en nu alles voor den menseh gereed was, alzóó dat Hij voor hem gezorgd had, zooals eene moeder voor haar pasgeboren kind, — toen hield God op te scheppen en heiligde den zevenden dag. — Andermaal stond God op van Zijnen troon, liet Zich aan het kruis nagelen en rustte op Golgotha, om zóó in het aanzijn te roepen de schepping Zijner genade; — alles, wat wij lezen in het Oude Testament, is schaduw van het onzichtbare en eeuwige.
Het volk zou gehad hebben, wat een volk ook nu nog kan hebben: overvloed van zegen, huizen met menigte van have en goed, rust hierbeneden, en daarna bovendien den hemel. Maar het arme volk, dat door God uit Egypte werd geleid, heeft er zijn oog voor gesloten, het hoorde niet naar de stem, die tot hen zeide: „Houdt u aan Mij! laat varen uwe begeerte, en gij zult verzadigd worden uit de volheid van alle heil", maar verkoos het genot van het oogenblik, en daarvoor verloor het de eeuwige vreugde. Dat lag in den eed, dien God zwoer.
God rechtvaardigt dezen eed, dien Hij veertig jaren te voren zwoer, door het feit, dat het volk niet ophield zich tegen de genade te verzetten. Wat het hoofd is, wordt tot staart, — wat groot is, gaat te niet, — wat heerlijk is, vervalt in de woestijn, omdat het niet blijft bij de genade.
God ontfermt Zich niet alleen over eene Gemeente van honderd personen, maar ook over een geheel land. Zoo ontfermde Hij Zich over Holland, toen Hij het Zijn Woord gaf, en zoolang het daarbij bleef, was het machtig, — totdat het, hoewel het volle licht der waarheid hebbende, de ydelheid naliep en Gods Woord van zich stiet. Toen heeft God ook moeten zweren in Zijnen toorn, en toen sprak Hij op eenen Sabbat door eenen sterfelijken mensch, en de woorden zijn in vervulling gegaan.
Genadig is God, en naar Zijne genade ontfermt Hij Zich bovenmate over een land of over eene stad, maakt ze groot, en maakt Zijn Woord groot. God is echter ook een God, Die toornt, Die Zijn Woord weet te handhaven; en wanneer er morgen of overmorgen gevraagd wordt: „Vanwaar deze plaag, vanwaar deze benauwdheid?" dan zegge men vrijmoedig, vanwaar zij komt: God is een rechtvaardig God, en wil men zich niet bekeeren, dan heeft Hij Zijn zwaard gewet en Zijnen boog gespannen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 maart 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 3 : 10 en 11.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 maart 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken