Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 4 : 1 — 3

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 4 : 1 — 3 " .

11 minuten leestijd

Dit 4dl! Hoofdstuk is moeilijk uit te leggen, moeilijk te verstaan, en nog moeilijker in practijk te brengen. Tot Vers 3 zal men het verstaan, — maar dan de volgende Verzen, tot Vers 7!
V e r s l . „ L a a t o n s d a n v r e e z e n , d a t n i e t t e e e n i g er t i j d , de b e l o f t e v a n in Z i j n e r u s t in t e g a a n n a g e - l a t e n z i j n d e , i e m a n d v a n u s c h i j n e a c h t e r g e b l e v en t e z i j n."
„Laat ons dan vreezen'', d. w. z.: zorg dragen. De belofte van in te gaan in de rust Gods is er nog; zij is nog niet ten einde toe vervuld, zij blijft nog onder ons; maar de menschen, die het eerst het Evangelie ontvangen hebben, die in Israël, hebben de belofte niet geacht. De rust is e r ; God heeft de belofte niet teruggenomen, en zoodra men ze gelooft, is zij vervuld. Nu gaat het er om, dat niet iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Ik zeg niet: dat hij achtergebleven zij, dat hij te laat gekomen zij, maar: dat hij er den schijn niet van hebbe. Het staat hiermee als in de gelijkenis der tien maagden; de dwaze maagden hadden er niet voor gezorgd, olie in hare vaten te hebben, om hare lampen van olie te voorzien; zoo kwamen zij te laat.
Wij hebben daarom noodig, te zorgen, dat wij niet schijnen achtergebleven te zijn. Gewoonlijk ligt in het hart des menschen vreeze om de genade aan te grijpen; de duivel schrikt hem daarvan af, — zijn hart zegt hem: „Dat is niet voor u !" en dewijl men niet gelooft, blijft men hinken op twee gedachten, is ongestadig, men wil gelooven en gelooft niet. Altijd laat men wegens de zonde na de gerechtigheid aan te grijpen, welke alleen voor God geldt.
Wanneer nu het Woord van genade en ontferming komt, dan is het de tijd, dan is de gelegenheid er, om zich op te maken en het Woord aan te grijpen, en zich geene rust te gunnen, vóór men het gegrepen heeft.
God heeft als de Eerste den mensch opgezocht, hem het Woord van genade, Zijnen Christus gegeven, en waar God nu ook de Laatste is, zoodat Hij niet laat varen do werken Zijner handen, — kan men daar niet getroost het Woord aaugrijpen en het daarmee wagen .
Waarom zijn de Israëlieten gevallen? Omdat zij zich niet lieten overreden, d. i. niet geloofden. Er zijn velen, die gelooven, d. i. die zich het geloof opdringen ; dat is echter geene rust. Velen laten zich echter ook weerhouden door het bedenken der zonde, dewijl zij meenen, eerst dit en dat te moeten doen of laten, vóór zij zouden kunnen weten, dat God hun genadig is. Zoo is het noodig, dat een mensch niet schijne achtergebleven te zijn, maar waar God hem Zijne barmhartigheid aanbiedt, ze ook aanneme, naardien God ze hem onverdiend schenkt.
Wij hebben daarvoor reden, omdat wij een voorbeeld hebben aan degenen, die achtergebleven zijn, en wijl God ons in Zijne barmhartigheid Zijn dierbaar Evangelie gegeven heeft. H ij h e e f t h e t o n s g e g e v e n , g e l i j k H i j h e t h u n g e g e v en h e e f t , die in de woestijn gevallen zijn. De Apostel bedoelt dit niet zóó, dat hun gepredikt is, dat zij slechts in het beloofde land zouden komen, en niet in den hemel, maar hjj bedoelt, dat hun gebracht is de blijde boodschap van genade en ontferming, de boodschap, dat den Heere God niets in den weg staat, dat al onze zonden, onze gruwelen en ongerechtigheden Hem niet in den weg staan, om ons genadig te zijn.
God is in Zijne rust ingegaan, G o d h e e f t r u s t . Wat wil dat zeggen? Het wil niet zeggen, dat de toorn weggenomen is, maar dat God Zijnen lust daarin heeft, dat het Woord, dat uit Zijnen mond gegaan is, gehoorzaamd worde, dat het zijne eer wederhebbe, dat aan zijne gerechtigheid, die door ons geschonden is, volkomen genoegdoening geschied zij. Dat is de rust, waarin God rust, en waarin Hij opneemt, al wie zegt: „Ik zal opstaan en tot mijnen Vader gaan, en ik zal zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U".
God kan alsnu eenen mensch genadig en genegen zijn, Hij kan opnemen en troosten den armen zondaar, dewijl Hij in Zijne rust is en Zich in Zijne werken verlustigt, want Hij heeft het nu, zooals Hij het wil.
Dat is ons gepredikt, gelijk het den kinderen Israëls gepredikt is. Wij behoeven slechts eenen blik te slaan in het vijfde Boek van Mozes: daar stroomt het volk genade en ontferming toe, en alleen het verkeerd beschouwen van de Wet van Mozes heeft gemaakt, dat de Israëlieten niet ingegaan zijn.
M a a r h e t W o o r d d e r p r e d i k i n g d e e d h u n g e en n u t , d e w i j l h e t met h e t g e l o o f n i e t g e m e n g d was i n d e g e n e n , d i e h e t g e h o o r d h e b b e n . " Naar deze uitspraak kan het Woord op zichzelf niets doen; God eischt van 's menschen zijde geloof aan Zijn Woord, dat de mensch God voor een eerlijk Man houde, voor zulk eenen God, Die, wanneer Hij iets zegt, het tot ons welzijn zegt. Dat is het vreesehjkste, dat men God verdenkt, Zijne woorden en daden miskent en tot Hem zegt: „Uwe bevelen zijn voor mij niet geschikt". Wat God zegt, dat zegt Hij in eeuwige wijsheid en van harte, opdat de mensch het goed hebbe; doch is er van 's menschen zijde geen geloof aan dit Woord, dan kan God hem niet helpen. Ik kan hier niet daarvan spreken, dat de Heilige Geest het geloof werkt, dat het den mensch uit zichzelven onmogelijk is te gelooven, — maar hier moet ik er van spreken, dat wij vóór ons het voorbeeld hebben, wat er van de menschen geworden is, die het Evangelie gehoord, maar het niet geloofd hebben. Ik kan slechts daarvan spreken, dat men te gelooven heeft aan Gods Woord, en daar kan ik niet vragen: „Kan ik, of kan ik niet?" — maar ik heb te vragen: „Kunt gij zalig zijn, wanneer gij niet in de rust Gods ingegaan zijt?" En daar moet het antwoord immers luiden: Neen. Waar mea dan niet weet, hoe laDg men leven zal, is daar niet een „moeten" voor den mensch, dat hij in de rust ingegaan zij ? Weet men het, dat men zonder God is, — weet men het nog niet bepaald, of men eenen trouwen God heeft, — dan moet men zich immers opmaken, dat men geloove het Woord van vergeving, het Woord van troost.
Hoe komt het, dat God met eenen mensch is, zoodat het Woord hem helpt, zoodat het Woord er hem als het ware voor instaat: „Gij wordt zalig"? Het Woord vermengt zich met het geloof, en daar is het geloof in den mensch, daar worden het Woord Gods en het geloof tot één ding; daar brengt het Woord datgene met zich, wat God beloofd heeft; daar komt het gewis, wat het Woord met zich brengt.
Vers 3. „ W a n t w i j , d i e g e l o o f d h e b b e n , g a a n in d e r u s t , g e l i j k H i j g e z e g d t e e f t : Zoo h e b I k d an g e z w o r e n in M i j n e n t o o r n : I n d i e n z i j z u l l e n ing a a n in M i j n e r u s t !"
Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hoofdst. 11 : 6), zonder geloof gaat men niet in de rust in. Daarom schrijft de Apostel: „ w i j , d i e g e l o o f d h e b b e n " . Dat is de deur, waardoor men in de rust ingaat: dat men gelooft, — niet dat men werken heeft, en niet dat men naar het Levietische priesterdom zich voor rein houdt; — maar God eischt, dat men Hem voor een eerlijk Man houdt, Die genadig is, omdat Hij genadig is, zonder eenig werk in aanmerking te nemen.
Daarom wij, die geloofd hebben, gaan in de rust. Dat bewijst de Apostel daarmede, dat hij schrijft: „Zoo heb lk d a n g e z w o r e n in M i j n e n t o o r n : I n d i e n zij z u l l en i n g a a n in M i j n e r u s t ! " Eigenaardig bewijs! Naar dit "Vers uit den 95sten Psalm moest het eigenlijk heeten : Waar wij niet gelooven, gaan wij niet in de rust. Maar juist in het woord: „Zoo heb Ik dan gezworen, enz." heeft Paulus zijn leven gevonden.
Dat gaat zóó toe: vele zonden, veel nood; dat drijft tot het Woord, daarin vindt men God, en de ziel wordt getroost, zij neemt de genade aan. Maar nieuwe zonde, nieuwe nood vertoont zich, en nu heeft men den moed niet, om tot God te gaan, tot den troon der genade, en den hemel binnen te treden, om genade te ontvangen. God troost echter bovenmate. Ten laatste wordt het met de verlorenheid zóó, dat men den troost niet meer aannemen kan, en daar staat men voor het Woord, en hetgeen troost slaat terneder, en waar men leven wilde zoeken, vindt men verdoemenis, — totdat de nood weêr buitengewoon groot wordt. Dan leert men God anders kennen, en wel zóó, dat Hij spreekt: „Als gij u niet geheel aan Mij overgeeft, gaat gij niet in, maar hebt Mijnen toorn te verwachten!" Tot nu toe liet de mensch zich weêrhouden door het bedenken van Gods toorn, denkende: God zal mij wegens mijne zonden verstooten. Nu echter leert hij het anders : Gods toorn is in het bloed van Jesus Christus gestild, maar wanneer ik mij nu niet aan Hem overgeef, zooals ik ben, dan kom ik om! Zoo ziet men het dan in, dat God daarover toornt, dat een mensch meent, dat hij iets moet worden, en zich zóó laat afhouden van het eeuwige geluk. Dat wekt den toorn op, en daarom zal ook Jesus Christus ten dage des gerichts toornen, omdat men den Yader niet de eer gegeven heeft, omdat men de reiniging van zonden niet gezocht heeft in het bloed des Lams.
Als een menBch, getroffen door den donder der wet, ter aarde ligt, en gaarne verlost zou willen zijn, dan ga hij tot God, — de gansche hemel staat voor hem open; daarboven is een Vader, om hem op te nemen en aan Zijn hart te leggen, — een Hoogepriester, Die al onze zonden verzoent, — een Koning, Die Zijn eigendom wel bewaart. Daarentegen is Gods toorn ontbrand over degenen, die wat willen zijn en God den Heere nooit voor Zijne ontferming loven Een mensch is voor God gansch en al een zondaar, en hier is het „óf — ó f ": öf in de rust Gods ingegaan, óf gebleven onder Zijnen toorn.
Wie echter gaarne in de rust Gods zou ingaan, grijpe het Woord aan, en houde daarmee niet op, totdat hij gelooft: ik ben met lichaam en ziel het eigendom van mijnen dierbaren Heere en Zaligmaker Jesus Christus. Juist in dezen eed wekt God de Zijnen op, daarmee lokt Hij hen, en terwijl Hij zegt: „Ik wil u niet", brengt Hij het daarheen, dat zij ingebracht worden; en deze woorden: „Zoo heb Ik dan gezworen, enz." zijn ons een bewijs, dat wij ingaan in de rust, want in dit woord, in dezen eed Gods staat het vast, dat God het zóó gemaakt heeft, dat het met alle heiligheid, alle werk, allen roem des vleeBches uit is, en een mensch niets heeft, en nochtans alles, dat is: genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 24 April 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen. HOOFDSTUK 4 : 1 — 3

Bekijk de hele uitgave van Sunday 24 April 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken