Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedachten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gedachten

5 minuten leestijd

Zoo dikwijls als wij God noemen den Schepper des hemels en der aarde, zoo laat meteen ons in den zin komen, dat de uitdeeling en bediening van al die dingen, die Hij gemaakt heeft, staat in Zijne macht en souvereine hoogheid, en dat wij Zijne kinderen zijn, die Hij in Zijne getrouwigheid en opzicht aangenomen heeft te voeden en op te kweeken; opdat wij de somme alles goeds van Hem alleen verwachten, en met verzekerdheid hopen, dat Hij nimmermeer zal dulden, dat wij gebrek zouden hebben van iets, dat tot onze zaligheid dienstig is, en onze hoop niet vestigen op iets anders, opdat wij in al onze begeerten onze beden en wenschen tot Hem richten; en met dankzegging bekennen en belijden, dat al het genot, dat wij uit eenig ding genieten, niet anders is dan Zijn zegen en weldaad; opdat wij, door zoo groote liefelijkheid Zijner goedheid en weldadigheid getrokken zijnde, Hem van ganschen gemoede zoeken te beminnen en te dienen.


God te maken tot zulk eenen ongedurigen en tijdelijken schepper, die alleenlijk voor eens zijn werk volbracht en daarmede opgehouden zou hebben, dat ware al te koud en mager van Hem te gevoelen. En hierin behooren wij voornamelijk te verschillen van de onheilige menschen, dat ons de tegenwoordigheid van Gods kracht niet minder blijke in het voortdurend bestaan der wereld, dan in haren eersten oorsprong. Want al is het, dat ook de harten der goddeloozen door het aanschouwen van hemel en aarde gedwongen worden zich tot den Schepper te verheffen, zoo heeft nochtans het geloof zijne bijzondere en eigene wijze, waardoor het Gode den vollen lof der schepping toeschrijft. Hiertoe dient liet zeggen des Apostels, dat wij niet dan door het geloof verstaan, dat de wereld door Gods Woord geschapen is: want indien wij niet opklimmen tot Zijne voorzienigheid, zoo verstaan wij toch niet recht, wat het zij, dat God de Schepper is, al is het, dat wij schijnen het met het verstand te begrijpen en met de tong te belijden.


Wanneer het verstand des vleesches Gods kracht, die in de schepping uitblinkt, zichzelf eenmaal heeft voorgesteld, zoo blijft het daar stilstaan, en als het zoo ver mogelijk gaat, zoo doet het niet meer, dan dat het, in de voortbrenging van zulk een pronkstuk, des Werkmeesters wijsheid, mogendheid en goedheid (die zichzelf vanzelf bekendmaken en zelfs vertoonen aan degenen, die niet willen zien) overweegt, en in de onderhouding en regeering van dat pronkstuk alleen bemerkt eene zekere algemeene werking (fods, waaruit in alle dingen ontstaat de kracht, om zichzelf te roeren en te bewegen. Eindelijk wijst het er ook op, dat het vermogen, hetwelk God in den beginne in alle dingen heeft ingestort, genoegzaam is, om ze in hun wezen en staat te onderhouden. Maar het geloof moet gewisselijk hooger opstijgen, te weten, dat het terstond versta en begrijpe, dat Hij, Die de Schepper is van alles, ook is Degene, Diealles regeert en onderhoudt, niet als door eene zekere algemeene beweging de gansche wereld en al hare deelen aandoende, maar door eene bijzondere voorzienigheid elk ding, dat Hij geschapen heeft, zelfs tot het minste muschje toe, ophoudende, voedende en verzorgende.


Dat al de deelen der wereld in 't gemeen onderhouden en bekrachtigd worden door een verborgen inblazen Gods, dat wordt wel van de philosofen geleerd en van des menschen verstand begrepen. Maar ondertusschen klimmen zij niet op tot die hoogte, die door David bereikt wordt, en waarheen hij ook alle Godvruchtigen met zich optrekt, als hij zegt: „Zij allen wachten op U, dat Gij hun hunne spijze geeft te zijner tijd. Geeft gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uwe hand open, zjj worden met goed verzadigd. Verbergt Gij Uw Aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof". En al is het, dat de gemelde philosofen toestemmen in het zeggen van Paulus, te weten, dat wij in God zijn en leven en ons bewegen, zoo zijn zij nochtans zeer verre van het ernstig beseffen van die genade, die door Paulus wordt aangeprezen: overmits zij niet proeven die bijzondere voorzorg Gods, uit welke Zijne Vaderlijke liefdeen gunst alleen verstaan en bekend wordt.


Wat belangt de dingen, die geen leven hebben, moet men weten, dat alhoewel aan een ieder derzelve zijne natuurlijke eigenschap inwoont, zij nochtans hierdoor niet hunne eigene kracht en werking bewijzen, dan in zooverre die door de bij wezende hand Gods bestuurd worden. Zij zijn dan niet anders dan instrumenten, denwelken God geduriglijk zoo veel vermogen, als Hij wil, instort, en tot dit of dat werk naar Zijn goeddunken buigt en keert.


Dewijl wij lezen, dat de zon twee dagen lang in éénen graad op de begeerte en bede van Josua is blijven staan, en dat hare schaduw ten behoeve van den koning Hizkia tien graden achterwaarts en teruggeweken is, zoo laat ons daaruit leeren, dat God door die weinige wonderwerken betuigd heeft, dat de zon eiken dag dus niet door eene blinde ingeving van de natuur op- en ondergaat, of Hij Zelf regeert en stiert haren loop, om ons bewustzijn te verlevendigen met het gevoel van Vaderlijke gunst en liefde jegens ons. Er is niets, dat meer natuurlijk is, dan dat de lente op den winter, de zomer op de lente, en de herfst op den zomer bij beurten volgt. Maar in deze ordening wordt zoo groote en ongelijke verscheidenheid gespeurd, dat men lichtelijk ziet, dat ieder jaar, maand en dag door eene nieuwe en bijzondere voorzienigheid wordt beheerscht en geregeerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Gedachten

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken