Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus

Vraag en Antwoord 127,

18 minuten leestijd

De zesde bede van het „Onze Vader" luidt aldus: „Leid o n s n i e t in v e r z o e k i n g , m a a r v e r l o s ons v a n den b o o z e " . Hier doet zich terstond de vraag voor: Leidt God den mensch dan in verzoeking, dat de Heere Jesus ons leert: „Leid ons niet in verzoeking"? De Apostel Jakobus schrijft immers: „Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheden afgetrokken en verleid wordt" (1 : 13 en 14). Ongetwijfeld verzoekt God niet tot het kwade, alzóó dat Hij er een welgevallen in zou hebben, dat een mensch in zonde valt en verloren gaat. Hij is nimmer oorzaak van de zonde, neen, wij hebben steeds bij onszelf de schuld te zoeken, en mogen ze nooit op God werpen. En evenwel, ofschoon God niet tot het kwade verzoekt, lezen wij toch meermalen in de Heilige Schrift, dat God den mensch verzoekt of in verzoeking brengt. En dat kan op onderscheidene wijzen geschieden. Zoo lezen wij Gen. 22 : 1 : „Het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht", — God eischte van Abraham nml., dat hij Hem zijnen zoon Izak zou offeren. Dat was eene ontzettend zware verzoeking. Maar God wilde het voor duivel en wereld, ja ook voor het eigen geweten van Abraham openbaren, dat Z i j n goud, het goud, dat H ij geschapen heeft, echt goud is, — dat als Hij, God de Heere, eenen goddelooze rechtvaardig spreekt, zoodat hij uit geloof rechtvaardig geworden is, zonder werken der wet, dat er juist dan eene ware gehoorzaamheid en ware goede werken zijn. — Om dezelfde reden liet de Heere den duivel toe, dat hij Job in den smeltkroes wierp en in verzoeking bracht; het zou voor den Satan, die het werk Gods in Job verdacht maakte, openbaar worden, dat nochtans ook in de heetste aanvechting en liet bitterste lijden de belijdenis in het hart leefde en er in bleef: „Ik weet, mijn Verlosser leeft". — Wederom verzoekt God den mensch, d. i. Hij stelt hem op de proef, wanneer hij eene goede meening van zichzelf heeft, wanneer hij zich voor vroom en rechtvaardig houdt, wanneer hij zich op zijn hart verlaat. Dan leert God hem in de verzoeking, dat die mensch een dwaas is, die zich op zijn hart verlaat, dat al de roem van onze zoogenaamde goede werken als ij delheid openbaar wordt, als ij del heid onze goede wil, als ij delheid onze eigene vroomheid en gerechtigheid, wanneer God de hand Zijner genade van ons aftrekt en wij meenen op eigen beenen te kunnen staan. Daarom zegt Mozes Deut. 8 : 2 : „Gij zult gedenken aan al den weg, dien u de Heere, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijne geboden zoudt houden, of niet". Het volk hield zich immers voor een volk, dat Gods geboden bewaarde, want het had gezegd: „Al wat de Heere gezegd heeft, zullen wij doen"; het hield zich voor een volk, dat God vreesde en op God vertrouwde; - daarom zou het openbaar worden, dat dit een ijdele roem was, dat het tegendeel van hetgeen zij beweerden bij hen aanwezig was. Dat behoefde Gode niet eerst bekend te worden, want Hij weet wel, wat er in het hart is, maar het volk zelf moest tot dat inzicht komen, opdat het zichzelf veroordeelen zou en zou leeren van genade te leven. — Zoo lezen wij wederom Deut. 13 : 3, dat God valsche leeraars en profeten onder Zijn volk laat opstaan, om het te verzoeken, het op de proef te stellen. Want wanneer onder een volk of in eene Gemeente de hoogmoed doorbreekt, alzoo dat men zich verheft op zijne diepe kennis van Gods Woord en waarheid, dat men beweert eenen veel dieperen blik te hebben in de verborgenheden Gods dan anderen, en in zijnen trots en vermetelheid zichzelf in het geheel niet meer kent, dan laat God zulke valsche leeraars komen met een ander evangelie, dan aan het volk eerst geleerd was, en dan ziet men, hoe ras degenen, die zoo roemden, van de goede leer weggetooverd zijn, spoediger dan men had durven denken, en dat er geone kennis Gods in den mensch is, wanneer God met het licht Zijner genade van hem wijkt. — Petrus beroemde zich, dat hij den Heere liefhad, dat hij Hem getrouw was, ja dat hij bereid was, met Hem in de gevangenis en in den dood te gaan, ofschoon toeh de Heere te voren gezegd had: „In dezen nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen". Zoo moest het dan blijken, wie gelijk had: de Ileere met Zijne uitspraak, of Petrus met zijne bewering. Zoo kwam hij dan in verzoeking, zoo werd hij dan op de proef gesteld, op de binnenplaats van het paleis van Kajafas, en hoe slecht hij de proef doorstond, weten wij. Het is gebleken, dat al zijn roemen van zijne liefde en trouw ijdelheid was. En zoo ook bij de andere discipelen, die eveneens gezegd hadden, dat zij zich aan den Heere nimmermeer ergeren zouden, — niet één hunner is bij Hem gebleven in Gethsémané, zij zijn allen gevlucht; zjj zijn in de verzoeking niet staande gebleven, zij zijn allen bezweken. En dat geschiedde zoo naar 's Hoeren raad en leiding, opdat zij verootmoedigd en verbrijzeld zouden worden, en zoo hunne gerechtigheid niet in zichzelf, maar buiten zich, in Christus zouden zoeken, opdat zij zouden leeren, wat genade, vrije, onverdiende genade is, en allen eigen roem zouden verliezen. Want wat zal God doen, wanneer de mensch vastzit in zijnen waan van deugd, van eigene kracht, van eenen goeden wil, van allerlei voortreffelijkheid, en niet wil gelooven, dat het waar is, wat de Heere van ons betuigt: dat uit het hart des menschen voortkomen booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen!' Zal zulk een monsch terechtkomen en zijne ziel verlost worden, dan moet God er hem metterdaad van overtuigen, dat Zijn Woord en getuigenis aangaande den mensch waarheid is, opdat hij beschaamd worde en zich in waarheid bekeere. Zoo moet dus God in verzoeking leiden.
Wanneer men echter zelf in zoodanige verzoeking telkenmale niet volhard heeft, maar te schande is geworden, — men meende van zichzelven en roemde, dat men Gods gebod wilde houden, en men is voor zichzelven, voor God en voor de menschen als een overtreder openbaar geworden; men meende dat men beter was dan anderen, en het is gebleken, dat men slechter is dan degenen, op wie men te voren uit de hoogte neerzag; men dacht, dat men den Heere liefhad en Hem getrouw wilde zijn, en heeft ervaren, dat er geene liefde en trouw in het hart is, dat men den Heere verloochent voor eene geringe dienstmaagd; — wanneer men zoo verootmoedigd is, telkens en telkens wéér verootmoedigd is, en alle vertrouwen op eigen voornemens en besluiten, op eigen kracht en goeden wil, op eigen vastheid en bekwaamheid verloren heeft, dan leert men het, te bidden: „ L e i d ons n i e t in v e r z o e k i n g " , — neen, Heere, leid mij niet in verzoeking, stel mij niet op de proef, want ik zou toch niet standhouden, ik zou bezwijken! doe dus niet met mij naar mijnen hoogmoed. „ V e r l o s o n s v an d e n booze", van den duivel met al zijne macht en zijne listen; want wij kunnen er ons zelf niet van verlossen.
Daarom logt ons ook de Catechismus deze bede aldus uit: „ D e w i j l wij v a n o n s z e l v e n zoo z w a k z i j n , d a t wij n i e t een o o g e n b l i k k u n n e n b e s t a a n " . . . Derhalve, zóó heeft de geloovige, zóó heeft degene, die tot God bekeerd is, zichzelf leeren kennen, dat hij zwak, door en door zwak is, zoodat hij zelfs geen oogenblik kan standhouden. O ja, hij heeft ook eenen tijd gehad, dat hij meende sterk te zijn, dat hij meende tegen alle vijanden opgewassen te zijn, dat hij dacht, dat de wereld met hare begeerlijkheid, de duivel met zijne verleiding geen vat meer op hem zou hebben. Maar hij heeft het anders leeren inzien, hij heeft zichzelf anders leeren kennen, — hij heeft het ervaren, dat, al is de geest ook gewillig, vol goede voornemens en besluiten, het vleesch toch zwak is en niet in staat, om ook maar een uur met den Heere te waken en te bidden; —- dat hij dus bekennen moet: Uit mijzelven kan ik niets en vermag ik niets. Dat heeft de Heere immers ook Zelf tot Zijne discipelen gezegd, — Hij, Die weet, wat voor maaksel wij zijn, die ons kent, dat wij stof zijn —: „Zonder Mij kunt gij niets doen". Hij zegt niet: zonder Mij kunt gij niet veel doen, — maar: niets. Het gaat daarbij niet om de uitwendige dingen dezes levens, maar dat men den wil Gods doe, Gods gebod beware, in Gods wegen wandele, den goeden strijd strijde, dat men blijve in het geloof, in de liefde. Als de Heere door Zijne genade, door Zijnen Heiligen Geest ons vasthoudt en regeert, als Hij ons niet aan Zijne hand houdt, dan zijn wij terstond weêr van den rechten weg af en uit de waarheid Gods. David dacht niet, toen hij op het dak van zijn paleis klom, wellicht met het voornemen om daar te bidden, dat hij op weg was om echtbreuk en doodslag te begaan. Evenals wij geen oogenblik zeker zijn van ons leven, zoo zijn wij ook geen oogenblik veilig tegenover de zonde, of, zooals de Catechismus zegt: wij kunnen niet een oogenblik bestaan. Nauwelijks heeft het volk de heerlijke openbaring Gods bij den Sinaï en de Tien Geboden als regel van het genadeverbond ontvangen, en heeft het gezegd: „Al wat de Heere gezegd heeft, zullen wij doen", of zij zijn er van afgeweken en maken zich een gegoten kalf! Een ieder sla eenen blik in zijn eigen hart en zie op zijnen eigen wandel, en vrage zich af: Hoe lang duurt mijne trouw, hoe vast is mijne vastigheid? Voorzeker, „met onze macht wordt niets verricht, wij zijn alras verloren", dat geldt ook hier.
Nu komen echter bij onze eigene zwakheid nog vijanden, die „ n i e t o p h o u d e n ons a a n te v e c h t e n " . De Catechismus noemt ze op, het zijn: „de d u i v e l , de w e r e ld en ons e i g e n v l e e s c h " ; en hij noemt ze „onze doodv i j a n d e n " , de vijanden, met welke wij nimmer vrede zullen hebben, die ons nimmer met rust laten. Zoolang wij des Heeren zijn, vernieuwen zij voortdurend hunne aanvallen. Daar is dan vooreerst de d u i v e l , van wien de Apostel Petrus schrijft, dat hij omgaat als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, — dus met hevige dreigingen: „Wanneer gij niet mijnen wil doet, dan komt gij om, dan gaat gij te gronde, dan zult gij uwen weg niet vinden door de wereld, dan zult gij uw dagelijksch brood niet hebben!" Hij dreigt met enkel ondergang en verderf. Maar deze zelfde vijand kan zich ook veranderen in eenen engel des lichts, zoodat men meent enkel heiligheid en geestelijkheid aan hem te zien, zoodat een mensch er geheel en al door ingenomen wordt, hel eenvoudige, nuchtere, ware Evangelie van Jesus Christus laat varen en zich begeeft tot een valsch evangelie, tot eenen valschen Jesus en tot eenen valschen geest. Van dezen aartsvijand schrijft de Apostel Paulus (Ef. 6): „Wij hebben den strijd tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht". En daar spreekt hij dan van „de listige omleidingen des duivels" en van „de vurige pijlen des boozen". Met al zijne listen en met al zijn geweld is de duivel er steeds op uit, de geloovigen van de genade af te trekken, hun het geloof te ontnemen, opdat zij niet meer op Christus zien, opdat zij het vertrouwen laten varen, het vertrouwen op de waarheid van het Woord Gods, op de zekerheid der belofte, en zoo weêr prijsgegeven zijn aan allen wind der leer, aan alle stormen, alle golven en baren op de zee dezer wereld. — Yoorts komt de w e r e l d als een doodvijand dergenen, die het eigendom van den Heere Jesus Christus zijn, en zie, zij is als een vuur, en wij tegenover haar als stroo, dat fluks door het vuur aangetast en verbrand is. Daarom schrijft de Apostel Johannes: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en hare begeerlijkheid". Maar nu is de wereld er nog, en de kinderen Gods leven in deze wereld, en de wereld neemt alles in, is groot en machtig, en belooft allerlei begeerlijkheid, zoo men Gods gebod laat varen. — En nu komt nog ons e i g e n v l e e s c h — dat is de gevaarlijkste vijand. Want de vijanden daarbuiten, vóór de vesting, zouden ten slotte nog niet zoozeer te vreezen zijn, maar de vijand, die binnen is, i n de vesting, deze verrader, die er in zit en den vijanden daarbuiten de poort opendoet, die is eerst recht te vreezen, — en dat is ons eigen vleesch, dat wij van God zijn afgevallen, dat wij geneigd zijn tot de zonde en blootstaan voor elke verleiding. Daarover hebben zij, die God vreezen, voortdurend te zuchten en te klagen gehad; dat houdt ons leven lang niet op, weshalve ook Job zegt: „Heeft niet de mensch eenen strijd op de aarde?" (Job 7 : 1 .).
Dewijl het dan zóó met ons gesteld is, waar zullen wij met dezen onzen nood heen? Want laat ons deze aanvechtingen niet geringachten, het gaat om de verlossing, om de zaligheid der ziel, en de gansche macht des vijands ligt tegen ons te velde. Toen de Heere over Zijne discipelen in Gethsémané klaagde, — „kunt gij dan niet eene ure met Mij waken?" —• toen heeft Hij hen vermaand en hun dit woord meêgegeven, niet voor die ure alleen, maar voor hun geheele leven: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt". „Waakt", d. w. z.: houdt de oogen open, opdat gij het gevaar ziet, dat u dreigt, — den vijand, die in de duisternis naar u toe komt geslopen, den afgrond, die aan uwe voeten gaapt, — houdt de oogen open, en — vertrouwt niet op uwe eigene kracht, op uwen eigen goeden wil, maar „bidt", wendt u, gij arme, zwakke schapen, tot den eenigen goeden Herder, tot den Vader in de hemelen, Die alleen Zijne kinderen behoeden en beschermen kan, tot uwen Koning, Die alleen in staat is, de Zijnen door Zijn Woord en Geest te regeeren en bij de verworvene verlossing te bewaren. Daarom geeft ons de Heere Zelf het gebed: „Verlos ons van den booze", dat de Catechismus aldus uitlegt: „ W il ons toch behoeden en s t e r k e n door de k r a c ht I I ws H e i l i g e n Geest es". Laat ons er wel op letten, dat de Catechismus niet zegt: „Wil ons kracht geven", want de geloovige verkrijgt nooit en nimmer eigene kracht, de kracht is en blijft des Heiligen Geestes, terwijl de geloovige in zichzelf zwak en machteloos blijft. Noen, de uitlegging luidt: „Wil ons toch behoeden en sterken door de kracht des Heil i g e n Geestes". Dat is geheel in overeenstemming met het woord van den Apostel Paulus: „Wordt krachtig in den Heere", — niet in uzelven, maar in den Heere, „en in do sterkte Zijner macht", — niet uwer eigene macht. Waarom ook do Apostel Petrus bidt: „De God nu aller genade", van Wien alleen ook deze genade komt, „Die ons geroepen heeft tot Zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jesus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben; Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundeere ulieden' (1 Petr. 5:10). Daarom dus het gebed: „Wil ons toch behoeden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, o p d a t wij in dezen geest e l i j k e n s t r i j d " — den strijd tegen de genoemde doodvijanden —• a l t i j d s t e r k e n w e d e r s t a n d doen". Het komt er dus op aan, niet toe te geven, het vaandel niet over te geven, maar te volharden in den strijd, die ons opgelegd is. Heden ten dage hangt men een Christendom aan, waarbij men zich met de genade, den Heere Jesus Christus en de vergeving der zonden troost, en waarbij men dan toch den duivel dient, met de wereld meedoet en den wil doet van zijn eigen vleesch. Duizenden gaan met dat Christendom verloren. Neen, dat is niet de bedoeling van deze bede: „Verlos ons van den booze"; maar daarentegen dit: Geef, dat wij — zoo zwak als wij in onszelven zijn — in Uwe kracht, in de kracht Uws Heiligen Geestes, den vijanden onzer ziel altijd sterken wederstand doen. „Wederstaat den duivel", zegt de Apostel Jakobus, „en hij zal van u vlieden". Laat ons hem bij al zijn lokken en verleiden ten antwoord geven: „Er staat geschreven", en andermaal: „Er staat geschreven", en ten derde male: „Er staat geschreven", en daarbij volhard, zoo zal hij wel van ons moeten vlieden. Want tegen het Woord vermag hij toch niets. „Neemt aan de geheele wapenrusting Gods", schrijft Paulus, „opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag", — den dag der verzoeking, waarin de vijand eenen aanval doet van binnen of van buiten, — „en alles verricht hebbende, staande blijven. Staat dan, uwe lenden omgord hebbende met de waarheid", alzoo dat het u ernst is met Gods Woord en waarheid en geeno huichelarij, „en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid", d. i. der gerechtigheid van Christus. „Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs", — naar het woord des Heeren: „Zalig zijn zjj, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben", —- „met hetwelk gij al de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. En neemt den helm der zaligheid", d. i. de hope der eeuwige zaligheid, eene hope, die niet te schande laat worden, „en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord." Zulke wapenen trekt de Heere Zelf ons aan, zulke wapenen drukt ons de Heilige Geest in do hand; Hij alleen leert ze ons ook voeren, gelijk David in den 18'lc" Psalm betuigt: „Het is God, Die mij met kracht omgordt, . . . Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is. Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uwe Rechterhand heeft mij ondersteund, en Uwe zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt".
Zullen wij in dezen strijd niet onderliggen? Voorzeker, liet gevaar daarvoor is groot. Zien wij op de menigte en de macht der vijanden, zien wij op ons en onze zwakheid en onmacht, dan is er voor ons geen uitzicht op overwinning. Maar Een is er, Die getrouw is, — Hij Iaat niet varen de werken Zijner handen. Van Hem heeft Paulus betuigd (2 Tim. 4 : 18): „De Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemelsch Koninkrijk". Daarom dus gebeden: „Wil ons behoeden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, o p d a t wij in dezen geestelijken strijd n i e t o n d e r l i g g e n, maar altijd sterken wederstand doen, t o t d a t wij e i n d e l i jk t e n e e n e n m a l e de o v e r h a n d b e h o u d e n " , wanneer wij den laatsten zucht slaken: „O God, wees mij arm zondaar genadig!" en: „Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken