Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedachten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gedachten

7 minuten leestijd

Er is geen schepsel, dat zulk eene wonderbare en voortreffelijke kracht heeft als de zon. Want behalve dat zij met haren glans de gansche wijde wereld verlicht, welk een groot werk is dit, dat zij door hare warmte alle dieren koestert en groeien doet; dat zij door hare stralen de aarde vruchtbaar maakt; dat zij uit de zaden, die in den boezem der aarde warm gemaakt zijn, een grazig groen uitlokt, hetwelk zij, als het met nieuw voedsel ondersteund is, vermeerdert en versterkt, totdat het tot halmen wordt; dat zij dat door eenen gestadigen damp voedt, totdat het tot eene bloem, en uit de bloem tot koren opwast; dat desgelijks de boomen en wijnstokken, door haar verwarmd zijnde, eerst knoppen en bladeren uitschieten, daarna de bloem voortbrengen en uit de bloem de vrucht voorttelen! Maar de Heere, opdat Hij al den lof van dit alles Zichzelven zou toeëigenen, heeft gewild, dat eerst het licht er zou zijn, en dat de aarde met allerlei soort van kruiden en vruchten vervuld zijn zou, eer Hij de zon schiep. (Zie Gen. 1: 3, 11 en 14). Zoo zal dan een Godvruchtig mensch niet oordeelen, dat de zon is de voorname of ook onmisbare oorzaak en oorsprong van die dingen, die aireede bestonden vóór de schepping der zon, maar dat zij alleen is een instrument, hetwelk God gebruikt, omdat het Zijn wil zoo is; dewijl Hij immers even gemakkelijk door Zichzelven, zonder behulp van de zon, dit alles kan teweegbrengen.


God maakt aanspraak op de almacht, en Hij wil, dat wij Hem die ook toeschrijven zullen. Niet zoodanige almacht, als de sophisten verdichten, die ijdel, ledig en bijna in den slaap verzonken zou zijn, maar zulk eene, die wakker, krachtig, werkzaam en altijd bezig is. Ook niet eene almacht, welke alleen zou zijn een algemeen beginsel van eene onwillekeurige beweging, alsof zij (om bij exempel te spreken) eene rivier ware, die Hij gebood te vloeien door de beddingen en laagten, die eenmaal voor haar bestemd zijn; maar zulk eene, die ook in alle bijzondere en bepaalde roeringen en bewegingen zelve werkzaam is. Want Hij wordt almachtig genoemd, niet omdat Hij wel machtig is alles te verrichten, maar nochtans ondertusschen van werken ophouden en ledig zitten zou, of de ordening der natuur, die Hij eenmaal gesteld heefr, door eene algemeene uitvloeiing Zijner macht zou onderhouden, maar omdat Hij door Zijne voorzienigheid hemel en aarde regeert, en alle dingen alzóó bestiert en leidt, dat er zonder Zijnen raad niet met al geschiedt.


Die aan de almacht Gods behoorlijken lof toeschrijven, die trekken daaruit dubbele vrucht: vooreerst dat God, Die een Heer en Bezitter is van hemel en aarde, en op Wiens wil en wenken alle schepselen hunne oogen slaan, om zichzelf tot Zijnen dienst over te geven, bekwaam en machtig genoeg is, om jegens hen weldadig te zijn; daarbevens dat men vrijelijk en zonder zorg mag gerust zijn in Zijne bescherming, aan Wiens wil en goeddunken alle zwarigheid en ongeval, die van ergens ter wereld te vreezen staan, zijn onderworpen, door Wiens heerschappij en bevel, gelijk als door eenen toom de de Satan bedwongen wordt met al zijne helsche geesten en gansche toerusting, aan Wiens believen hangt alles wat onze zaligheid zou mogen tegengaan.


Wij zijn op bijgeloovige wijze bevreesd, indien wij, zoo dikwijls als ons de creaturen met eenig kwaad dreigen of eenigen schrik op 't Iijf jagen, zóó beangst en benauwd worden, alsof zij uit zichzelf eenige kracht of macht hadden om ons te beschadigen, of ook alsof zij bij geluk en geval ons kwetsten, of dat wij bij God geene genoegzame bescherming hadden tegen hunne beschadiging en overlast. Zoo is het bijvoorbeeld het gebod van den Profeet Jeremia, dat de kinderen Gods voor de sterren en teekenen des hemels niet zullen vreezen, gelijk de ongeloovigen plegen bevreesd te zijn. Voorwaar, bij veroordeelt niet allerlei vrees Maar overmits de ongeloovigen de regeering en het bestuur der wereld Gode ontnemen, en den gesternten toeëigenen, zoo beelden zij zichzelven in, dat hun geluk of ongeval afhangt en het gevolg is van de ordeningen en voorzeggingen der sterren, en niet van den wille Gods, en zoo gebeurt het, dat zij in plaats van dien Eenen, Dien zij behoorden te vreezen, de sterren en kometen vreezen. Die dan deze ongeloovigheid wil ontvlieden, die moet altijd gedachtig zijn, dat de creaturen en schepsels niet hebben eene macht of werking of beweging, die op louter goed geluk af her- en derwaarts zweeft, maar dat zij door den verborgen raad Gods alzóó geregeerd worden, dat er niets geschiedt, dan alleen hetgeen van Hem willens en wetens verordineerd en besloten is.


Belangende de toekomstige zaken en voorvallen, vereenigt Salomo lichtelijk de raadslagen der menschen met de voorzienigheid Gods. Want gelijk hjj belacht de dwaasheid dergenen, die zonder den Heere alles vermetel bij de hand nemen, alsof zij door Zijne hand niet werden geregeerd, zoo spreekt hij elders aldus: „Het hart des menschen overdenkt zijnen weg, maar de Heere stiert zijnen gang"; gevende daarmee te kennen, dat wij door de eeuwige besluiten en ordinantiën Gods niet worden verhinderd, onszelven onder Zijnen wil Ie verzorgen en al onze zaken te schikken en te leiden. En dit bestaat ook in eene klaarblijkelijke reden. Want God, Die ons leven met zekere palen heeft afgeperkt, heeft ook meteen ons de zorg voor ons leven bevolen en toevertrouwd, en ons van middelen en onderstand, om dat te bewaren, genoegzaam voorzien, en ook voor de gevaren gewaarschuwd, en ons daartegen zekere behoedingen en geneesmiddelen gegeven, opdat die gevaren de onvoorzichtigen niet zouden overvallen en tenonder brengen. Nu zien wij klaarlijk, wat ons te doen staat, te weten: indien ons de Heere bevolen heeft, dat wij ons leven zullen beschermen, dat wij het dan voorstaan en bewaren moeten ; indien Hij ons middelen ter hulp aanbiedt, dat wij die moeten gebruiken; indien Hij ons te voren de gevaren aanwijst, dat wij niet lichtvaardig moeten toeloopen; indien Hij ons de geneesmiddelen aan de hand geeft, dat wij die niet moeten verzuimen of verachten.


Hoe profijtelijker de vermaning en aanprijzing om zichzelven te kennen is, des te vlijtiger moeten wij toezien, dat wij ze niet verkeerdelijk gebruiken, gelijk wij zien, dat sommigen philosofen is wedervaren. Want als die den mensch vermanen, dat hij zichzelven kenne, zoo leeren zij te gelijk, waartoe die kennis gedijen moet, te weten, opdat hij moge weten en gewaarworden zijne eigene voortreffelijkheid en waardigheid. Zij willen ook niet, dat de mensch in zichzelven iets anders zal bemerken, dan alleen hetgeen hem door een ij del vertrouwen doet opzwellen cn door opgeblazenheid grootsch maakt.


De kennis van onszelven is vooreerst daarin gelegen, dat wij overleggende wat voor gaven ons bij de schepping medegedeeld zijn, en hoe goedertierenlijk God in Zijne genade en gunst jegens ons volhardt, weten hoe groot de uitnemendheid van onze natuur is, indien zij slechts ongeschonden gebleven ware; en meteen ook bedenken, dat wij niets eigens hebben, maar dat al hetgeen God ons gegeven heeft een onverdiend erfdeel en bezitting is, opdat wij altijd Hem zouden aankleven. Ten andere, dat ons voor oogen kome onze deerlijke staat na den val van Adam, opdat de kennis en het gevoelen van dien allen roem en vertrouwen in ons terneêrdrukke, ons met schaamte bedekke, en alzóó waarlijk verootmoedigen moge.


God wil in Zijn Woord van ons zulk eene kennis, die ons van alle vertrouwen op onze eigene macht verre aftrekke, alle stof om te roemen beneme, en tot nederigheid brenge. Welke regel waargenomen moet worden, indien wij willen geraken tot het rechte perk der wijsheid en Godzaligheid. Het is mij niet onbekend, hoe veel aangenamer dat gevoelen is, dat ons liever opwekt, om onzen rijkdom te overleggen, dan om onze erbarmelijke armoede en oneer, die ons met schaamte overdekken moet, in te zien. Want er is niets, dat des menschen vernuft vuriger begeert, dan door vleiende woorden geliefkoosd te worden. En daarom wanneer hij hoort, dat zijne gaven worden geroemd, zoo helt hij naar dezen kant over en leent er zijn oor aan met eene al te groote lichtgeloovigheid. Eu derhalve is het te minder te verwonderen, dat in dezen door het meerendeel der menschen zoo gedwaald is geweest. Want dewijl allen menschen aangeboren is eene meer dan blinde liefde tot zichzelven, zoo maken zij zich zeer gaarne wijs, dat in hen niets is, dat met recht moet worden gehaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Gedachten

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken