Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Filippensen 2 :1—4, (2e Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Filippensen 2 :1—4, (2e Gedeelte. — Slot.)

8 minuten leestijd

„ I n d i e n er dan eenige v e r t r o o s t i ng is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eeuige gemeenschap is des fieestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen z i j n ; zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijude. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is "

Nu volgen nog een paar kostelijke vermaningen; laat ons ook die ter harte nemen, opdat wij niet alleen hoorders, maar ook daders des Woords mogen zijn.
De Apostel schrijft: „ D o e t g e e n d i n g d o o r t w i s t i ng of ij d e l e e e r " ; d. i.: waar gij iets goeds voor de Gemeente of in 't algemeen voor anderen wilt tot stand brengen, doet dat niet in eene booze gezindheid, niet uit eerzucht, niet zóó, dat het u om eigen roem en verheerlijking van uzelven te doen is, gelijk maar al te vaak plaats heeft. Ach ja, dat is nu eenmaal zoo, en het moet ons wel ter beschaming zijn, dat ook in den dienst der Gemeente en waar het een of ander nuttigs en goeds zal verricht worden, het eigen „ik" eene groote rol speelt, en dat men naar de wijze der wereld door eerzucht of ijdelen roem wordt gedreven. Men wil in hetgeen men uitricht geëerd en gevierd worden, en wat al boosheid, wat al geheime en openbare vijandschap onder elkander en zelfs tegen Gods Woord en waarheid is er niet, wijl men zich niet genoeg geëerd gevoelde. O, laat ons op Christus zien! Heeft Christus Zijne eigene eer gezocht? Hij was en is werkelijk alle eer waardig; maar toen Hij hier op aarde was, zocht Hij niet Zijne eer, maar de eer Zijns Vaders; Hij, Die heerlijkheid en eer bij den Yader had, zocht onze heerlijkheid. Ja, laat ons dat opmerken, en dan vragen: Wie is Hij, en wie zijn wij ? Dat wij onszelven veroordeelen, wegens onze eerzucht, ons najagen van eigen roem; dat wij het bedenken, dat wij, als wij God en den Heere Jesus Christus niet eeren, toch eeuwig te schande zullen worden.
Neen, dat behoort niet ia de Gemeente des Heeren; dat mag alzóó niet wezen onder hen, die leven onder het Evangelie, dat de een den voorrang wil hebben boven den ander, „ m a ar d o o r o o t m o e d i g h e i d a c h t e de een den a n d e r u i t - n e m e n d e r d a n z i c h z e l v e n ".
Ach, onze verdorven aard, hoe geheel in strijd is hij toch ook met deze laatste woorden; want door onzen natuurlijken hoogmoed, door onze eigenliefde achten wjj gedurig onszelven uitnemender, beter, braver dan anderen, op wie wij van onze gewaande hoogte nederzien. O, wij denken slag op slag, dat wij beter, wijzer, meer verlicht, gelooviger. Godvreezender zijn dan deze of gene, en juist zóó doende bezondigen wij ons tegen onzen naaste, dien wij verachten. Maar heeft de Heere Jesus niet de gelijkenis van den tollenaar en den Parizeër uitgesproken ? Heeft Hij de discipelen niet bestraft, toen zij onder elkander er over twistten, wie van hen wel de meeste zou zijn in het Koninkrijk Gods? Leert Hij ons niet, dat wie de meeste wil zijn, als aller dienaar moge wezen? En heeft Hij dat niet geleerd niet alleen, maar ook in beoefening gebracht ? Ja gewis; want Hij was hierbeneden geheel een dienstknecht Gods en der menschen, en wij mogen wel vragen: Wie heeft ooit meer gediend dan onze Heer en Heiland? De Apostel Petrus schrijft (1 Petr. 5 : 5 ) : „Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade". O, dat mag ons wel herinnerd worden vooral in dezen tijd, waarin men zoo weinig meer van dienen en gehoorzamen, van onderdanig zijn wil weten. Allen willen heerschen en regeeren, en desnoods in Kerk en Staat alles overhoop werpen, om hunnen hoogmoed bot te vieren.
Wie het meeste en het beste dient, kan het minst gemist worden, neemt in den grond der zaak de voornaamste plaats in. En waar men wezenlijk ootmoedig is, daar acht men den ander uitnemender dan zichzelven. Wij menschen spreken nu en dan veel over onze zondigheid, onze onwaardigheid, maar hoe weinig wij dat waarlijk gelooven en meenen, blijkt wel uit onzen hoogmoed en onze zelfverheffing tegenover anderen. Wie waarlijk verootmoedigd is voor den Heere, zijnen God, is het ook tegenover de menschen. De Apostel Paulus noemt zichzelven den voornaamsten der zondaren, en wie dat nu ook evenzeer van zichzelven gelooft, heeft niet zooveel van anderen te vertellen, kan zoo lichtelijk niet anderen veroordeelen, maar denkt: Ach! hij of zij is nog beter dan ik, en zoo zwijg ik liever en roep Gods ontferming over mijzelven en over de anderen in.
En nu ten slotte nog deze vermaning van den Apostel: „Een i e g e l i j k zie n i e t op h e t z i j n e , m a a r e e n i e g e l i jk z i e ook op h e t g e e n der a n d e r e n is". — Ja ieder, zonder onderscheid, hij zij wie hij zij, moge toch niet alleen aan zijn eigen heil, aan zijn eigen belang denken, maar ook aan het heil, aan het belang der anderen. Niemand denke dus: Als ik maar zalig word, dan mag een ander, wat mij aangaat, verloren gaan; of: Als ik het hierbeneden maar goed heb en vooruitkom, wat is mij dan aan eenen ander gelegen! — Ach, hoe ver gaat niet de zelfzucht des menschen! Men gunt elkander dikwijls maar nauwelijks het licht in de oogen, en voor het eigen lieve „ik" moeten alle anderen uit den weg. Men wil vaak niet het minste en geringste voor anderen laten varen of opofferen! Heeft dan de Heere Jesus Christus voor Zichzelven geleefd hierbeneden ? Heeft Hij maar op Zijn eigen belang gezien ? O, indien dat zoo ware, dan kon niemand onzer behouden worden. Maar neen, Hij heeft gedacht aan uwe zaligheid, aan mijne zaligheid, en daarom, hoewel Hij verkeerde in de heerlijkheid Gods, eer de wereld was, leide Hij die af, vernietigde Zichzelven, nam de gestaltenis eens dienstknechts aan, werd den menschen gelijk, vernederde Zichzelven, werd gehoorzaam tot den dood, ja den dood des kruises. Zóó zag de Heere Jesus op hetgeen der anderen was; zóó leefde en stierf Hij voor u, voor mij!
Ja, dat was werkelijk een rijk leven, een leven tot eeuwig heil, tot verlossing, tot waarachtigen vrede, tot storelooze blijdschap van eene ontelbare menigte verlorene zondaren. Want wat de Heere Jesus deed en leed, dat deed en leed Hij niet voor volmaakten, voor heiligen, voor rechtvaardigen, maar voor overtreders, voor Zijne vijanden, voor dezulken, die alles bedorven hebben.
Maar arm is ons leven door onze zelfzucht; arm is het leven desgenen, die geene anderen omvat door de liefde, zich niet verheugt in het heil der anderen, maar die slechts kent het „ik", en al weêr het „ik".
Waar wij dit een en ander vernemen, daar zij het ons tot ontdekking aan onszelven, tot zelfbeproeving. Och, dat niemand onzer zich boven deze vermaningen verheven achte! Er kan bij ons van geen levend, geen rechtschapen geloof sprake wezen, indien niet de vraag in ons begint op te komen en te branden: Hoe staat het eigenlijk met mij? Een leven in hoogmoed en zelfzucht is geen leven onder de heerschappij der genade.
Maar wie zichzelven veroordeelt, wordt niet veroordeeld. Hij, wiens hoogmoed en zelfzucht hem werkelijk tot schuld en droefheid worden voor God, zal genade vinden, genade in het bloed des Lams, tot verzoening zijner zonde, genade tot eenen Gode welbehaaglijken wandel in ootmoed en in ongeveinsde liefde!
Zóó iemand heeft dagelijks met zijnen verdorven aard te strijden; hij kan geenen vrede met dien verdorven aard hebben; Gods Woord, Gods Geest maken hem dat onmogelijk; en zoo wendt hij zich als een verloren zondaar voor en na tot zijnen genadigen Heer en Heiland, Die het voor hem verwierf, dat hij wandelt in ootmoed en in liefde, tot Gods eer en des naasten heil.

27 October 1895. W. E. M. E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Filippensen 2 :1—4, (2e Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken