Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 9 e n 10.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 9 e n 10.

11 minuten leestijd

Yers 9. „Maar, g e l i e f d e n , wij v e r z e k e r e n ons van u b e t e r e d i n g e n , en met de z a l i g h e i d g e v o e g d, h o e w e l w i j a l z o o s p r e k e n ." „ W i j v e r z e k e r e n ons", dat is: wij vertrouwen, wij hebben oorzaak en grond, om te gelooven, dat het nog een goed einde met u nemen zal; wij hebben de overtuiging daarvan in ons binnenste.
„ G e l i e f d e n " , zegt de Apostel, nadat hij er te voren hard op losgeslagen had. Dat had hij niet gedaan, om te verdoemen. Zachte dokters, vuile wonden; wat liefheeft slaat er daarom op los. Zoo zegt hij dan nu: „Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u b e t e r e d i n g e n " , namelijk: nademaal gij dat alles (zie Ys. 4 en 5) gesmaakt hebt, zult gij volharden bij de waarheid des Evangelies.
„Betere dingen, en m e t de z a l i g h e i d gevoegd", schrijft de Apostel. Met de zaligheid is niet gevoegd of verbonden het gesmaakt hebben van de hemelsche gave, het gesmaakt hebben van het goede Woord Gods. Dat zien wij aan Saul, dien God op éénen dag tot eenen anderen man maakte; hij heeft met de zonen der Profeten God geloofd en de taal Kanaana met hen gesproken. Wij weten voorts, wat Bileam al getuigd en hoe hij al deze dingen geamaakt heeft. Wij weten anderzijds ook, dat de moordenaar aan het kruis, ofschoon hij vol goede werken was, van dat alles niets gezien heeft; neen, hij hing in de grootste smarten aan den kruispaal en bad : „Heere, gedenk mijner!" en de Heere zeide: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn!" en verder heeft de man niets gehad, maar heeft op het woord van den Heere Jesus moeten sterven. En de kleine kinderen hebben immers ook al deze dingen niet; zij sterven en komen in den hemel, zonder dat zij het weten. Dat alles is dus niet met de zaligheid verbonden.
Daarom, zegt de Apostel, hoopt hij andere en betere dingen, die met de zaligheid verbonden zijn, — „ h o e w e l w i j alzóó s p r e k e n " , d. w. z.: hoewel wij dat alles gezegd hebben (zie Ys. 4 en 5), dat het onmogelijk is, dezulken wederom tot bekeering te vernieuwen, zoo zal het toch waar blijven, dat wij ons betere dingen van u verzekeren.
Welke is dan de grond van dit vertrouwen? Ja, als wij het volgende lezen, dan schijnt het bijna, alsof de Apostel Paulus op eens een ketter werd! daar komt hij immers, zou men zoo zeggen, van de oude, goede, gereformeerde leer af en staat op paapschen
grond! Want wat zegt hij ?
Vers 10. „ W a n t God is n i e t o n r e c h t v a a r d i g , dat H i j uw w e r k zou v e r g e t e n , en d e n a r b e i d der l i e f d e , die g i j aan Z i j n e n N a a m b e w e z e n h e b t ", dat is: aan Gods Naam, doordat gij veel gedaan en gegeven hebt, een iegelijk naar hetgeen hij had, opdat Gods waarheid en leer in de wereld gehandhaafd blijve; gij hebt het bewezen aan Zijnen Naam, „als d i e de h e i l i g e n g e d i e n d h e bt e n nog d i e n t " , dat is: gij hebt broeders en zusters, die in zondennood waren, gediend. — Dat teekent God dus op in Zijn boek, dat onthoudt Hij. Derhalve: als wij nu niet de eeuwige heerlijkheid deelachtig worden, dan is God onrechtvaardig, want wij hebben werken gedaan, de broederen gediend. Derhalve wordt men niet door het geloof alleen zalig, maar door geloof en werken ? dan zou men immers zalig worden, als men zelfs in het geheel geen geloof had, maar het een of ander werk? Ja en neen! Alle werken der menschen zijn zonde, en al zijn zij ook goed, — de mensch kan geen goed werk doen.
De Apostel laat volgen: „Maar w i j b e g e e r e n , d a t e en i e g e l i j k van u d e z e l f d e n a a r s t i g h e i d b e w i j z e , t ot de v o l l e v e r z e k e r d h e i d der h o o p , tot het e i n de t o e " (Vs. 11). Wat bedoelt hij dan? Hij wil zeggen: dit alles hebben wij nu wel gezegd, maar nu moet gij niet denken, dat God u vervloekt, dat er geene hoop meer is. Ik weet wol, dat er velen zijn, die zulke woorden Gods van zich werpen, maar juist dezen geldt het gewoonlijk. Er zijn echter ook velen, die er door terneergeslagen worden; want wat van God is, veroordeelt zich zelf; wat daarentegen van den duivel is, meent: dat gaat mij niet aan! en gaat op den breeden weg voort. Wat uit God is, blijft altijd liggen; dat is de smalle weg, die echter tot de heerlijkheid leidt. Dat nu wordt gewerkt door de liefde Gods. Deze zoekt, of zij in eenen mensch ook nog iets vinden kan, om daaraan al de macht Zijner genade vast te knoopen. De broeders van Jozef zeiden na den dood huns vaders: nu zal hij zich wreken; maar neen, Jozef zeide: God heeft mij voor uw aangezicht heen gezonden, opdat Ilij u in het leven zou behouden. Wij, terneergeslagen door de waarheid Gods, hebben spoedig duivelsche gedachten, alzoo dat wij God voor den duivel zeiven houden, en toch heeft God de Ileero slechts gedachten des vredes over dengene, die zoo terneerligt, en daar begint de liefde te zoeken en iets te vinden. En wat is dat? Dat is niet geloof, niet bekeering, maar dat is arbeid der liefde Gods.
Laat ons Gods Woord opstaan, 0111 dit nader te bevestigen. Wij lezen Matth. 25: 31 vv.: „Wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid,.. . dan zal Hij de schapen tot Zijne rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijne linkerhand". De bokken zijn bekleed met farizeesche pracht. Vers 34: „Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijne rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Yaders, beërft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der -wereld". Zegt Hij nu verder tot dezen: Want gij zijt geloovigen geweest, dat weet I k ; gij kwaamt in de kerk, en gingt ten Avondmaal? Neen, Hij zegt (Vs. 36): „Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven, enz."
Wederom lezen wij Matth. 10: 41 : „Die eenen Profeet ontvangt in den naam eens Profeten, zal den loon eens Profeten ontvangen; en die eenen rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal den loon eens rechtvaardigen ontvangen". Dio den rechtvaardige ontvangt, is bij zichzelven niet een rechtvaardige, hij weet niets, maar hij zou gaarne iets van het abc der taal Kanaiins leeren, —• en deze domme discipel verkrijgt hetzelfde, wat een Profeet verkrijgt. Wie eenen rechtvaardige ontvangt, is geen rechtvaardige, maar een goddelooze en zegt: „O God, wees mij zondaar genadig!" Wie nu zulk eenen rechtvaardige ontvangt, met do belijdenis: „hij is een rechtvaardige", die zal hetzelfde loon ontvangen. — Yers 42: „En zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk eenen beker koud waters, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijnen loon geenszins verliezen". Deze beker waters kost niets, maar God de Heere heeft gezien: hij is rechtvaardig, en zal hem niet onbeloond laten; hij blijft niet in de hel, maar zal drinken uit den stroom, die voortkomt uit den troon Gods.
Luk. 16 : 1 --8 lezen wij de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester. „Kinderen des lichts" (Ys. 8) zijn zulken, die bekeerd zijn. Vers 9: „En Ik zeg ulieden: maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen". De Mammon is het geld met al wat men hier op aarde heeft. Onrechtvaardig is hij, omdat hij zeer bedrieglijk is; maar de hemel wordt er niet meê gekocht. „Wanneer u ontbreken zal", wil zooveel zeggen als: wanneer gij nu sterft en ingaat in de eeuwige heerlijkheid en zaligheid in den hemel.
Nu zult gij zeggen: Het wordt nog zwaarder! Ach, wanneer zullen wij toch gelooven, dat God de Heere voor onze zaligheid geenen zucht van ons eischt en dat wij voor onze zaligheid geenen traan kunnen toebrengen. Bij God is de barmhartigheid. Die heerlijkheid ligt in het bloed van Jesus Christus. Wie Zijn vleesch eet en Zijn bloed drinkt, die wordt waarlijk inwendig bekeerd, zoodat hij zich laat bekleoden met het kleed, waarmee God bekleedt, en van alles afstand doet. Hij heeft niets en wil niets hebben dan hetgeen er ligt in het bloed van .Tesus Christus. Maar is dat bloed ook eene betaling voor eenen Elias, eenen Paulus en Johannes, waarvan de een ten hemel vaart, de ander tot in den derden hemel wordt opgetrokken? God de Heere vraagt niet naar de gaven, welke Hij mededeelt, maar naar het hart, en waar de eeuwige barmhartigheid erkend wordt, daar geeft llij barmhartigheid. Ik zeg niet, dat men met zijn geld iets verdienen kan; God zal zeggen: Vaar ter helle met uw geld! God de Heere ziet echter op barmhartigheid en loont eene daad van barmhartigheid dengenen, die zich zelf de belooning onwaardig achten. Als een broeder, een Profeet, veracht is geweest, in nood is geweest, en er iemand uit barmhartigheid toegesneld is, — dat kan God niet vergeten, en zoo geeft Hij voor den druppel water eene eeuwige volheid. Wie echter zoo iets wil nabootsen, die zal eene hel vinden.
God is een groot Koning, en de liefde houdt vast. Dat ia het, wat de Apostel bedoelt. Toen Luther voor den keizer stond, had een hertog den moed om hem eene verkwikking te doen toekomen, — en God heeft Zich over dezen hertog ontfermd. God is groot, en hoe gaarne ziet Hij het, dat de arme den arme helpt, dat degene, die zelf nauwelijks iets te eten heeft, uit barmhartigheid naar den kranken broeder, do kranke zuster gaat.
Welzalig hij, die zich verstandig draagt
Bij een ellendig mensch!
De Heer zal hem, wanneer hij treurt en klaagt,
Bevrijden naar zijn' wensch,
Behoeden en doen leven hier op aard,
In vreê en zaligheid,
Nooit van zijn' God verlaten, maar bewaard
Voor 's vijands boos beleid.

De Heer zal hem, op 't ziekbed neergestort,
Versterken door Zijn kracht;
Gij maakt, dat zelfs zijn gansche leger word'
Veranderd door Uw macht.
Dat is een Judas-aard, dat men denkt: Hoe? wat? Maar dat is het, wat naar Gods hart is: helpen, helpen! Daar ligt een man aan den weg, — de priester in zijn vroom gepeins, de Leviet in zijn gebed, zij gaan voorbij, maar de Samaritaan ziet het, neemt wijn en olie en — helpt. Zie op het arme, het bedroefde, — dat heeft God Zich verkoren; want het is Gods welbehagen, te toonen, dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft; en zoo heeft llij dan op aarde „ h e i l i g e n " ; die hebben niet veel, en toch zijn zij in hunnen dood rijk, zooals God alles doet naar Zijne macht en trouw. Zulke werken, zulk eenen arbeid der liefde verricht men gewoonlijk zóó als plaats had in het volgende geval. Ik ken eenen man, die dagelijks meer dan honderd menschen voedde met het brood des levens, en niemand dacht er aan, dat hij eten moest, om in het leven te blijven. Eene arme oude vrouw echter kookt voor hem; zij kookt en braadt, en het duurt geene drie weken, of zij heeft in haar huis overvloed van werk. Die vrouw weende over hare zonden, zij worstelde met God, om er van af te komen. God is niet onrechtvaardig, Hij heeft haar niet vergeten!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 9 e n 10.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken