Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Johannes 15, VERS 2 2 — 2 7.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Johannes 15, VERS 2 2 — 2 7.

10 minuten leestijd

In het laatste gedeelte van dit Hoofdstuk vernemen wij, hoe de Heere Jesus d e n m e n s c h a l l e v e r o n t s c h u l d i g i ng o n t n e e m t , en het beslist uitspreekt, dat de verwerping van den Zoon ook de v e r w e r p i n g v a n d e n V a d e r in zich sluit. En voorts vernemen wij, dat de Heere, tot t r o o s t der Zijnen, hun d e n H e i l i g e n G e e s t b e l o o f t.
„ I n d i e n Ik n i e t g e k o m e n w a r e en t o t h e n ges p r o k e n h a d " , zegt de Heere, „zij h a d d e n g e e n e z o n d e; m a a r nu h e b b e n zij g e e n v o o r w e n d s e l v o o r h u n ne z o n d e . " De zonde, hier door den Heere Jesus bedoeld, is de zonde des ongeloofs. De Farizeën, de Schriftgeleerden, de Joden in het algemeen, die de prediking des Heeren hadden vernomen, hadden geen voorwendsel, geene uitvlucht meer voor deze zonde, dat zij zich in hunne eigene gerechtigheid handhaafden en door hunne werken wilden gerechtvaardigd worden, hetgeen hun toch niet zou gelukken. Zij hadden geen voorwendsel meer, daar Christus voor hen was opgetreden als de waarachtig Rechtvaardige, niet om hen te veroordeelen, maar om hen door Zichzelven zalig te maken; zij hadden voor hunne geveinsde, onware heiligheid geen voorwendsel meer, daar hun de gerechtigheid, die voor God geldt, in de genade en de waarheid van Christus met alle lankmoedigheid en zachtmoedigheid voor oogen was gesteld.
Datzelfde blijft nog heden ten dage gelden van allen, die het Evangelie van onzen Heere Jesus Christus vernomen hebben. Dat Evangelie zegt het ons duidelijk, wie en hoedanigen wij zijn; dat wij in der eeuwigheid voor God niet gerechtvaardigd kunnen worden door de werken onzer eigene gerechtigheid; want dat wij met gedachten, woorden en werken Gods heilige geboden gedurig overtreden. Het Evangelie wijst ons op Christus, het Lam Gods, als onze eenige gerechtigheid voor God, en als wij nu toch in eigengerechtigheid den eenigen weg der verlossing, de rechtvaardiging door het geloof in Christus, blijven verwerpen, dan hebben wij voor deze onze zonde des ongeloofs geen voorwendsel, geene verontschuldiging; want wij hebben uit het Evangelie den Christus Zeiven tot ons hooren spreken, wij hebben Zijne onderwijzing vernomen.
En nu moeten wij niet denken, dat wij God toch wel kunnen liefhebben, al willen wij van Christus, als onzen eenigen en algenoegzamen Zaligmaker niet weten; want Christus Zelf zegt: „Die Mij h a a t , d i e h a a t ook M i j n e n V a d e r ". De Vader heeft Christus gezonden, en wie van Christus en van het geloof in Hem ter rechtvaardiging voor God niet weten wil, is gewis wel in zijn hart vijandig tegen de gerechtigheid, heiligheid en genade Gods. Erkent men Gods gerechtigheid, heiligheid en genade, dan gevoelt men zich als een arm zondaar verloren, en zoo heeft men Christus lief als den eenigen Middelaar, en men heeft ook God lief, Die dezen Middelaar zond. Haat men echter Christus, dan haat men zeker ook God, Gods Woord, Gods Waarheid, Gods Wet.
En om nu het reeds gezegde nog te versterken, voegde de Heere Jesus er nog aan toe: „ I n d i e n Ik de w e r k en o n d e r he n n i e t had g e d a a n , d i e n i e m a n d a n d e rs g e d a a n h e e f t , zij h a d d e n g e e n e z o n d e ; m a a r nu h e b b e n zij ze g e z i e n , en b e i d e n Mij en M i j n en V a d e r g e h a a t " . De Joden hadden niet alleen woorden gehoord, maar ook werken van Christus gezien, en wel werken zooals nooit te voren. Door de wonderteekenen des Heeren was het genoeg bewezen, dat Hij was de Christus, de Zone Gods; Mozes en de Profeten hadden wonderteekenen verricht als dienaren op Gods bevel; Jesus Christus verrichtte ze in Zijnen eigen Kaam, in Zijne macht als Middelaar en als de Zoon.
Ook wij, wij aanschouwen Zijne werken nog in het Evangelie en zien er in geopenbaard Zijne Verlossersheerlijkheid, opdat wij in Hem zouden gelooven, en opdat wij, geloovende, zouden hebben het leven in Zijnen Naam. De Heere beware ons, dat wij, waar wij zoo groote heerlijkheid van Christus in het Evangelie zien, niet volharden in vijandschap tegen Hem en tegen Zijnen Yader. In de werken der verlossing, door onzen Heere Jesus Christus verricht, is de wil des Vaders geopenbaard; zijn wij nu afkeerig van Christus, dan zijn wij het ook van den Yader, Wiens wil Hij deed, Wiens werken Hij volbracht.
Niemand moet zich echter verwonderen over de vijandschap tegen Christus, alsof die toevallig en onverwacht zou komen. Neen, de Heere zegt: „Maar d i t g e s c h i e d t , o p d a t h et w o o r d v e r v u l d w o r d e , d a t i n h u n n e W e t g e s c h r e - v e n is: Z i j h e b b e n Mij z o n d e r o o r z a a k g e h a a t " . Deze laatste woorden lezen wij in Ps. 35 : 19 en 69 : 5, waar deze woorden van David, als een voorbeeld en voorafschaduwing van Christus, geschreven staan. In David was de Geest van Christus; de vijandschap tegen David als koning was de vijandschap tegen de belofte, tegen den Geest van Christus, dus in den grond der zaak tegen Christus Zeiven. Zoo staan dus de door den Heere uit de genoemde Psalmen aangehaalde woorden van Christus geschreven; in die Psalmen wordt van het lijden van Christus gesproken. Dat de Heere nu op deze plaats zegt, dat deze woorden „in hunne Wet" geschreven zijn, moeten wij zóó verstaan, dat onder „Wet" door den Heere Jesus meer dan eens al de Schriften des Ouden Testaments werden begrepen, gelijk ook in Joh. 10 : 34, waar de Heere Jesus een woord aanhaalt uit Ps. 82, terwijl Hij toch ook daar zegt: „Is er niet geschreven in uwe Wet?"
Zonder oorzaak heeft men den Heere Jesus gehaat, en zonder oorzaak haat men Hem nog. Want Hij heeft nooit eenig onrecht gedaan, noch is er ooit bedrog in Zijnen mond gevonden; Hij dreigde niet, wanneer Hij leed; Hij schold niet weder, wanneer men Hem schold; IIij ging het land door, goeddoende; Hij leefde en stierf eeniglijk en alleen tot heil en zaligheid van verlorene zondaren. En Zijn Evangelie komt nog tot de menschen tot hunne behoudenis. Zoo is er dus geene oorzaak voor haat. Maar waarom haat men Hem dan toch ? Wel, omdat men de ongerechtigheid liefheeft; de werken zijn boos; maar men wil het niet weten, dat zij boos zijn. Men zondigt, en men wil niet weten, dat men een zondaar is, maar men wil de vrome man of vrouw blijven, en in geveinsdheid, in hoogmoed, in lust en liefde tot de zonde verwerpt men Christus en haat Hem.
Toch moesten de discipelen niet mismoedig worden; de prediking van het Koninkrijk Gods zou toch voortgaan. En daarom besloot de Heere met eene belofte, zeggende: „Maar w a n n e er de T r o o s t e r zal g e k o m e n zijn, Dien I k u z e n d en z a l v a n den Y a d e r , n a m e l i j k de G e e s t d e r w a a r - h e i d , Die v a n den V a d e r u i t g a a t , Die zal van Mij g e t u i g e n . En g i j z u l t ook g e t u i g e n ; w a n t gij z i j t v a n d e n b e g i n n e m e t Mij g e w e e s t " . Al zou dus de vijandschap nog zoo groot wezen, de discipelen konden gerust zijn. De Heere Zelf zou den Heiligen Geest zenden, den Trooster, Die allen, die bedroefd naar God zijn, troost. Die Geest is de Geest der waarheid; Hij leidt in al de waarheid; wat Hij getuigt, dat is de waarheid, en niets dan de waarheid. En deze Geest, de Geest, Dien Christus voor de Zijnen beeft verworven en Dien Hij hun zendt, staat niet tegenover den Yader, maar gaat uit van den Vader. En wat doet die Geest, Die van den Vader uitgaat? Die Geest getuigt juist van Christus, zooals de Heere zegt: „Die zal van Mij getuigen". Die Geest getuigt, dat alleen in Christus onze zaligheid is; dat Zijn bloed ons reinigt van alle zonden; dat wij alleen om Zijnentwil tot kinderen van God zijn aangenomen. Die Geest getuigt, dat Hij door ééne offerande tot in eeuwigheid heeft volmaakt degenen, die geheiligd worden, en dat wij in Hem alleen al datgene hebben, waarmede wij voor God kunnen bestaan.
Deze Geest der waarheid zou den discipelen gegeven worden, opdat zij op hunne beurt zouden getuigen en prediken aangaande Christus. De Heilige Geest en het Woord behooren te zamen; geen zegen des Woords zonder den Heiligen Geest; en wederom geene onderwijzing, geen zegen des Geestes zonder het Woord. Het Apostolische woord, de prediking der Apostelen, die wij hebben in de Handelingen en de Brieven, is het getuigenis des Heiligen Geestes. Eeuwig waar blijft het, wat de Schrift zegt: „Nabij u is het Woord, in uwen mond, in uw hart; zoekt het niet in de hoogte of in de diepte". En wederom staat geschreven: „Mijn Geest, Die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken" (Jes. 59 : 21). Zij, die met den Heiligen Geest begiftigd zijn, getuigen dus van Christus, en door den Heiligen Geest blijven zij er voor bewaard, dat zij zich voor Christus schamen en door de wereld medegesleept worden in hare leugen.
„Gij zijt van den beginne met Mij geweest", zegt de Heere, m. a. w. gij zult getuigen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt, zooals ook Johannes schrijft: „Wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben, wat onze handen getast hebben van het Woord des levens". Zoo rust dan ons geloof op eenen goeden grond, en niet op kunstig verdichte fabelen.
De Heere, onze God, doe ons meer en meer het getuigenis der Apostelen aangaande Christus recht verstaan. Dat getuigenis is het getuigenis des Geestes, en wie dat aanneemt en er door geleerd, vertroost en geleid wordt, is des Geestes kind en wandelt niet naar vleesch, maar naar Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Johannes 15, VERS 2 2 — 2 7.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken