Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 9 : 1 — 5 .

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 9 : 1 — 5 .

12 minuten leestijd

De bedoeling van de woorden van den Apostel is, te doen uitkomen, hoe alle deelen en gereedschappen van den tabernakel den mensch moesten overtuigen van de zonde en hem drijven tot de genade in Christus Jesus, en dat al die dingen den mensch, wanneer hij bij het uitwendige bleef staan, verdoemen. Het is daarom goed er nogmaals op te wjjzen, dat al die dingen niets anders waren dan schaduwen en beelden, die op Christus, onzen Heere, doelden.
Wat nu den t a b e r n a k e l aangaat, zoo weten wij, dat wij allen in eenen tabernakel zijn {2 Cor. 5), en dat wij hier geene blijvende plaats hebben, dat wij in het vleesch zijn, — en indien niet Christus in onze plaats en om onzentwil in hetzelfde vleesch was gekomen, dan zouden wij geenen waren levensen stervenstroost hebben. Z>o beteekent dus de gansche tabernakel niets anders dan Christus, zooals Hij is een in het vleesch gekomene, het vleesch geworden eeuwig Woord, God geopenbaard in het vleesch, zooals Johannes zegt (Hoofdst. 1 : 14), dat het Woord vleeach geworden is en Zijnen tabernakel of tent onder ons heeft gehad.
De Apostel spreekt van den kandelaar, de toonbrooden, het wierookvat, de ark, de gouden kruik, den staf van Aiiron en den troon der genade of het verzoendeksel. Wat vooreerst de a r k des V e r b o n d s betreft, daarvan lezen wij Ex. 25. Aldaar luidt Vers 8: „En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone". Dit heiligdom was Christus, in Wien alleen de gansche volheid der Godheid lichamelijk woont. — Vers 9: „Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels en als een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzoo zult gijlieden dat maken." God heeft dus aan Mozes op den berg Sinaï een voorbeeld gegeven, en de engelen des Heeren hebben het hem stuk voor stuk voorgehouden en uitgelegd, zoodat hij in al deze dingen Christus heeft gezien. — Vers 10: „Zoo zullen zij eene ark van sittimhout maken". Deze kist diende om Gods Wet daarin te bewaren, en zij beteekende wederom Christus, Die de Wet Gods in Zich droeg, om ze te vervullen. Dat zij van hout was, beteekent de mensuhheid van Christus, hare sterfelijkheid en vergankelijkheid en te gelijk, dat Hij voor ons als het ware een hout heeft willen zijn. — „Twee el en eene halve el zal hare lengte zijn, en anderhalve el hare hoogte."')


1) Eene Hebreeuwsche el is 2 span of 24 vingerbreedten.


God heeft voor al wat Hij doet, maat en tijd, en wij zien in de maat, waarnaar dit alles gemaakt is, de wonderbare wijsheid Gods in Zijne Gemeente. — Vers 11: „En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gjj ze overtrekken." Louter goud, dat is het zuiverste en kostbaarste goud. Dit goud beteekent allereerst de Godheid van Christus, en voorts Zijn geloof, zooals Hij is, naar het getuigenis van den Apostel, de Beginner en Voleinder van het geloof, niet alleen i n , maar ook voor ons. — >,Van binnen en van buiten", want in Hem en aan Hem is alles de heerlijkheid des Vaders in het geloof. — „En gij zult op dezelve eenen gouden krans maken rondom heen", dat is de kroon des geloofs, de kroon der heerlijkheid, waarmee Hij versierd werd door den Vader in Zijne verhooging. — Vers 12—15: „En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen op de eene zijde derzelve zijn, en twee ringen op hare andere zijde. En maak handboomen van sittimhout, en overtrek ze met goud. En steek de handboomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, dat men de ark daarmede drage. De draagboomen zullen in de riDgen der ark zijn, zij zullen er niet uitgetogen worden '. Dat beteekent, dat deze ark, d. i. Christus naar Zijne menschheid en naar Zijne Godheid, en zooals Hij alles wederopgerieht heeft door Zijne gehoorzaamheid en Zijn geloof, — dat deze Christus niet op ééne plaats, niet onder één volk, niet in deze of gene Gemeente moest blijven staan, maar in de geheele wereld moest rondgedragen worden, van de eene plaats naar de andere, zoodat, wanneer Hij ergens eene wijle was geweest, Hij weêr naar eene andere plaats zou trekken, dat Hij moet gepredikt worden in al de vier winden, dus niet enkel op ééne bijzondere plaats, maar aan alle einden der aarde. Daarom moest Hij naar Gods wil draagbaar zijn en blijven, opdat wanneer Hij ergens was geweest, Hij weêr daarheen kon gebracht worden, waar eenigen waren, die hongerden en dorstten naar gerechtigheid.
Vers 16. „Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal", — namelijk de Tien Woorden of Geboden, de Wet als regel voor den wandel van alle geloovigen, een getuigenis van het genadeverbond, dat God op den mensch Zijn Woord legt, zoodat hij wandelt in al Zijne wegen en — ofschoon hij altijd een zondaar is en blijft, zooals de Wet getuigt, — nochtans bevonden wordt in alle geboden en rechten, dewijl hij in Christus is ingezet in de gansche volheid der goede werken en de volkomenheid, die God in Zijne Wet verlangt. Dat de Wet in de ark moest blijven, beteekent, dat Christus aan de Wet, die Hij in Zich droeg, Zijnen lust zou hebben, en het alles zou vervullen, en verder ook maken, dat het volk in eene vervulde Wet zou wandelen, — maken, dat het volk een vleeschen hart zou ontvangen, waarin God Zijne geboden zou schrijven. Daarom zegt ook onze Heere door den mond van David Ps. 40 : 8—10: „Zie, Ik kom; in de rol des Boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uwe Wet is in het midden Mijns ingewands. Ik boodschap de gerechtigheid in de groote Gemeente; zie, Mijne lippen bedwing lk niet; Heere! Gij weet het".
Vers 17: „Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud: twee ellen en eene halve el zal deszelfs lengte zijn, en anderhalve el deszelfs breedte." Op deze kist of ark lag dus een deksel of bedekking, en dit was van louter, zuiver goud; want de genade rust op Christus, Die de verzoening heeft aangebracht, en door Hem, door de genade in Hem, wordt de Wet, zooals zij veroordeelt en vervloekt, toegedekt en gaat in de genade op. Op Hem, Christus, zag God in Zijne heerlijkheid neer, zooals Hij alles had gedaan, wat geschreven staat im het Boek der Wet.
Vers 18—20: „Gij zult ook twee cherubim van goud maken j van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. En maak u eenen cherub uit het eene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve. En de cherubim, zullen hunne beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezichten zullen tegenover elkander zijn; de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn ." Deze cherubim beteekenen de engelen Gods. Dat zij, met hunne aangezichten tegenover elkander, vooroverbukken, en dat hunne aangezichten tegen het verzoendeksel zijn, beteekent, dat zij er zich over verwonderen, dat God zulk eenen raad verordend heeft, nml. eenen mensch eeuwig gelukkig te maken. Deze cherubim vertoonen vierderlei aangezicht: van eenen mensch, een kalf of rund, eenen leeuw en eenen arend; dat beteekent de vier stukken, waarin kan samengevat worden, wat Christus voor ons gedaan heeft. Het aangezicht van eenen mensch beteekent hier, dat Christus mensch geworden is voor ons, en alles voor den mensch op zich heeft genomen; het aangezicht van een rund: Christus' lijden en sterven, zooals Hij voor ons is geslacht; het aangezicht van eenen leeuw: Christus' opstanding uit de dooden en overwinning van den duivel; het aangezicht van eenen arendr Christus' glorierijke hemelvaart en Zijn zitten ter Rechterhand Gods. In deze vier stukken is alles samengevat, tusschen geboorte, lijden en sterven, opstanding en hemelvaart ligt alle van God ons verworven heil opgesloten. De cherubim bedekken met hunne vleugelen het verzoendeksel. Zij breiden zich uit over al hetgeen Christus voor ons heeft gedaan. Daarop ziet wat Petrus zegt: vooroverbukkende zien zij op de genade en zijn begeerig in deze verborgenheid in te zien.
Vers 22: „En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tusschen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls." Dat wil zeggen: God spreekt niet met ons, tenzij wij toegaan tot dezen Troon der genade. Daarom zegt ook de Apostel van dit toegaan: „Laa'c ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade,, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd". Voor dit toegaan is bij den mensch noodig de erkenning, dat hij vleesch is. Christus moet erkend worden als Degene, Die Hij is, de eenige Middelaar Gods en der menschen, als waarachtig mensch en waarachtig God. Tusschen de beide cherubim openbaart Zich God, tusschen de vier stukken van de geboorte, het lijden en sterven, de opstanding en de hemelvaart bestaat de gansche openbaring Gods des Vaders.
Vers 23—30: „Gij zult ook eene tafel maken van sittimh o u t . . . . " . Hier is sprake van de t a f e l der toonbroo-» den. Hier moet men dus altijd vinden Christus, altijd het levensbrood, altijd Christus en bij Hem eenen raensch, die zonde heeft. Dag aan dag deelt Hjj het dagelijkseh brood uit, zooals Hij ons ook leert bidden: „Geef ons heden ons dagelijkseh brood", d. i het brood, dat er is, en waarvan Gij wel weet, w a a r het ligt. En gelijk het voedsel des lichaams, zoo heeft men ook noodig het hemelsche brood, hetwelk is Christus. Hij is de tafel, — zoo is Hij mensch voor ons; met goud overtogen: Hij, Die gezegd heeft: „De raensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat". Gelijk de tafel eene lijst of kroon heeft, zoo draagt ook Hij de kroon, d. i.: Hij is gekroond met eer en heerlijkheid. De tafel moet zich laten dragen; want Christus wil •overal komen. Er lagen op de tafel toonbrooden voor het Aangezicht des Heeren, — zes aan de eene en zes aan de andere zijde. Dat beteekent het Woord des Evangelies, zooals het de Apostelen en Profeten gebracht hebben, het waarachtige brood, waarvan men eet in de woestijn.
Vers 31—40: „Gij zult ook eenen k a n d e l a a r van louter goud maken . . . . " De kandelaar was uit één stuk van eenen centenaar goud. De schacht had aan elke zijde drie rieten, en aan elk riet waren drie schaaltjes in den vorm van doorgeslagen amandelnoten. Voorts de knoopen. Zoo waren er dus zeven rieten, en op elk riet stond een schaaltje, waarin de heilige olie was. Dat beteekende Christus, Die is het waarachtige Licht, het Licht des levens, het Licht, dat in de duisternis heeft geschenen. Het middelste riet of de schacht is het voornaamste stuk, waarom het eigenlijk gaat. Het is Christus. Aan deze schacht zijn aan •weerszijden drie armen; dat zijn wij menschen, die in onszelf duisternis zijn, maar van Christus licht ontvangen. Bij ons kan het licht uitgaan, en het gaat uit, namelijk bij nacht; maar de schacht heeft een eeuwig, altijddurend licht, en zij deelt aan de armen ook altijd weêr licht meê. „Den oprechten gaat het licht op in de duisternis." „Ulieden, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen." De overlevering zegt, dat werkelijk op den middelsten arm van den kandelaar het licht nooit is uitgegaan. Moge nu ook ons licht uitgaan, — het licht van Christus blijft schijnen in den tempel Gods. — Zoo hebben wij hier hetzelfde, wat ons door den Heere in een ander beeld wordt voorgesteld, wanneer Hij zegt: „Ik ben de Wijnstok, en gij zijt de ranken". — "Verder beteekent de zevenarmige kandelaar den Heiligen Geest met Zijne zevenvoudige gaven, gelijk Jesaia spreekt van den Geest der wijsheid enz. {Hoofdst 11 : 2), en gelyk wij in de Openbaring van Johannes (Hoofdst. 1 : 4) lezen van de zeven Geesten, die voor den troon Gods waren, die van daar uitgingen en in Christus waren.
In het heiligdom, waar God woont, tusschen de overschaduwende cherubim en boven de ark des Yerbonds, was het donker. Het heeft God behaagd in donkerheid te wonen, waarom ook de kunstenaar, door wien Mozes deze dingen moest laten vervaardigen, Bezaleël heette, d. i.: in donkerheid God (Ex. 31:2). De donkerheid echter, waarin het God behaagde te wonen, is ons vleesch, de toestand van ons van God afgevallenzijn, waarin niets gezien wordt; want het moet alles zaak des geloofs zijn. Daarom was ook de geheele kandelaar uit één stuk gemaakt, zoodat er niets van kon losgeschroefd worden. — Nu had God verder verordend, dat elk riet knoopen zou hebben. Een knoop is als een kluwen, waarin alles zóó dooreengewikkeld is, dat men er geen begin of eind aan vinden kan. Naar Gods bevel nu, gaat het door allerlei knoopen heen. Men ziet geenen uitweg of uitgang, men meent: alles is bedorven, alles is verloren. Maar uit den knoop laat God de schoonste bloemen voortkomen; wat in zichzelf gesloten en ontoegankelijk was, opent zich; het gaat door dood tot leven; uit den dood komt het leven op. — Uit eiken knoop aan de schacht komen twee armen te voorschijn. Het licht blijft helder en klaar schijnen van uit de duisternis van den verwarden knoop. God woont in donkerheid te midden van ons verderf. In den tabernakel kon men niets zien. Daar is dus alleen het eenige Licht Christus, en dit Licht schijnt in de Gemeente in den Heiligen Geest, Die in de Gemeente blijft, opdat Christus in elk lid in 't bijzonder verheerlijkt worde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 9 : 1 — 5 .

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken