Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (2de Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (2de Gedeelte.)

19 minuten leestijd

Wat ai ervaringen hadden de kinderen Israëls reeds opgedaan, wat al wonderen der macht en der trouwe Gods aireede beleefd en met hunne oogen aanschouwd. Zij hadden het als met handen kunnen tasten, dat, wanneer het Gods tijd en ure is, alles moet wijken voor Hem en Zijne macht, alles moet komen op Zijn bevel en woord, en dat Zijn woord alleszins waarachtig en betrouwbaar is. En nu sprak Mozes, „ i n h e t v e e r t i g s t e j a a r , in d e e l f d e m a a n d , op d e n e e r s t e n d e r m a a n d " , dus weinige weken vóór zijnen dood, „ t o t de k i n d e r e n I s r a ë l s, n a a r a l l e s , w a t h e m d e H e e r e a a n h e n b e v o l e n h a d" (Ys. 3). Dus niet uit eigen wil en naar menschelijke uitlegging, maar zooals de Heere het hem gegeven had, door Zijnen Heiligen Geest, ja zooals de Heere het hem bevolen had, — dus in opdracht des Heeren. Wee hem, indien hij niet had gesproken en het Woord had teruggehouden! Wat hij zegt, is altegaar Gods Woord. En wat is het dan, wat hij zeide? Hij „ h i ef a a n (zoo heet het Vs. 5), d e z e W e t u i t t e l e g g e n " . Hij gaf hun dus daarmede niet eene nieuwe Wet, eene andere Wet dan te voren gegeven was, veelmeer dezelfde Wet. Dezelfde Wet, als waarvan David in Psalm 19 zegt: „De Wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel". Deze Wet legde hij hun uit, — den geheelen inhoud, de eigenlijke bedoeling er van, zooals de rechte toepassing er van is, — dat deelde hij hun meê, dat maakte hij hun duidelijk. Ook wij hebben dat gedurig noodig; want waar wij ons voor de Schrift nederzetten, om de stemme Gods daaruit te vernemen, een woord des levens, opdat wij leven, — om den wil Gods aan ons daaruit te ervaren, opdat wij dien wil doen, — daar gaat het ons toch altijd weêr opnieuw, zooals het den kamerling uit Moorenlaud ging, tot wien, toen hy in de profetieën van Jesaia las, de vraag geschiedde: „Verstaat gij ook wat gij leest ?" en die daarop moest antwoorden: „Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niemand onderr i c h t ! " — Welnu, zulk eene aanwijzing en onderrichting ontving het volk ook hier, en die wordt ook ons geschonken, aan allen, wien de Heere het oor geopend heeft, dat zij hooren.
En wat zeide nu Mozes? waarmeê begon hij hun de Wet, d. i. de goede leer, uit te leggen? „De H e e r e o n z e God s p r a k t o t o n s a a n H o r e b , z e g g e n d e : Gij z i j t l a ng g e n o e g bij d e z e n b e r g g e b l e v e n . K e e r t u en v e r - t r e k t , en g a a t in h e t g e b e r g t e der A m o r i e t e n, e n t o t al h u n n e g e b u r e n , in h e t v l a k k e v e l d , op h e t g e b e r g t e e n i n de l a a g t e , en in h e t z u i d e n , en a a n de h a v e n s d e r z e e ; h e t l a n d d e r K a n a i i n i e t e n, e n den L i b a n o n , tot a a n d i e g r o o t e r i v i e r , de r i v i e r F r a t h . Z i e t , I k h e b d a t l a n d g e g e v e n v o or u w a a n g e z i c h t ; g a a t d a a r i n , en b e z i t e r f e l i j k h et l a n d , d a t de H e e r e u w e n v a d e r e n , A b r a h a m , I z ak e n J a k o b , g e z w o r e n h e e f t , d a t H i j h e t h u n en h un z a a d na h e n g e v e n z o u " (Vs. 6—8).
De H e e r e , Die een God is van volkomene zaligheid, Die de volkomene uitredding en verlossing van Zijn volk wil, en geen half werk doet, — en dat Hij o n z e God is, heeft Hij wel bewezen, dat hebben wij ondervonden!, — nu, deze Heere onze God s p r a k t o t ons.
In de tweede maand na den uittocht uit Egypte waren de kinderen Israëls aan den berg Sinaï of het gebergte Horeb gekomen. Aldaar had hun de Heere Zijne goede Wet, Zijne heilige Geboden gegeven; aldaar had Hij hun ook gegeven de gansche inrichting van den godsdienst, de verordening van den tabernakel, van de arke des Verbonds, van de gouden tafel der toonbrooden, van den kandelaar en het reukofferaltaar, van het brandofferaltaar en het waschvat, de heilige zalfolie, den hoogepriester en de andere priesters met hunne kleederen; vervolgens de gansche inrichting der onderscheiden soorten van offeranden, der brand- en spijsoffers, der zond- en schuldoffers, de bepaling van Jen Grooten Verzoendag en van de overige feesten, en het volk had er zich toe begeven, om alles in te richten naar liet woord des Heeren.
Bezaleël uit den stam Juda en Aholiab uit den stam Dan, wien de Heere het hart met wijsheid vervuld had tot dit werk, maakten alles en voleindigden het werk naar al wat de Heere tot Mozes gezegd en aan hem in een beeld getoond hadj — en op den eersten dag van het tweede jaar, nadat alles volbracht was, richtte Mozes de tent der samenkomst op, en de heerlijkheid des Ileeren vervulde de woning. Dat geschiedde in het begin van het tweede jaar sedert den uittocht uit Egypte; toen kwam de Heere met het woord, met de ernstige vermaning: „ G i j z i j t l a n g g e n o e g b i j d e z en b e r g g e b l e v e n . K e e r t u en v e r t r e k t , en b e z it e r f e l i j k het l a n d , dat de H e e r e u w e n v a d e r en g e z w o r e n h e e f t h u n en h u n z a a d te g e v e n " . Was dat noodig, dat de Heere alzoo ernstig tot 'hen sprak en hen alzoo aanvuurde, om verder te trekken? O zeker, dat was noodig. De Heere spreekt geene onnutte woorden. Het volk wTas in gevaar, om de belofte, die God aan de vaderen en aan hen had gegeven, en weswege Hij heu uit Egypteland had uitgeleid, en met eene sterke hand en uitgestrekten arm had verlost, te vergeten. Dat was immers zoo schoon en zoo heerlijk, al deze beelden van Christus, al deze wonderbare, schoone en liefelijke godsdiensten, deze offers, die de zonden wegnamen, deze tent der samenkomst met al hare gereedschappen, waarin zij hunne volkomene zaligheid, hun heil en welvaart afgebeeld zagen, deze priesters en die hoogepriester, welke hen met hunne offeranden Gode nabij brachten, met God verzoenden, — zij begeerden verder niets, zij begeerden niet meer, zij vergaten wat God anders nog had gezegd. Voorzeker waren zij daar in eene woestijn, intusschen de Heere had er toch ook voor gezorgd, dat hun niets ontbrak; brood gaf Hij hun van den hemel, het Water liet Hij voortkomen uit de rots, in den grond der zaak hadden zij geens dings gebrek, — en zoo sliepen zij in, en zouden gebleven zijn, waar zij waren, indien niet het woord des Heeren hen had opgewekt en opgeschrikt, indien niet de stem van den vriend gekomen ware en gesproken had — als in het Hooglied — : „Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom!" opdat zij optrekke uit de woestijn als een rookpilaar, — opdat zij optrekke en leune op haren Liefste. „Het volk, dat overgebleven is van het zwaard en genade heeft gevonden in de woestijn", — t. w. in al die heerlijkheid van den godsdienst, waarin God de Heere hen in genade heeft aangezien, en met enkel goedertierenheid heeft omringd, — „ n a m e l i j k I s r a ë l " , dat God tot rust ging brengen (zie Jer. 31 : 2), gaat in in de volkomene vervulling van al de beloften Gods, zooals die in Christus Jesus j a en amen zijn.
Dat behoorde er immers voor het volk Israël ook toe, dat zij het beloofde land zouden hebben ingenomen. Daarom houdt de Heere hun in de volgende Verzen voor, waartoe Hij hen heeft geroepen: „ K e e r t u en v e r t r e k t , en g a a t i n h et g e b e r g t e der A m o r i e t e n en t o t al h u n n e g e b u r en (d. i. naastgelegene plaatsen), i n h e t v l a k k e v e l d " , tot dat groote, schoone en uitgestrekte land, en Hij houdt hun die landstreek voor in hare verste grenzen, van het Zuiden tot aan den Libanon en tot aan den Eufraat. Uit de verdrukking, uit de benauwdheid van Egypte en de woestijn wil Hij Zijn volk brengen in wijde ruimte, in volle vrijheid. Dat is het land, dat de Heere den vaderen gezworen had: aan A b r a h a m, toen Hij hem uit Ur der Chaldeën uitvoerde (Gen. 12 : 7), en andermaal, toen Lot van hem scheidde (Gen. 13 : 15), en toen de Heere opnieuw het Verbond met hem maakte (Gen. 15 : 18), enz.; aan I z a k , toen deze wegens den hongersnood in het land der Filistijnen trekken moest (Gen. 26: 3); aan J a k o b , toen de Heere hem verscheen, toen hij, uit zijns vaders huis vliedend, met het hoofd op den harden steen nederlag (Gen 28).
Ja, de Heere had hun dit niet alleen beloofd, maar ook gezworen, doordien Hij zwoer bij Zichzelven, geenen meerdere hebbende, bij wien Hij zou kunnen zweren. Immers „God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijnen raad, is met oenen eed daartusscheu gekomen, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, eene sterke vertroosting zouden hebben" (Ilebr. 6 : 17 en 18). Waar het God den Heere zoozeer ernst is met Zijne belofte, met de beloften in Zijn Verbond uitgesproken, dat Hij er eenen plechtigen eed bij zweert, opdat het woord vast zij en niet wankele, — zullen dan de erfgenamen der belofte deze toezeggingen vergeten, ze niet in gedachtenis houden, tevreden zijn met eene halve belofte, en in zulke lichtzinnigheid en onverschilligheid en in zulken slaap verliezen wat zij ontvangen hebben, wat hun tot dusver reeds was ten deele gevallen ? Dat is de wil des Heeren niet.
Vandaar de vermaning: „Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; g a a t d a a r i n " , d. i. neemt het in, „en b e z it h e t e r f e l i j k " . Een wonderbaar woord! Als zij het toch eerst nog moesten innemen, hoe kan de Heere dan zeggen, dat Hij het hun heeft gegeven? of, als Hij het hun aireede gegeven heeft, waarom zegt Hij hun dan, dat zij het nog innemen moesten ? O, dat is geheel naar de waarheid en naar de regeering Gods, zooals Hij doet en handelt met Zijn volk. Hetgeen Hij in Zijnen eeuwigen raad heeft vastgesteld, hetgeen in de volheid des tijds in Jesus Christus is voleindigd geworden, hetgeen dus eeuwige waarheid is bij God, — Hij roept de Zijnen, om daaraan deel te hebben, en met deze krachtige roepstem trekt Hij hen, dat zij, bij alle eigene machteloosheid en innerlijk verzet en tegenstreven, nochtans in de kracht der opstanding van Christus opstaan, om zich dat alles toe te eigenen, wat God in Christus aan hen gegeven heeft. Dus opgestaan uit den slaap, uit de valsche, vleeschelijke rust, en ingegaan in de ware rust van Christus, ingegaan in dat, wat God in Christus Jesus aan u gegeven en gezworen heeft, ingegaan in het volle bezit van Zijne toezeggingen, al gaat het in dien weg door kamp en strijd! — ziedaar het woord Gods tot Zijn volk.
De Heere heeft wel meer dan eens oorzaak om den Zijnen zulk een „het is lang genoeg" toe te roepen, zooals het hier heet (V8. 6): „gij z i j t l a n g g e n o e g b i j d o z e n b e r g geb l e v e n " . De Apostel Petrus zegt eens: „Het ia ons genoeg, dat wij den voorgaanden tijd des levens der Heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen". Daarin hadden zij gewandeld, en daarin hebben wij gewandeld, de een op grovere, de ander op fijnere wijze, en ach, dat het niet nog van velen onder ons waar was, dat zij wandelen in deze booze en afschuwelijke zonde, in dat overdadig en goddeloos bestaan dezer wereld, en dat zij meenen Gods Woord en Evangelie daarbij aan de hand te kunnen liouden en zich met de vergeving der zonden te kunnen troosten, waarmeê zij ziohzelven bedriegen en ellendig omkomen! Wie Gods Woord en Waarheid heeft, dien laat dit Woord geene rust in zijne zonde, maar het roept hem telkens weder toe: Gij hebt nu lang genoeg geleefJ in de stad des verderfs, haast u, red uwe ziel! Het is genoeg, dat gij tot dusver gewandeld hebt op den breeden weg, die ten verderve leidt; zoek door de enge poort in te gaan en den nauwen weg te betreden, eer het te laat is, — zoolang als het „heden" genaamd wordt. Gij hebt lang genoeg in uwe zonde geleefd en in uwe eigengerechtigheid, — ga in in de gerechtigheid van Christus, die Hij verworven heeft aan het kruis, ga in in het leven uit God, dat Hij heeft laten voortkomen in Zijne opstanding.
De Apostel Paulus zegt eenmaal Ef. 4 : 17 vv.: „Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt gelijk de andere Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds". — Tot wie zegt hij dat? Niet tot goddelooze Heidenen, maar tot zulken, die hij noemt: „heiligen en geloovigen in Christus Jesus", wien hij toebidt genade en vrede van God den Vader en den Heere Jesus Christus. Als hij dan tot hen zegt: „Ik betuig in den Heere", d. i. ik bezweer u bij den Heere, „dat gij niet meer alzoo wandelt", — dan zegt hij daarmee: gij hebt zoo gewandeld, maar het zij nu genoeg! gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven, om le wandelen zooals de andere Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds, die „verduisterd (zijn) in het verstand, vervreemd van het leven Gods, door de onwetenheid, die in hen is, door de verharding huns harten, welke ongevoelig geworden zijnde, hebben zichzelven overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinheid gierig te bedrijven. Doch gij hebt Christus alzóó niet geleerd; indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jesus is", — d i. in Hem, Wiens Naam is „Zaligmaker van zonde", — gelijk ' t i n Hem de waarheid is, „dat gij zoudt afleggen aangaande de vorige wandeling den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid." Dat heeft God geschapen en teweeggebracht in Christus Jesus, — dat is een land van God gegeven en beloofd dengenen, die in Hem gelooven, die Hij uit Egypte, uit het diensthuis der zonde en des duivels, heeft uitgeleid, — daarom ingegaan in dit land, het is u gegeven, en den strijd aanvaard met de vijandige Amorieten: „legt af de leugen en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijnen naaste, want wij zijn elkanders leden. Wordt toornig en zondigt niet; de zon ga niet onder over uwe toornigheid; en geeft den duivel geene plaats. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengene, die nood heeft. Geene vuile rede ga uit uwen mond!" (Ys. 25—29.) Met dat alles ingegaan in den dood van Christus, waarin onze oude mensch gedood is, en ingegaan in Zijne opstanding, waarin de nieuwe mensch opgestaan is en opstaat in ware gerechtigheid en heiligheid. Zóó is het waarheid in Jesus. Zulke beloften heeft God met eenen eed vastgemaakt.
En wederom staat er: „Gij zijt nu lang genoeg gebleven bij dezen berg ', als het woord van den Apostel tot ons komt, dat wij lezen Hebr. 4 : 1 : „Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd, de belofte van in Zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn; want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk hun". Verkondigd is het aan ons, het Woord Gods is tot ons gekomen, het genadige Woord Gods, het dierbare Evangelie van wat God heeft gedaan, van wat God voor Zijn volk heeft bereid en hun gegeven, opdat zij het erfelijk zouden bezitten. Maar hoe velen zijn er, die ingaan in deze ruste, de ruste Christi ? hoe velen, die dubben en weifelen, die den tijd verzuimen, die liggen blijven bij den berg der Wet, blijven in eigen willen en loopen, in plaats van zichzelven in waarheid prijs te geven, los te laten en aan Christus alleen zich te houden. Men versteekt zich achter zijne onmacht en zijnen grooten dood, of weet zich op andere wijze te rechtvaardigen en in allerlei opzicht te verontschuldigen; men houdt vast aan de eigene gerechtigheid, dat men het toch goed heeft gemeend, men houdt vast aan den eigen weg en de eigen begeerte, aan gierigheid, eigenliefde, hoogmoed, en wil voor God en de menschen geene schuld belijden; men blijft hangen aan de eer by de menschen en aan het ijdele geld, men vlijt zioh neder en rust uit op zijnen weg, dien God den mensch zoo wonderbaar heeft geleid, op zijne bekeering, op zijn berouw, zijne tranen, op zijne godsdienstigheid en goed geloof', en heeft daar den tabernakel en eene ark des Verbonds en een brandofferaltaar, alles goed orthodox ingericht, dat er niets aan hapert, en heeft daarin zijn behagen, — en het leven, hoe ziet het er uit? de wandel, hoe is het daarmee ? De ware rust is er toch niet; men spreekt van Christus, en men heeft Hem niet, men zoekt het in hetgeen men is en heeft en doet, men kan dat niet loslaten, en in het binnenste mist men den vrede.
Intusschen het Woord Gods komt en roept u toe: Gij zijt nu lang genoeg gebleven bij dezen berg! keer u en neem het land in, dat Ik u gegeven en gezworen heb! Er is nog eene rust over voor het volk Gods! Want die ingegaan is in zijne rust, die heeft zelf ook van zijne werken gerust, gelijk God van de Zijne. Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan, laat ons elke bedenking van vleesch en bloed, elk „wanneer" of „maar", dat de duivel influistert, laten varen en ons houden, zij het dan ook zonder handen, aan IIem, Dien de Vader ons gegeven heeft, aan Jesus Christus: in Hem zijn alle werken, ja de geheele Gode welbehaaglijke wandel aanwezig; laat gij de handen rusten, alsof gij het nog zelf zoudt kunnen doen of moeten teweegbrengen, neen, wij zijn veelmeer zelf Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden gewandeld hebben. Alzóó worden de vijanden geslagen en het land ingenomen, dat God ons gegeven heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (2de Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken