Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (7de Gedeelte — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (7de Gedeelte — Slot.)

24 minuten leestijd

God de Heere had het met Zijn volk in alle opzichten wélgemaakt. Hij van Zijne zijde had het hun aan niets laten ontbreken. Door de woestijn heen leidde Hij Zijn volk, dat Hij uit Egypte had verlost, tot aan de grenzen van het land Kanaan. Eén stap nog maar, — wij zagen het, — en zij zouden alles beërven. Maar wat God goed gemaakt heeft, dat wordt door den mensch vernietigd en verwoest: — zij geloofden het "Woord niet, geloofden God den Heere niet, en verachtten het goede land; zij zagen het zichtbare aan, de macht der vijanden, de grootte der Enakieten, de sterkte hunner steden, en daartegenover hunne eigene zwakheid, en geloofden liever den duivel, geloofden liever degenen, die het goede land in eenen kwaden reuk brachten, en hielden God voor hunnen vijand, die hen tot niets anders dan tot hunnen dood en hun verderf had geroepen en uitgeleid. Zoo kwam dan het oordeel over hen: „Keert u" — wendt u af van Kanaan — „en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee" (Vs. 40), derhalve weêr terug in de woestijn, terug in de oude ellende.
Het is eigenlijk, schoon op bijzondere wijze, dezelfde geschiedenis, die wij van onze eerste ouders lezen, t. w. van den eersten zondenval en zijne gevolgen. God had alles wélgemaakt. De mensch stond in het paradijs goed, geschapen in het beeld Gods, d. i.: in ware gerechtigheid en heiligheid, — er ontbrak niets aan zijn geluk; hij was gezet in enkel goedheid Gods, toen God hem in het paradijs stelde, en zoo zou hij zijnen God leeren kennen, meer en meer, t. w.: Hem Ieeren kennen in Zijne goedheid, goedertierenheid en vriendelijkheid, Hem liefhebben en in eeuwige zaligheid met Hem leven. Daar gelukte het evenwel den verleider, het zaad van argwaan en wantrouwen jegens dien God, Die het hun toch aan niets had laten ontbreken, in het hart te strooien, alsof God het niet goed zou meenen, en zoo gaven zij het Woord prijs, waarin hun leven, hunne zaligheid was, zij overtraden het gebod, en nu heette het ook: Henen uit, henen uit, uit het paradijs, — de ellende in, in het dal van jammer en nood, naar den akker van distelen en doornen, in de moeiten en zorgen en smarten; zij werden aan het oordeel des doods onderworpen en aan de ijdelheid overgegeven. En opdat de mensch niet weêr zou terugkeeren in het aardsche paradijs en zijne hand uitstrekken naar den boom des levens, zette de Heere aan den ingang van den hof den cherub met het vlammig lemmer des zwaards. Immers het is ons eigen, ons niet te willen onderwerpen aan het oordeel Gods, maar wij zoeken een leven in eigen hand, in onze gerechtigheid, vroomheid, deugd, wij zoeken het altoos dd&r, waar het voor ons nu, na den val, niet meer is te vinden, waar de toegang ons is ontzegd, opdat Gods waarheid waarheid zij en blijve, en Zijne genade alleen verheerlijkt zij. En door zulk een tegenstreven, doordat wij het oordeel Gods, dat ons aan den dood toewijst, niet erkennen, maar in het vertrouwen op onzen eigen wil en onze eigene kracht ons daartegen verzetten en rebelleeren, maken wij onze ellende nog maar steeds meerder.
Datzelfde nu zien wij ook in de geschiedenis, die hier volgt.
Nadat God de Heere gezegd had, dat het volk niet zou ingaan in het beloofde land, maar zou wederkeeren naar de woestijn, zie, toen was hun zin op eens veranderd. Waren zij te voren versaagd en moedeloos, toen zij naar Gods Woord het land zouden innemen, zoo zijn zij nu op eens halsstarig, nu willen zij het volstrekt innemen, ofschoon God gezegd had: „gij zult het niet hebben". Eerst hadden zij God veracht, het niet willen wagen met Zijn Woord, nu willen zij Hem verzoeken, of Hij hen toch niet zou willen helpen tegen Zijn Woord in.
Eerst hadden zij geen vertrouwen op God, nu echter wél vertrouwen op zichzelven. "Voorwaar, het hart des menschen is arglistig, ja doodelijk is het, wie zal het kennen? — zoo zegt Jeremia, en hij wil daarmee te kennen geven, dat het beurtelings in versaagdheid neerligt en in tergenden hoogmoed zich verheft. Vol angst, vreeze, versaagdheid is het, als het geldt den goeden strijd te strijden, den loop te voleinden, als het geldt te volharden bij Gods gebod, het kruis op zich te nemen, — dan zien wij altijd tal van moeilijkheden en zwarigheden, dan is er niets dan onmogelijkheid, onoverwinnelijke hindernissen staan ons in den weg, en ons hart wordt moedeloos en versaagd; den Heere en Zijn Woord zien wij niet. En op eenmaal, eensklaps, juist wanneer de Heere het niet heeft bevolen, wanneer wij onzen eigen wil en lust, onze begeerte willen doorzetten, en onzen ijver voor God en Gods zaak willen toonen, (intusschen gaat het slechts 0111 het eigen ik), dan hebben wij op eens moed, vertrouwen en kracht, en meenen alles te kunnen en te moeten verrichten, — en willen ons in zulk een hoogmoedig verheffen des harten niet buigen, niet onderwerpen aan Gods oordeel en straffen.
Dat moet dan echter alles met schoone woorden en onder eenen schijn van heiligheid geschieden. Het volk zegt: „W ij hebben t e g e n den Heere g e z o n d i g d " (Vs. 41). Daar is dus het eerste, wat zij uitspreken, eene belijdenis van hunne zonde.
Is dat nu niet goed? Mag ik dan niet Gods zegen, Zijne genadige hulp verwachten, als ik met belijdenis mijner zonden tot Hem kom? Wij lezen toch ook eens, dat ten tijde van Samuël gansch Israël te zamen kwam te Mizpa en met dezelfde woorden, als hier het volk, het beleed: wij hebben tegen den Heere gezondigd. En toen daarna de Filistijnen ten strijde trokken, werden dezen geheel verslagen, en Samuël richtte eenen steen op en noemde dien „Eben-Haëzer", zeggende: „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen". Wij lezen echter ook te voren, dat toen Israël alzoo zijne zonde beleed voor den Heere, het volk de vreemde goden, de BaSls en Astaroths weggedaan en zich tot den Heere bekeerd had, om Hem alleen te dienen. Daar was een vragen naar den wil des Hoeren, er was een verbroken hart en een verslagen geest, wat in een beeld werd voorgesteld: zij schepten water en goten het uit voor het Aangezicht des Heeren. (1 Sam. 7.) Maar wat hier te Kades geschiedde, dat geschieddde in eenen geest van verzet en tergenden hoogmoed, in rebellie tegen den Heere en Zijnen wil, — dat geschiedde in zelfhandhaving, waarbij God de eere niet krijgt. De woorden: „Wij hebben tegen den Heere gezondigd" doen het op zichzelf niet. Wij lezen in de Schrift van twee koningen, — Saul en David, — die ook deze zelfde belijdenis hebben uitgesproken, ja met dezelfde woorden: „Ik heb gezondigd tegen den Heere", maar niet met hetzelfde hart, en de een werd verworpen, maar de ander heeft zijne ziel gered.
De Heere had aan Saul door Samuël de opdracht gegeven, het strafgericht over Amalek uit te voeren, en juist omdat het geen veroveringstocht was, omdat de tocht niet ter wille van eigen voordeel ondernomen werd, maar als eene straf en oordeel Gods over dit volk zou gelden, werd aan Saul bevel gegeven, alles te verbannen, menschon en beesten. Dit gebod overtrad hij en het volk, uit gierigheid, doordien hij Agag, den koning der Amalekieten, in het leven liet, en het beste deel van den buit verschoonde en voor zich behield, en alleen „alle ding, dat verachtzaam en verdwijnende was", den Heere verbande. Toen trad hem, die zich eenen pilaar (een overwinningsteeken) had opgericht, Samuël te gemoet in den Naam des Heeren, en zeide tot hem, die in huichelarij beweerde, het woord des Heeren te hebben vervuld, daarbenevens de schuld zijner misdaad van zich af en op het volk wilde schuiven, en daarbij zeide, dat de beste schapen en runderen verschoond waren alleen om ze den Heere ten offer te brengen, — toen zeide Samuël tot hem: „Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, en opmerken dan het vette der rammen; want wederspannigheid is eene zonde der tooverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des Heeren Woord verworpen hebt, zoo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn" (1 Sam. 15 : 22, 23). Toen kwam Saul ook met de belijdenis: „lk heb gezondigd", maar die bekentenis kwam niet voort uit het gevoel, dat hjj tegen den Heere, Wien hij alles te danken had, Die hem, toen hij klein was, tot koning over Israël verheven had, dat hij tegen Diens goede en heilige gebod had gezondigd, maar daaruit, dat hij er over ontzet was, dat de straf hem trof, dat hij van den troon verstooten werd; de vrees, de schrik voor de gedreigde straf deed hem deze woorden spreken. Daarom ook drong hij er bij Samuël zoo op aan, dat deze hem ten minste voor het aangezicht van het volk zou eeren; naar verzoening met God, daarnaar vraagde hij in den grond der zaak niet. — Anders was het bij David. Op ontzettende wjjze had hij gezondigd, door overtreding van het Zevende en het Achtste Gebod, en langen tijd was hij zonder belijdenis van zijne schuld daarheengegaan, totdat het woord des Heeren uit den mond van den Profeet Nathan tot hem kwam: „Gij zijt die man!" en hij ter aarde werd geworpen. Toen ging uit de diepte zijner verlorenheid het gebed, de schreeuw, de belijdenis op tot God: „Ik heb gezondigd tegen den Heere". Dat was nu eene schuldbelijdenis niet uit vrees voor de straf; niet omdat hij den roem zijner heiligheid had verloren, niet daarom, wijl hij niet meer als de vrome en rechtvaardige David daar stond in eigen oogen en in de oogen der menschen, schreeuwde hij zoo luid tot God, maar omdat hij tegen den Heere gezondigd had en de gansche diepte zijner verdorvenheid, zijner verdoemenswaardigheid voor hem openlag. Hoe het er in zijn hart heeft uitgezien, dat kunnen wij wel uit den 5ls'e" Psalm verstaan, als hij daar zegt: „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uwe oogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen". Immers dat spreekt hij niet uit, om zichzelven te verontschuldigen, om de schuld op zijne ouders te werpen, maar veelmeer om zichzelven geheel en al te verdoemen als een, van wien niets goeds is te verwachten, die tot in den grond verdorven is. Daarom dat gebed: „Wees mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheid; delg mijne overtredingen uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden". Dat was ware droefheid, droefheid naar God, waarvan de Apostel Paulus, onderscheid makende tusschen droefheid naar God en droefheid naar de wereld, zegt: „De droefheid naar God (wegens de zonden) werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid, — maar de droefheid der wereld (wegens de gevolgen der zonde) werkt den dood". Waar droefheid naar God is, daar is men bedroefd, omdat men den hoogen en heiligen God heeft beleedigd, tegen Hem heeft gezondigd en Zijn goede gebod heeft overtreden; daar is een diep gevoel van den toorn Gods over de zonde en een verlangen om met God verzoend te zijn, om God weder te hebben als zijn hoogste Goed, als het leven zijner ziel. Waar echter droefheid is der wereld, daar komt zij voort uit -vrees voor de straf, daar draait alles niet om God, maar om het eigen ik, om hetgeen men nu verloren heeft, hetgeen men missen moet en niet bereiken kan, — daar kunnen vele en sterke bewoordingen zijn over de zonde en schuld, die men op zich geladen heeft, men is echter toch ras weèr getroost, als men maar zijnen zin, zijnen wil weêr krijgt, of als men toonen kan, dat men dan toch niet zóó in den grond verdorven en geheel verloren is, dat men het dan toch goed meent en alles weêr goedmaken wil.
Zóó was het ook hier bij het volk Israël. Er was droefheid, j a , maar eene droefheid der wereld, die den dood werkt, niet eene droefheid, die ter zaligheid eene bekeering werkt, die men niet betreurt. Indien deze laatste bij hen geweest was, dan hadden zij zich gebogen onder Gods gericht, onder Gods tuchtiging en straf, als zijnde eene rechtvaardige, en zij zouden, juist in zoodanig gericht, Gods genade hebben gezocht. Nu staan zij echter op tegen Gods oordeel, en willen daar staan als lieden, die toch den wil Gods doen en willen doen, schoon zij slechts zichzelven zoeken en weêr begeeren verkrijgen, wat zij door eigen schuld verloren hadden. Daaruit kwam voort deze bekentenis: „Wij hebben gezondigd tegen den Heere", — en daarom nu op éénmaal het voornemen: „ W i j z u l l e n o p t r e k k e n en s t r i j d e n , n a a r a l l e s, wat de H e e r e onze God ons g e b o d e n h e e f t " , — zooals de kinderen plegen te doen, als zij bestraft zijn geworden of de kastijding vreezen, dan roepen zij: „vader, ik zal lief zijn, en zal alles doen wat gij zegt". Maar nu had God niet gezegd, dat zij zouden optrekken en strijden, neen, de Heere had gezegd: „Keert u en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee". Daarop hadden zij echter niet gelet, er geen acht op geslagen. Intusschen de Heere zegt: Gehoorzamen is beter dan offerande, en opmerken dan het vette der rammen, — beter dan al wat gij zoudt willen doen en zoudt willen brengen, om naar uwe meening en uw zeggen Gods wil te volbrengen. Het is een werk der eigengerechtigheid, dat zij hier willen doen. Zij willen de vrome, de rechtvaardige, de heilige lieden zijn, menschen, die ijveren voor God en voor Gods eer, die de zonde haten en er eenen afschuw van hebben, die er alles voor overhebben, om den wille Gods te doen; zij willen God verzoenen, Gods toorn afkeeren met hun doen, hunne werken, hun berouw, hunne boetedoening, met bun worstelen en gebeden, — daarmee moet dan de Heere tevreden zijn, daarmee willen zij Hem als het ware iets afhandig maken, en daar wordt dan gehandhaafd: „de Heere heeft het geboden!" terwijl de Heere het hun toch niet geboden, zóó niet geboden heeft. Het is alles Roomsch werk, eigen wil en keuze, en daarom niet Zijn wil, of het al naar de letter met Gods gebod schijnt overeen te komen. God is daar met Zijn welbehagen en met Zijnen Geest niet in.
Vergeefsch is het, dat Mozes op last des Heeren hen wijst op hunne zonde, dat hij er hen opmerkzaam op maakt, dat de daad, die zij voor gerechtigheid willen laten gelden, ongerechtigheid was, — zeggende naar Yers 4 2 : „Zoo zeide de Heere t o t m i j : Zeg h u n : T r e k t n i e t op en s t r i j d t n i e t, w a n t I k ben n i e t in het m i d d e n v a n u; o p d a t g ij n i e t voor h e t a a n g e z i c h t u w e r v i j a n d e n g e s l a g en w o r d t " , — en zooals het nog verder heet Num. 14 : 4 3: „Want de Amalekieten en de Kanaiinieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want omdat gij u afgekeerd hebt van den Heere, zoo zal de Heere met u niet zijn". Maar zij hoorden niet, zij waren weerspannig den mond des Heeren, handelden trotschelijk en togen op naar het gebergte, om den strijd met den vijand te aanvaarden. Zij wilden zich onder het oordeel Gods niet buigen, trots alle waarschuwing en vermaning. Zij maakten het, evenals de kinderen Israëls deden ten tijde van den Profeet Jeremia. Om hunne zonde, om hunnen afval had de Heere hen overgegeven onder de hand en heerschappij van Nebukadnezar. Indien het volk zich daaronder zou buigen, als onder de rechtvaardige straffe Gods, en daarmeê God zou erkennen als rechtvaardig in Zijn doen, zoo wilde Ilij in deze ellende met hen wezen naar Zijne genade, en zij zouden in alle rust en in vrede hun land kunnen bewonen. Maar dat wilden zij niet, zij wilden zich aan het gericht Gods onttrekken en zich naar Egypte begeven, en daarmeê waren zij nu eerst recht aan het gericht prijsgegeven.
Wel is waar moest dat alles ook zoo geschieden naar Gods raad, toch was het zonde. Zij verzochten Jeremia, naar des Heeren wil te vragen; maar toen diens woord en raad nu anders luidde, dan zij het eenmaal besloten hadden, toen heette het: „dat heeft de Heere niet gezegd, dat heeft u die of die in het oor geblazen!" en zoo gehoorzaamden zij niet, maar trokken af naar Egypte en vielen aldaar naar het Woord des Heeren door het zwaard, door honger en door pestilentie. En zoo geschiedde het ook hier.
Alhoewel zij zich rustten ten strijde, zooals Vers 41 geschreven staat: „Als g i j nu een i e g e l i j k z i j n k r i j g s g e r e e d - s c h a p a a n g o r d d e t " , — zoo was dit toch niet de wapenrusting Gods, waarvan Paulus spreekt in zijnen Brief aan de Efeziërs, Hoofdstuk 6: „ Wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht", —- dan is men in zichzelven wel is waar zeer zwak en vermag niets, maar men heeft het Woord en Gebod des Heeren, men heeft des Heeren genadige toezegging: wijk niet achterwaarts, want Ik ben uw God! — „Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels." Die wapenrusting, dat krijgsgereedschap, dat God Zelf heeft gegeven, zijn Zijne beloften, zooals in Psalm 27 staat: „Mijn hart zegt tot U: Gij z e g t . . . " , dus ik houd den Heere Zijn Woord voor, niet eigen raad en plan, lust en wil en voornemen, maar 's Heeren Woord: „Gij zegt".
In zulk eene wapenrusting zullen wij kunnen staan tegen de listige omleidingen des duivels, — en zullen sterken tegenstand bieden en alles wel verricht hebbende de overhand behouden.
Deze wapenrusting was het niet, die zij zich aangordden, maar die van eigen willen en loopen, het harnas der zelfhandhaving, en daarin staat men, voorwaar, niet tegen de listige omleidingen des duivels, maar is zeer ras overwonnen en neergeworpen. In Psalm 44 lezen wij: „Ik vertrouw niet op mijnen boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen, maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd". Maar zij verlieten zich nu op hunne bogen, en op hun zwaard, en op hun krijgsgereedschap, — de Heere was echter niet met hen. De arke des Verbonds des Heeren en Mozes kwamen niet uit het midden des legers, en zoo konden zij met al hunne dapperheid voor den vijand niet bestaan.
„ T o e n t o g e n de A m o r i e t e n u i t , d i e op dat g e b e r g te w o o n d e n , u t e g e m o e t , en v e r v o l g d e n u, g e l i j k als d e b i j e n d o e n " (Vs. 44), die elk, die haar stoort of in hare nabijheid komt, met groote woede vervolgen, zoodat men er bijna niet aan ontkomen kan en geheel machteloos tegenover haar is. En zoo werden zij verjaagd en v e r p l e t t e r d in S e ï r tot Hor m a t o e ; zoo verging het dat volk, hetwelk de belofte had: „Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen, en uwe vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen" (Lev, 26: 8).
Ja, als het Woord des Heeren en de arke Zijns Yerbonds, als de Heere Zelf in hun midden is, dan geldt dit woord, — maar zoo Hij niet met hen is, dan geldt ook dat andere woord: „Eén duizend zullen vlieden van het schelden van een' éénigen, van het schelden van vijf zult gij allen vlieden, totdat gij overgelaten wordt gelijk een mast op den top van eenen berg, en als eene banier op eenen heuvel" (Jes. 30 : 17).
Was het de groote krijgsmacht der vijanden, der Amorieten, waarvoor de kinderen Israëls niet konden bestaan, waardoor zij zoo op de vlucht werden gedreven ? Of die Amorietische krijgsmacht zeer groot geweest is, staat te bezien; evenwel dit is zeker, dat Gods volk volstrekt geene macht heeft en voor geenen enkelen vijand kan bestaan, dat het veelmeer steeds onderliggen moet, als het 's Heeren Woord en Gebod, waarin alleen zijne kracht en sterkte ligt, overgeeft, of iets daartegenin onderneemt. Of vanwaar kwam het, dat Petrus, die ijverige, volvaardige en dappere discipel, anders altijd de eerste van allen, voor eene geringe dienstmaagd zijnen Heer verloochende, geenen moed, geene kracht vond, om den Heere te belijden, maar onder vloeken en zweren zeide: „Ik ken dien menscli niet"? Hij had immers te voren eene zoo goede belijdenis afgelegd, zoodat de Heere toen zeide: „Dat heeft u niet vleesch en bloed geopenbaard, maar Mijn Yader, Die in de hemelen is". Dat kwam, doordat hij in den strijd toog zonder het Woord, ja tegen het Woord des Heeren in. De Heere had uitdrukkelijk dus tot hem gesproken: „In dezen nacht zult gij allen -aan Mij geërgerd worden", en: „Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen". Dat geloofde hij echter niet van zich; neen, hij wilde de man zijn, die liefde had, die de trouwe bewaarde, en zie, zoo viel hij, zoo werd hij verslagen. — De Heere zegt eenmaal Joh. 1 2 : 3 5 : „Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange; en die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat". Zoolang het goede Woord, het gebod Gods er is, is het als een licht, hetwelk licht geeft op den weg; als gij het hebt en zoolang als gij het hebt, wandel, werk, arbeid daarin, dat gij den wil Gods volbrengt, — het kan weggaan, het kan van u worden weggenomen, God kan het terugtrekken, dan hebt gij geen licht meer, dan zijt gij in de duisternis, en wat gij dan in de duisternis doet, dus zonder Woord, zonder Gebod Gods, is dan ook een werk der duisternis, is gedaan in de duisternis. Zoo ging het met de kinderen Israëls hier: — toen de Heere zeide: „Trekt op, neemt het land in", was hun in dit woord het licht ontstoken, opdat zij in het licht van dit woord zouden wandelen.
Toen nu echter de Heere dit licht, dit Woord, van hen wegnam, tot hen zeggende: „Keert u en trekt op naar de woestijn", — overviel hen de duisternis, en toen zij nu in zulk eene duisternis, d. i. zonder Woord, wilden wandelen, wisten zij niet, waarheen zij gingen, wisten zij niet, dat zij het verderf te gemoet gingen. Daarom: „Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn".
Ten slotte nog lezen wij in Yers 45, dat Mozes hun voorhield: „Als g i j nu w e d e r k w a a m t en w e e n d e t voor h e t A a n g e z i c h t des H e e r e n , zoo v e r h o o r d e de H e e r e uwe s t e m n i e t en n e i g d e Z i j n e o o r e n n i et t o t u". Het ging hun, zooals het ook Ezau is gegaan; hij had zijne eerstgeboorte veracht en om een linzenkooksel, om eene geringe begeerte, verkocht, — „wat heb ik van de eerstgeboorte!" — „laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij", zóó lag het bij hem. Maar toen nu de zegen voor hem verloren ging en op Jakob kwam, toen wilde hij hem op eens zelf hebben, en hij deed, alsof er hem alles aan gelegen was, hij weende en klaagde en bad zijnen vader onder tranen: „zegen mij ook". Maar de Apostel wijst daarop met eene zeer ernstige vermaning, zeggende: „Gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht" (Hebr. 12 : 17), m. a. w. met al zijn bidden en smeeken, met al zijne tranen kon hij zijnen vader tot geen berouw, tot geene zinsverandering bewegen, dat het hem zou hebben berouwd, Jakob den zegen te hebben gegeven, zoodat hij dien zegen weêr zou hebben teruggenomen en naderhand op Ezau zou hebben gelegd. De vader had Gods wil en hand erkend, en hij liet zich niet bewegen. En zoo nam ook God de Heere Zijn woord niet terug, in weerwil van al het weenen en roepen der kinderen Israëls; het bleef bij het oordeel, dat Hij over hen had uitgesproken: Keert u en reist naar de woestijn, — nog veertig jaren, naar het getal der dagen, dat zij het land hadden bespied!
En zoo b l e v e n zij dan in K a d e s v e l e d a g e n , eenen langen tijd, — ja, een tijd van wachten is altijd een lange tijd, en waar men zich daarbij moet aanklagen en beschuldigen en tot zichzelven moet zeggen: wat gij lijdt en ondervindt, daarvan zijt gij zelf de schuld, dan wordt de tijd nog eens zoo lang, — een lange tijd der verootmoediging was h e t : „ v e le d a g e n , n a a r de d a g e n , d i e g i j er b l e e f t " (Vs. 46).
Ach, wanneer zal de morgen aanbreken, die aan dezen nacht van lijden en gericht een einde maakt? Maar zij moesten het leeren in dezen langen tijd, wat er in hun hart was, — dat leert men anders niet. Voor degenen onder hen, die zich verootmoedigden onder de machtige hand Gods, die over hen uitgestrekt was, en zwaar op hen lag, was deze nederlaag en de gansche weg Gods met hen tot heil en zegen, tot eeuwige zaligheid. Zóó leerden zij van genade leven en op de hand des Heeren acht slaan, om — mochten nu al de vijanden voor eenen tijd triomfeeren en jubelen: „wij hebben hen overmocht!" — nochtans later, al ging Het ook door diepe wegen heen, de overwinning te behalen en de belofte te beërven.
Ja, Zijn Verbond staat eeuwig vast,
Zóó staat geen berg, geen rots;
En toeft Hij al, Hij kent Zijn' tijd,
Hij komt, Hij komt gewis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Deuteronomium, Hoofdstuk 1. (7de Gedeelte — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken