Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 1—4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 1—4.

15 minuten leestijd

Waar de Apostel Paulus Hoofdstuk 9 : 28 zeide: „Ten anderen male zal Christus zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid", daar dacht hij aan den hoogepriester, die in het heiligdom ging met vreemd bloed, het voorhangsel en de Verbondsark zevenmaal besprengde en vergeving der zonden verkreeg voor al het volk en voor zichzelf, — terwijl intusschen het volk buiten stond vol angst, met vreeze en beven, zoo te zeggen in doodsstrijd; — eindelijk kwam hij weer uit het heiligdom, verscheen voor het volk en bracht geene zonde mede, maar den zegen en de genade Gods.
Nu laat de Apostel volgen, Hoofdstuk 10, Yers 1: , , W a nt d e W e t , h e b b e n d e e e n e s c h a d u w der t o e k o m e n de g o e d e r e n , n i e t het b e e l d zelf d e r z a k e n , k a n met d e z e l f d e o f f e r a n d e n , d i e z i j a l l e j a a r g e d u r i g l i jk o p o f f e r e n , n i m m e r m e e r h e i l i g e n d e g e n e n , d i e d a ar t o e g a a n".
Het woord „want" sluit zich aan bij het voorgaande. De Hebreën moesten zich daaraan houden, dat Christus éénmaal geofferd is, en dat dit „éénmaal" staat tegenover een ander „eenmaal", namelijk dat de mensch eenmaal moet sterven. Christus heeft eene volkomene offerande éénmaal gebracht. —
Nu spreekt de Apostel andermaal van de Wet en ontleent een beeld aan de schilderkunst. Onder de Wet verstaat hij echter niet de Tien Geboden, maar alles wat God door Mozes aan liet volk geboden heeft van offeranden, reiniging enz., in 't algemeen van den godsdienst. Deze Wet, zegt hij, h e e f t e e ne s c h a d u w d e r t o e k o m e n d e g o e d e r e n . De schilders maken, •wanneer zij een portret willen vervaardigen, met potlood, krijt of houtskool eerst eene schets, ontwerp of schaduwbeeld van den af te beelden persoon. Scheppend als zij zijn, weten zij met enkele lijnen het karakter aan te geven. Dat doot ons dan wel de kunst van den schilder bewonderen, maar men zal met het schaduwbeeld toch niet tevreden zijn, als men het beeld zelf wil hebben. Het beeld zelf eerst toont ons, hoe de mond, de oogen, het voorhoofd, de wonderbaar gebouwde neus, de onderscheiden trekken en plooien van het gezicht, de stand van de lippen enz. zijn, en welke uitdrukking daarin ligt.
Zoo is ook de Wet ons slechts eene schaduw, schets of ontwerp van hetgeen waarheid voor God is, — vergeving van zonden, eeuwig leven en zaligheid is in Christus Jesus. (Vergel. Joh 1 : 17.) In deze schaduwen was eenigermate aangeduid, wat en hoe het beeld zou zijn. Maar dat was niet genoeg; want daarmee is eigenlijk niet uitgesproken, wat wij van Gods wonderbare genade te gelooven hebben. De Wet had de schaduw der toekomstige goederen, „ n i e t h e t b e e l d (of, zooals Luther vertaalt: niet het w e z e n ) zelf der z a k e n ".
Hebben dan de Joden, die de Wet hadden, Christus niet gehad? Zij hebben Hem wel gehad, maar niet in de Wet, niet op die wijze, zooals wij Hem hebben; terwijl zij nameljjk de schaduwen zagen, gaf God het hun door den Heiligen Geest, dat zij datgene, wat zij in de schaduw niet zagen, in den hemel aanschouwden. Zij waren intusschen aan de schaduwen gebonden, en dat zijn wij — wil de Apostel zeggen — niet meer.
Wat kan nu de Wet, die de schaduw der toekomstige goederen heeft? Niets. Zij kan n i e t h e i l i g e n of volkomen maken, — dat kunnen de schaduwen niet.
Wanneer ik het beeld wil hebben, kan mij de schaduw niet gelukkig en blij maken, mij niet tevredenstellen, mij niet volkomen geruststellen, mij niet volkomen maken. De schaduw is dood, zij spreekt niet. — De Wet kan derhalve geenen vrede geven, zij kan niet gelukkig en blij maken. De Wet heeft met zonde te doen. De mensch, die tot den tabernakel kwam, had zonden, en de zonde maakt — wanneer God met Zijnen Geest en Zijn Woord werkt — bedroefd. Wie kan eenen verslagene weder oprichten? Maak mij blij met uw vriendelijk gezicht, — dat is de bede van het kind tot vader en moeder, wanneer het ongehoorzaam tegen hen is geweest, en nu met ernstige woorden terechtgewezen of bestraft wordt.
Wanneer dan de ouders het kind anders aanzien, kan het kind niet blij zijn. Straalt in den blik van vader of moeder geene vriendelijkheid, maar diepe ernst, dan verlangt het kind vurig, dat vader en moeder weer vriendelijk worden, het heeft eerder geene rust en geenen vrede, maar voelt zich ongelukkig. Het staat met vreeze in den hoek en gluurt naar zijne ouders, om te zien, of zij het niet weêr vriendelijk willen aanzien. Doen zij dat, o hoe vliegt het dan zijnen ouders in de armen. Dan is het kind weêr volkomen. Zoo ook moet de mensch volkomen worden, zoo gelukkig en vroolijk, zoo volkomen rechtvaardig voor God, alzoo dat God van hem wegneme de verschrikkelijke smart der zonde, en als Vader in Christus hem vriendelijk, genadig en goedgunstig aanzie en hem uitrukke uit de diepte zijner verlorenheid, zooals de verloren zoon werd opgenomen door zijnen vader, en zoodat Hij tot hem zegt: „Ik werp al uwe zonden achter Mijnen rug". Waar dat is geschied, daar is een arm zondaar volkomen voor God ; want daar denkt God aan de zonden niet meer. Er is hier dus geene sprake van eene zedelijke volkomenheid, ook niet van eene volkomenheid in onszelf, als uit werken, die wij zouden gedaan hebben, of van eene op de rechtvaardiging volgende heiliging, of zoogenaamde evangelische of mystieke volkomenheid, maar van eene volkomenheid voor God, in Gods oogen, waarbij mijne zaken voor God in orde zijn, waarbij ik door God als volkomen word aangezien. Dat is volkomenheid, wanneer mijne zaak voor God in het reine is, wanneer er zelfs geen stofje meer tusschen mij en God ligt, wanneer Hij mijne zonde vergeven, weggenomen, uitgedelgd, er eene streep door gehaald heeft, ja zoowel door de zonde als door schuld en straf, — wanneer Hij dus uit genade om Christus' wil mij tot Zijn kind heeft aangenomen.
Zóó volkomen maken kon de Wet niet; want naar de Wet moet men „ a l l e j a a r g e d u r i g l i j k d e z e l f d e o f f e r a n d en o p o f f e r e n " . Men moest jaarlijks op den Grooten Verzoendag met offeranden komen, en dat altijd weêr opnieuw. (Vs. 1 en 3.)
Zoo was men dan niet volkomen, en h e t g e w e t j e n v a n de z o n d e n hield niet op (Vs. 2). Altijd bleef dus het geweten en bewustzijn van de zonde, en dit bewustzijn was vanwege de schuld en verdoemenis met smart en angst verbonden.
En juist de offeranden zelf hebben dit bewustzijn altijd weêr levend gemaakt en verlevendigd, overmits door haar juist g e d a c h t e n i s der z o n d e g e s c h i e d d e . Er moet, er zal echter volkomenheid, vrede en blijdschap en een gelukkig leven zijn; zoo moet dan het geweten van de zonde weggenomen zijn.
Dat is waar, dat men Gods Wet overtreden kan, zonder daarvan een geweten te hebben; maar ook dit is waar: waar God komt met Zijnen Heiligen Geest en met Zijne Wet, daar komt men voor de geestelijke politie en voor het gericht, en de mensch klaagt zichzelf aan; dan is het geweten wakker, en dan heeft men een geweten van de zonde, dan is men op eenmaal voor Gods Rechterstoel eep overtreder geworden. Dan heeft God in het hart geworpen licht en recht, (urim en thummim, Ex. 28 : 30), — licht om zonde te zien, om zich voor door en door goddeloos en zondig te houden, — en recht, om toe te stemmen, dat er recht moet geschieden, dat God in Zijn recht is en eene volkomene genoegdoening moet hebben, en dat de geschonden Wet weêr moet hersteld worden. Dat ontdekt de Wet en de Heilige Geest. Maar alles, wat de Wet hier doet, dat geeft slechts een geweten van mijne zonde, en is mitsdien louter vloek, verdoemenis en dood. Dat houden mij de wetten van offeranden enz. voor. Wanneer ik nu op deze schaduwen zie, dan word ik niet getroost, zij kunnen mij niet levend maken, zij zijn dood. Ik moet het b e e l d des Vaders, het b e e l d Gods hebben. Deze schaduwbeelden kunnen mij niet voldoende zijn, dewijl zij mij niet gelukkig maken. Beschrijf mij, hoe God is. Zijn Zijne oogen liefelijk of zijn zij enkel vuur en vlammen, die mij verteren ? Zeg mij, hoe Zijn mond is, —- of er van Zijne lippen vriendelijkheid en genade en woorden des levens stroomen, dan wel vloek en verdoemenis, zoodat Hij mij in de hel zal werpen; — of Zijne trekken liefelijk en vriendelijk zijn, dan of zij mij afstooten en verdoemen.
Tot wien God komt met Zijne Wet, dien ontdekt Hij zonde, daar is verlegenheid vanwege de zonde, — ach ja, daar is een geweten der zonde. Daar moet genoegdoening zijn, zoodat de zonde mij niet meer drukt. Als ik elk j a a r en gedurig weêr moet gereinigd worden, nadat ik eenmaal en honderdmaal gereinigd ben, dan weet ik niet, hoe ik tegenover God sta, wanneer ik mjj altijd weêr opnieuw wasschen en reinigen moet.
Dan weet ik niets anders, dan dat het gansche register mijner zonde noch voortbestaat voor God. „ A l l e j a a r " geschiedt dat onder de Wet, daardoor dat er offeranden worden gebracht.
Het vorige j a a r bracht ik offeranden voor de reiniging, dit jaar breng ik offeranden, het volgend jaar moet ik er weêr brengen.
En zoo ging het van der jeugd af, en zoo gaat het voort tot aan het einde des levens.
Maar ofschoon dat alles geschiedt, zoo baat het mij toch n i e t s ; ik kan niet zoo veel voor God brengen, als ik wel wilde. Mijne zonden moeten weggenomen zijn, anders heb ik geene rust of duur. Dat ik mijn leven lang bokken breng, kan mijn geweten niet reinigen, niet tot rust brengen, niet volkomen maken. Maar God heeft het toch bevolen! Ja wel!
Maar niet in het bloed der bokken en kalveren, niet in de offeranden op zichzelf is de verzoening en reiniging, maar alleen in Christus. God heeft dat niet bevolen, opdat daardoor do volkomenheid zou tot stand gebracht worden, maar God heeft het bevolen, om de menschen des te meer te schande te maken, opdat door deze herhaling de menschen er toe zouden gebracht worden, om te erkennen, dat het bij hen niet ligt, maar Christus en Zijne offerande het alleen zijn, en opdat zij, nadat Christus gekomen is, mochten opgehouden hebben, God iets te willen brengen.
Den Hebreën nu was Christus gepredikt, maar dewijl zij op de> offeranden zagen, (die destijds nog voortdurend gebracht werden, en waarvoor zij het gebod en de inzetting van God in de W e t Gods vonden), meenden zij, ijvat in de Wet geschreven stond, er nog bij aan de hand te moeten houden, en zij begrepen, niet, dat de Wet eene schaduw was. De hoofdinhoud nu van hetgeen de Apostel wil zeggen, is: dat de eenige offerande van Jesus Christus alleen geldt en algenoegzaam is, om de zond» te verzoenen en het geweten volkomen, rein en vrij te maken.
Nu meenen wij wel is waar niet, dat wij God ossen en bokken brengen en slachten moeten. Nochtans is ons eene gelijke dwaling als den Hebreën eigen. De offers, die wij willen brengen, zijn allerlei werken van het „doe dat", werken van onze handen.
Daarbij vragen wij ook altijd naar Wet en gebod : heeft God het niet geboden ? heeft Hij niet geboden, dat men verloochenen: zal de wereldsche begeerlijkheden, heiliglijk leven zal, enz. ? Zo» moet ik mij dan zóó en zóó gedragen, en als ik dïit gedaan heb, dan zal God mij genadig zijn. Ach ja, zóó ligt het nog altijd bij de menschen. Ja, ik zou het u gaarne persoonlijk zeggen: wacht u ! I k zou gaarne tot menigeen persoonlijk zeggeD,, dat hij in dezelfde dwaling verkeert. Ja, God heeft het bevolen: „bekeert u ! " Hij wil, dat wij onzen weg aanstellen naar Zijn Woord en W e t ; Hij wil, dat wij den strijd aanbinden tegen duivel, zonde en wereld; maar geen mensch k a n dat doen, al wilde hij het ook; maar hij kan het niet eens willen. Ja, de Wet moet gehouden zijn; maar g i j , o mensch, blijf gij met uwe doode handen daarvan af! gij kunt ze niet vervullen, — blijf gij er van af! — Zoo buigen wij ons dan diep in het stof.
O, welk een gelukkig leven heeft de mensch op deze aarde, wanneer er tusschen zijnen God en tusschen zijne ziel zich geen stofje meer bevindt, — wanneer hij, opziende naar den hemel, kan zeggen: „ik heb daar eenen verzoenden Vader".
Geen mensch wordt echter volkomen door het beter te maken.
Wanneer hij zich voor God daarop in oprechtheid toelegt, dan is het eenige, dat God hem in het hart geeft: ik moet volkomen z i j n . De volkomenheid nu bestaat daarin, dan men vrede en blijdschap met God heeft door den Heiligen Geest.
Dezen vrede vindt men niet in zijn doen, men vindt hem alleen in de eenige offerande van Jesus Christus. Door deze offerande, éénmaal geschied, wordt men éénmaal gereinigd en alle zonden weggenomen, zoodat men er geen geweten meer van heeft.
Eén ding weet ik, als begenadigd zondaar, tot wien God gekomen is: dat het waar is, dat ik niets goeds kan doen; maar ook dit weet ik en ook dit is waar: dat ik niets slecht kan doen. Eén ding moet ik weten, dat is: Gods genade en barmhartigheid. Eén ding heb ik te bidden: God, wees mij genadig?
Waar God met Zijn Woord van genade in het hart komt, daar is het geweten van zonde weg. Zoolang ik weet, dat ik zonde heb, zoolang heb ik rust noch' duur. Ik kan niet voor den koning, ik kan niet voor de overheid verschijnen, wanneer ik tegen haar iets op het hart heb. Maar wanneer ik niets op het hart heb dan liefde, dan kan ik komen. Zoo kan ik ook niet tot God komen, wanneer ik zonde op het geweten heb, wanneer mijn geweten niet gereinigd, vrijgesproken, volkomen gemaakt is, zoodat ik vrijmoedigheid heb in Christus Jesus, en de liefde Gods in mijn hart uitgestort is. Wanneer Hij echter de zonde op het Lam legt, en dit den menseh in Zijn Evangelie openbaart, dan is het geweten gansch en al gereinigd en is volkomen, vrij en vroolijk, en de mensch is gelukkig en zalig. Dan gedenkt God der zonden niet meer, heeft er geene gedachtenis meer van. En waar G o d er geene gedachtenis meer van heeft, hoe zou dan de mensch er nog gedachtenis van hebben, er een geweten van hebben ?
Al het klagen over de zonde komt daarvandaan, dat de mensch blijft hangen tusschen zijn eigene offeranden en de offerande van Jesus Christus; dat hij hinkt op twee gedachten; dat hij zichzelf met zijne offeranden vasthoudt, terwijl hem toch wordt gezegd: „Laat los en gij zult losgelaten worden", en hij vermaand wordt, zonder handen (met de handen des geloofs, die God schept) Christus den Heere aan te grijpen.
Waar dit geschiedt, daar is almachtige genade en alle zonden zijn weg door de eenige offerande, en er is geene gedachtenis meer van. Wil de duivel nog zonden voor de voeten werpen, — hij kan het niet. Er is geene gedachtenis van zonden meer. Er mag eene gedachtenis der zonden zijn, zooals bij Paulus was, die zeide : „Ik was te voren een vervolger (der Gemeente Gods)" (1 Tim. 1 : 13), — dat is echter eene recht goede gedachtenis, eene zalige gedachtenis, niet eene gedachtenis als onder wet, waarbij er enkel nood, smart en verdoemenis is, maar eene gedachtenis der zonden om de vergeving indachtig te zijn. Dat is: men is door en door een gansch en al verloren en verdorven mensch, een zondaar geworden; maar i n deze verlorenheid, vloek en doemwaardigheid heeft men ontferming gevonden, genade ontvangen, in de diepte heeft men vergeving, genade, eeuwige verlossing, armen van eeuwige liefde gevonden. Zoo heeft men dan eene gedachtenis, die meê «vergaat in de eeuwigheid.
Zoolang men blijft hangen tusschen offeranden van zichzelf -en de offerande van Christus, zóólang is er nog een geweten van de zonden. Dan is de mensch niet volkomen. Waar het echter Christus' offerande is, daar is geene gedachtenis of geweten meer van zonden. Daar komt de mensch niet met zijne werken voor God, maar bij komt met zijnen Christus, en dat is het, wat God heeft gewild.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 1—4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken