Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 8 en 9.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 8 en 9.

12 minuten leestijd

Vers 8 en 9. „Als H i j te voren g e z e g d h a d : S l a c h t o f f e r en o f f e r a n d e en b r a n d o f f e r s en o f f e r voor de z o n d e h e b t Gij n i e t g e w i l d , n o c h h e b b e n U b e h a a g d , ( d e w e l k e n a a r de W e t g e o f f e r d w o r d e n ), t o e n s p r a k H i j : Z i e , I k k o m , om U w e n wil t e d o e n, o God! H i j n e e m t h e t e e r s t e w e g , om h e t t w e e de t e s t e l l e n ."
De bedoeling des Geestes met deze woorden is, als volgt.
Eerst had Christus gezegd: „Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild", niet verlangd, „noch hebben U behaagd"; — en nadat Christus dit gezegd had, sprak Hij: „Zie, Ik kom, om Uwen wil te doen, o God!" — Slachtoffers, gaven, brandoffers en zondoffers werden geofferd „ n a a r de W e t " , d. i : God had het zóó door Mozes op Sinaï verordend en als Wet gegeven. Niet naar de wet des duivels, maar naar de Wet Gods bestonden de offeranden. God had het zoo bevolen. Nu is het toeh iets bijzonders, dat, als God offeranden bevolen heeft, en als nu die offeranden ook gebracht worden, en wel zóó, dat er niets aan ontbreekt, — dat God dan de slachtoffers, gaven enz. niet wil.
De Apostel wil tot de Hebreën zeggen: God heeft de offeranden geboden, en dat heeft Hij gedaan door Zijne heilige Wet, en wie de Wet overtreedt, die is een zondaar. Ja, God heeft dat bevolen. Deze offeranden moesten volkomen zijD, zonder gebrek; naar de Wet zijn zij ook volkomen geweest, maar hoewel zij goed waren, behaagden zij God toch niet. Als nu de offeranden, hoewel naar de Wet zijnde, toch niet door God gewild zijn, dan kan men ophouden met offeren. Maar de Hebreën zouden zeggen: „wij nemen dat aan, — C h r i s t us is het, Die in de offeranden was voorgebeeld en afgeschaduwd; nu echter Christus gekomen is, is daarom de Wet niet opgeheven, nu moeten wij eerst slachtoffers enz. brengen; dat weten wij wel, dat wij ons aan den Messias, aan Christus, moeten houden; wij h o u d e n ons ook aan Hem; maar wij houden ons te gelijk aan de slachtoffers enz". De Apostel antwoordt: „wilt gij meer doen, dan Christus heeft gedaan?" Want Christus heeft dat niet gedaan, er staat nergens van Hem geschreven, dat Hij de slachtoffers enz. heeft gebracht. Ik lees daar niets van. Christus zegt niet: „zie, Ik kom, om slachtoffers enz. te brengen", neen, Hij zegt eerst: „Slachtoffer en offerande enz. hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd", en dan zegt Hij: „Zie, Ik kom, om Uwen wil te doen, o God!" En zoo heeft Hij de offeranden afgeschaft. Als Hij zegt, dat Hij komt niet om slachtoffers enz. te brengen, maar om Gods wil te doen, dan volgt daaruit, dat God, toen de offeranden werden gebracht, Zijnen wil niet had; hoewel zij naar Zijne Wet en bevel gebracht werden en zonder gebrek werden geofferd, had God toch Zijnen wil niet. — Christus zegt niet: „Ik kom, om slachtoffers enz. te brengen", maar: „om Uwen wil te doen". Zoo zijn het dan de offeranden niet geweest, waardoor Gods wil geschiedde. Als Christus zegt, dat dat alles — slachtoffers enz. — God niet heeft behaagd, dan is er toch nog een heel andere wil Gods, en hebben wij, offeranden brengende, toch Gods wil niet gedaan. Als men nu alles heeft gedaan, wat de Wet eischt, en dan toch Gods wil niet is geschied, dan kan men wel nalaten, slachtoffers enz. te brengen, want dan staat men met dat alles God in den weg. En dat staat hier dan ook van Christus: „ H i j n e e m t h e t e e r s t e weg, om h e t t w e e d e te s t e l l e n " , dat wil dus zeggen: gij kunt met uwe slachtoffers, met uwe varren, bokken enz. naar huis gaan, — Christus, de Zoon Gods, schaft het af; heel de verplichting tot de Wet der offeranden, gaven enz. heft Hij op en stelt het andere, dat God Zijnen wil hebbe.
Wat is nu Gods wil? Gij zult met recht antwoorden: de Tien Geboden. Wat daarin is uitgesproken, dat is Gods wil aangaande den mensch, die een afgodendienaar, een misbruiker van Gods Naam, een verstoorder van Zijn Rijk is. Wie tot dusver ongehoorzaam was jegens degenen, die over hem gesteld zijn, die wete, dat alleen in gehoorzaamheid de ware vrijheid is.
Wanneer nu God komt met Zijn Woord, dan kan dat Woord eenen menech wel omscheppen, zoodat hij zich midden in alle goede werken bevindt en wandelt naar de geboden Gods; maar dan is de schuld, de vorige schuld nog niet weg; want elke zonde maakt schuld. Wie Gods gebod overtreedt, die heeft zich voor God met schuld bezwaard; daar moet God allereerst betaling hebben voor Zijne beleedigde Majesteit. Op zonde en schuld staat straf. Wie de Wet overtreedt, heeft straf te wachten. Wie niet blijft in al hetgeen geschreven staat, wie de Wet overtreedt, die heeft eene misdaad begaan, en deze moet weggedaan. Zult gij mensch dat doen? Zult gij het weêr goedmaken? O mensch, wees zoo vroom als gij wilt, — de schuld moet uit den weg, de straf moet gedragen. Dat is Gods wil. Het baat hem, die eens gestolen of eenen moord begaan heeft, niet, als hij voor de politie komt en zegt: vóór tien jaren heb ik dat en dat gedaan, ik voel mij gedrongen, om dat aan te geven; ik heb echter einds goed opgepast". Daar kan de wet en de politie niet naar vragen. De man moet zijne straf dragen. Dat de man zich zóó gedragen heeft, dat er niets op hem was aan te merken, dadrvoor heeft hij het die tien jaren goed gehad; hij had zijn loon weg en de schuld bleef staan. Er is misdaad en Bchuld; de man wordt in hechtenis gehouden. Er is schuld, op de misdaad staat straf, die straf moet gedragen. — Zoo zien wij, wat Gods wil is : de schuld moet uitgedelgd, de straf gedragen, de misdaad weggedaan worden, en de geschonden Wet moet hare eer terughebben.
Uit het Woord is men gegaan, — het Woord moet weêr tot eere komen. Wat helpt het, dat men vroom, geloovig, bekeerd is en alle goede werken doet, als men niet te voren voor Gods gericht is verschenen, en daar — te midden van zijne veroordeeling door de Wet — vrijspraak van zonde, schuld en straf heeft erlangd? Alle vroomheid helpt niet, wanneer niet eerst de schuld gedragen is. Wanneer echter de schuld gedragen is en de mensch in het gericht Gods als een rechtvaardige staat, dan heeft de duivel niets te zeggen. Is de misdaad weggedaan, dan is de zonde uitgedelgd. Is de straf gedragen, dan is de hel gesloten en de hemel is open. Dat is de wil Gods, dat Hij Zijne eer terughebbe, de eer Zijns Naams, de eer Zijns Woords. Is Gods eer hersteld, dan heeft de mensch zjjne eer ook weêr.
Zie nu, of gij uwe eeuwige schuld met offeranden weêr kunt goedmaken, of met lapwerk iets wordt tot stand gebracht!
Maar daarmee houdt het nog niet op. — Wanneer schuld en straf gedragen, de misdaad verzoend is, dan gaat het nog om de toepassing, of een menschenkind dat gelooft, persoonlijk voor zich gelooft, — dat een menschenkind dit persoonlijk voor Gods rechterstoel doorgemaakt hebbe; en wanneer dat alles is geschied, dan houdt het daarmee nog niet op; dan begint eerst de strijd. Altijd nieuwe schuld bij oude zonden, altijd misdaad en verwachting van oordeel, van straf. Wat is dan Gods wil ?
Is de schuld betaald, de misdaad verzoend, de straf gedragen, dan moet er ook nog een hart zijn, om te gelooven, om God gelijk te geven, zichzelf te verloochenen, zoowel als de wereld en hare begeerlijkheid, — een hart, dat bovendien om vergeving roept, en Gode zweert, geene zonde meer te doen, en deze gelofte wil houden. Er moet dus een vleeschen hart zijn, het steenen hart moet weggedaan zijn, om van nu aan te bewaren de geboden Gods, om van nu aan alleen Zijnen Naam te verheerlijken. Dat moet er zijn. En waar moeten de geboden Gods bewaard, waar Zijn Naam alleen verheerlijkt worden? In den hemel? onder de engelen? Neen, dat hart moet er zijn onder de duivelen, onder menschen, die louter duivelen zijn, ja te midden van de zonde en het roepen: „Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" — een hart, dat juist daar belijdt: „Ik dank God door Jesus Christus, onzen Heere!" Dat is Gods wil. Nu scheppe zich de mensch zulk een hart! Wie het zou kunnen scheppen en het heden had, — morgen zou hij liet steenen hart weêr aannemen. Hij scheppe zich eens een hart, om juist wanneer hij zich zondaar weet en tusschen menschen en duivelen verkeert, aan God vast te houden, — niet wanneer de kast vol is, maar wanneer zij leêg is; niet bij mooi weêr, maar bij storm. Dat alles is een werk van den almachtigen God, van den Heiligen Geest Dat is Gods wil: niet offerande, maar de Heilige Geest. (Vergel. 1 Sam. 15 : 22: „Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren ?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen"; — zie ook Hos. 6 : 6 ; Matth. 9 : 13; 12:7.)
Eerst de zonde, gehuld en straf weg, en dan de Geest, de Geest der kracht, der heiliging, de blijmoedige Geest der vrijmoedigheid, Die blijft roepen: „Gij hebt mij verlost, Ileere, Gij getrouwe God!" de Geest, Die „mijn" zegt te midden van de diepten der verlorenheid en midden in den dood.
Men mag zoo veel vet samensmelten, als men wil, men maakt er toch geen Geest uit. Er zijn vele geloovige Christenen, wien door den duivel wordt wijsgemaakt, dat men God iets moet brengen. Daarbij iB men zóó vrekkig, dat men voor God geenen penning overheeft. Wien echter God tot een arm zondaar heeft gemaakt, die slechts zonde heeft en niet weet, waar hij zal blijven, — die staat daar en heeft aan het Woord niets, in het geheel niets, — hij begint te offeren, brengt gaven, en vraagt overigens naar niets, wanneer maar zijne ziel verlost wordt; hij brengt het vette tot zijne brandoffers, en dat is juist een bewijs van het ware leven; een bewijs van den dood daarentegen is het, wanneer men zoo luchthartig en lichtvaardig kan zeggen: „éénmaal is de schuld afgedaan". De oprechte is bestendig aan het gaven brengen, wel is waar eigenlijk niet om God te verzoenen, — zijne ziel moet verlost zijn, en daar brengt men alles in de waarachtige meening, dat men niets anders dan Christus brengt Maar wanneer er waarheid in het binnenste is, dan hebt gij ten slotte geen schaap meer en kunt God niets meer brengen, de schapen zijn alle schurftig geworden en deugen niet meer tot offerande. Wie echter waren lust tot heiligheid heeft, die wordt nu door en door tot een arm zondaar, die moet Ezech. 16 en Hos. 2 en 3 op zich toepassen.
Daar openbaart Zich de Heere God, Die alle offeranden n i et gewild heeft, al zijn zij ook naar de Schrift, naar de Wet, ja naar het Evangelie en de apostolische leer geofferd, — het doet alles niets ter zake. Alsdan wordt de ziel vroolijk en te gelijk treurig, wanneer zij leest: offeranden hebben God niet behaagd. Daar is schuld en te gelijk ook straf, — en offeranden heeft men niet meer, — nu is alles afgesneden; als God dat niet wil, dan ben ik verloren, dan is het met mij gedaan.
Maar Hij, Die het goede werk heeft begonnen, zal het ook voleindigen.
Nu komt het woordje „zie", — zie, daar is Een, Die het alles doen kan, Die het doen zal en doet. Is Die er ook voor mij? Verlaat u op Hem. Ja, arme ziel, de Heere zegt: „Zie!" Dat heeft Hij in den hemel tot den Vader ten aanhoore van de heilige engelen gezegd. Wanneer men nu niet meer zien kan vanwege zijne zonden, dan opent Hij met zachte hand als een wijs, bekwaam en goed geneesheer zeer langzaam en op wonderbare wijze de oogen, en zij zien hoe langer zoo klaarder, dat zij krank zijn, — ja, dan is de geneesheer welkom.
Hij komt, waar alles een einde neemt, waar God slachtoffers, gaven en dergelijke niet aanneemt, waar dat alles tot stank is geworden. Dan komt Hij en is gekomen in het vleesch, en God wordt geopenbaard in het vleesch. En in het vleesch in onze plaats, in onzen toestand, —- wat doet Hij ? offeren ? Daarvan heb ik nergens iets gelezen! Wat doet Hij dan? Den wil Gods doet Hij, dien wij niet hebben gedaan, niet kunnen doen en nooit zullen doen.
De Schrift zegt: Hij komt, om te doen den wil Gods. Watis deze wil ? Hij betaalt de schuld, ééns voor altijd. — Hij kwam en deed iets. — de gansche hel heeft zeker gelachen en geroepen: „ha, dat had Hij nimmer moeten doen!" en God schijnt er over te toornen, de hemel ër van te sidderen; maar Hij doorziet Gods hart, Hij neemt het eerste, de wet, weg, werpt ze in de hel en stelt het tweede: de genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 8 en 9.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken