Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 35.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 35.

14 minuten leestijd

Vers 35. „ W e r p t dan u w e v r i j m o e d i g h e i d n i et w e g , w e l k e e e n e g r o o t e v e r g e l d i n g d e s l o o n s h e e f t ."
De „ v r i j m o e d i g h e i d " , waarvan de Apostel hier spreekt, is zulk eene, waarbij men zou zeggen: hoe heeft hij den moed, dat te zeggen, dat te beweren? Want terwijl hij het uitspreekt, beeft hij inderdaad zelf, en voelt zich allen grond onder de voeten wegzinken.
De Hebreën hadden met het tegenstrijdige te kampen; al het zichtbare was tegen hen ; alles drong hen, om af te zien van den levenden God, en het vasthouden aan genade werd hard aangevochten. Er was zoo veel, dat hun vrees en angst kon aanjagen.
Het Woord van den levenden en waarachtigon God geeft ons blijdschap en vrijmoedigheid om te zeggen: „ik geloof de vergeving der zonden". Het Woord geeft ons blijmoedigheid, om ons met al onze zonden en schulden te leggen op het Lam, dat de zonden der wereld wegdraagt
Wij van onszelf plegen op don vorigen weg te zien, en hebben dien verloren en verdorven. Wij plegen te zien op hetgeen oogenblikkelijk is, op hetgeen gezien wordt, dat is: zonde, verlorenheid, verdoemenswaardigheid. Wij plegen te zien op het schrikkelijke van ons verderf, op het vreeselijke van den ontzettenden dood, dien wij in ons ontwaren, — plegen te luisteren naar hetgeen vleeseh en bloed ons influisteren, — plegen te hooren naar hetgeen wereld en duivel ons zeggen.
Het is den armen mensch onmogelijk, aan Christus vast te houden, vast te houden aan genade. Wij komen niet over de zonde, niet over het zichtbare heen, niet over den dood heen, — dat alles houdt ons gevangen, — tenzij wij de hand leggen op de Schrift, tenzij wij worstelen voor God, om ons vast te houden en vast te klampen aan Gods geschreven Woord. Wij komen niet over dood, zonde en nood heen, tenzij wij midden in onze verlorenheid en ons omkomen Jesus Christus aangrijpen en al het andere laten varen. Dat is het vertrouwen, dat de vrijmoedigheid, iets te zeggen en staande te houden, waarbij vleesch en bloed en de gansche macht der duisternis komt en zegt: „hoe hebt gij den moed, om dat van u uit te s p r e k e n ? " . ..
Er komt ten laatste eene ure, waarin de ziel wordt overgebracht in de eeuwige heerlijkheid. De engelen zullen haar opnemen. Welke ziel ? De ziel, waarin het geloof is, en anders geene! — Hebben wij grond, om de hand te leggen op het heilige Bijbelboek en daarop te leven en te sterven?
Het antwoord luidt: ja! Hetzij bekeerd of onbekeerd, hetzij geloovig of ongeloovig, — er is geen andere weg, ook niet voor hem, die zich midden in de wereld bevindt. Christus is de weg. Als Christenen zijn wij gedoopt op den Naam van den drieëenigen God. Wij hebben uit den mond der waarheid vernomen, wat de Vader ons zijn wil, wat de Zoon on9 is, en hoe de Heilige Geest ons wil leiden. Hetzij bekeerd of onbekeerd, — één ding weten wij, nml. dat wij voor God verdoemenswaardige zondaars zijn, dat wij in vleeseh en bloed steken, in uiterlijke dingen, dat wij niot bereid zijn om van hier te gaan.
De mensch, dewijl hij gaarne de zonde vasthoudt en zich laat vasthouden, zoo werpt hij de vrijmoedigheid weg, laat het vertrouwen varen en vertrouwt niet; zoo heeft hij dan niets, zoo is hij dood, dood in zonden, zoo is hij zondaar, en blij ft daarbij. Dat mag echter niet zoo blijven. Wat heeft God gedaan? Ilij heeft Zijnen eeniggeboren Zoon geofferd en heeft daarmee bewezen, dat Hij onzen dood niet wil; of wij Zijne heerlijke gave al verspillen, Hij wordt niet moede ons na te gaan met groote barmhartigheid, liefde en genegenheid. Hij heeft Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven, en heeft daarmeê bewezen, dat Hij alzóó lief heeft eene wereld, — niet den hemel, maar de wereld, — eenen mensch, niet eenen heilige, neen, eenen verdoemenswaardigen mensch. Dewijl Hij dat gedaan heeft, is er nu een zondoffer voor onze zonde, opdat zonde en schuld niet meer voor Hem bestaan. Christus Jesus is in de wereld gekomen, om de zondaars verlost te hebben.
Dat de Heere Jesus oen barmhartig Heiland is, daarvan heeft Ilij ons teeken en zegel gegeven. Alle zonden zijn betaald, alle schuld uitgedelgd, — de schrikkelijkste zonden, alle denkbare gruwelen zijn uitgedelgd. Mocht iemand willen tegenwerpen: „neen, deze of die schrikkelijke zonde nog niet, die zonde, waaraan ik vroeger niet heb gedacht !" —zoo leert dat de duivel, niet het Woord. Het Woord leert veelmeer, dat Jesus Christus is de vergeving voor a l l e zonden.
Het gansche Woord leert het geloof. Het houdt echter voor, wat waarheid is niet bij ons, maar bij God, waarheid naar den Heiligen Geest. Gods Woord verdoemt ons eenerzijds, ontdekt ons, dat wij gansch en al verloren zijn; het verwacht van ons niets, geenen zucht, geenen traan, het laat ons weten, dat het met ons geheel en al eene afgesneden zaak is. Maar daarboven leeft er Een, — dat leert het Woord óók, — Wiens Naam is Jesus Christus; Deze is gezeten ter Rechterhand des Vaders en komt op voor Zijne armen en ellendigen; Deze is het, Die komt met eene offerande, die eeuwig geldt. Er is daarboven een Heiland voor zondaren, want hierbeneden is niets dan schuld. Voor den troon der genade is de Heilige Geest, want in de Gemeente Gods is niets dan onreinheid. — Is Jesus een Koning des vredes, dan iB hierbeneden en in het hart niets dan onvrede; maar Hij geeft den vrede, die alle verstand te boven gaat. — Is Jesus een machtig Koning, Die met macht over Zijne vijanden heerscht, zoodat zij onder Zijne voeten gelegd worden, — de eene voor, de andere na, •— dan zijn hierbeneden niets dan vijanden van de arme ziel. — Is Hij de Heer des doods en de Uitdeeler des levens, dan is hierbeneden niets dan dood, en de dood moet gevoeld worden, opdat Hij zich verheerlijke te midden van den dood.
Er is dus geene oorzaak, waarom een mensch zou moeten blijven staan bij zijne ellende, blijven zitten op zijne zonden en zeggen: „dat is niet voor mij!"
Zóó leert ons Gods Woord met vrijmoedigheid uit te spreken, wat wij niet zien; al zien wij niets, — God zegt het, en dan mogen het hart en de duivel zeggen, wat zij willen.
Ik sterf, wij sterven, — wat zal ons verlost hebben? D i t, dat wij, gansch en al verloren zijnde, vasthouden aan Christus, den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, — zoodat, al zeggen ook duizend stemmen: „neen!" en al schreeuwen zij ons ook in het oor: „gij zijt een zondaar!", wij het evenwel uitspreken: „dat ik een zondaar ben, dat weet ik, maar ook dit, dat Christus Jesus in de wereld is gekomen, om de zondaars zalig te maken!" Dat is „ v r i j m o e d i g h e i d " of vertrouwen.
Waar deze vrijmoedigheid is, daar wordt echter niets gezien. Want ziet men op het hart, daar zijn gruwelen; — op het lichaam, dat is bevlekt. Daar zijn allerlei dingen, om den mensch in de hel te werpen; daar is niets dan een dood; daar is geene blijdschap, maar een weenen en versagen, een gansch-en-alverloren- zijn, als het ware eene klove tussehen God en mensch. De mensch moet bekennen: God en ik kunnen niet samenkomen, — waar zal ik henenvlieden?
Nu is er een Naam gegeven onder den hemel, opdat een menschenkind verlost worde. Die Naam is: „Jesus". Op dezen Naam heeft een menschenkind te zien. Van den mensch is niets, van God echter alles te verwachten, — van het stof, van den mensch niets dan verlorenheid, van God echter alle verlossing. Ik zeg het in het aangezicht van een lijk en met het oog op een graf: geene zonde of schuld, zij moge zoo groot zijn, als zij wil, zal ons afhouden van Hem, Die den dood des zondaars niet wil.
Deze vrijmoedigheid, dit vertrouwen, wordt w e g g e w o r p e n, afgelegd; want de macht des doods en der zonde zou ons gaarne verderven, alles roept ons toe, opdat wij ons den mond zouden laten stoppen, alles is er op berekend, dat wij het vertrouwen zouden wegwerpen: de zonde in onze leden, oude en nieuwe zonden, de zonde van gisteren en van heden, de macht der duisternis, de list der hel, heel een nacht van versaagdheid, — dat alles legt het er op toe, dat de ziel niet kome tot de vrijheid, waarmede Christus ons heeft vrijgemaakt. Het gaat niet zoo gemakkelijk, dat de mensch voor God en voor de machten der duisternis bekenne, wat Vraag en Antwoord 1 van den Heidelbergschen Catechismus zegt. „Ja, wanneer ik vertroost word, dan zal ik het uitspreken", denkt men. Maar zóó wordt de vrijmoedigheid weggeworpen tot schade van de ziel. Wie het vertrouwen wegwerpt, wordt niet behouden. Dat vertrouwen te bewaren, daarop komt het aan.
Zóó ligt de gansche weg der zaligheid: er zal niets gezien worden, het moet geloofd worden, wat God gedaan heeft op Golgotha en wat gepredikt wordt in de Gemeente. Loopt gij gevaar, bevindt gij u oogenblikkelijk in de wereld, — d&t mag de d u i v e l u zeggen, dat een mensch zal verzinken, als hij zich houdt aan Jesus Christus, aan het Woord van genade en ontferming; — het is evenwel niet waar. Het valt echter zwaar, zeer zwaar, het vertrouwen n i e t weg te werpen. Lichter zet een mensch zijnen voet in eenen hooggezwollen stroom, dan dat hij van overwinning zingt, terwijl toch de vijand de overmacht heeft en men niets ziet dan het tegenstrijdige. Wat ziet men, wanneer een mensch sterft, anders, dan dat hij door den dood verslonden is, al is de ziel ook gebonden in het bundeltje der levenden ?
Daar komt nu het Woord en geeft de vrijmoedigheid. De mensch echter komt met zijn „maar" en wederom „maar". De prediker kan het u slechts tot aan het oor brengen, — God, de Heilige Geest, de Geest van almachtige genade, brenge het in het hart. Dit zeg ik echter: het „maar" is uit de hel, het ja en amen komt van den hemel!
Ontwaar allerlei goddeloosheid in u, het zij u een last, er zij wee en ach, zoodat er een zuchten om genade is, als van eenen stervende, — waag het midden uit uwen dood, — het is niets gewaagd! Het Woord Gods zegt het, de Heilige Geest zegt het: „werp uwe vrijmoedigheid niet weg!"
Daar ligt iets in, wat de Apostel aldus uitdrukt: „ w e l ke e e n e g r o o t e v e r g e l d i n g des l o o n s h e e f t " . Dit vertrouwen, deze vrijmoedigheid, dat ik erken zonden te hebben, dood te zijn en schuldig te zijn, maar desniettemin dit ééne weet en belijd: „Gij, Heere Christus, zijt mijn Verlosser, U blijf ik aanhangen", — dit vertrouwen, dat ik zonde en schuld zie, daarvan gaarne zou bevrijd zijn, en nu de hand op het Lam leg; — dat de dood mij als het ware verslindt, en ik nochtans tot den God mijns levens roep: „Gij zijt nochtans mijn God! ik kan niets, nochtans waag ik het in den Naam van God ! niets is er in mij, ook niet eene vezel, waarmee ik met God zou verbonden zijn", — dat ik mij erger gevoel dan een heidenkind, en daarbij de hand leg op het Bijbelblad en mij houd aan Gods Woord, — d a t heeft eene groote vergelding des loons!
Wat is die vergelding des loons?
Een koning heeft soldaten in zijnen dienst; die zijn geroepen, om voor den koning en het land te overwinnen of te sterven.
Zij krijgen, wanneer zij ten strijde trekken, al wat zij noodig hebben meê, en ontvangen bovendien nog soldij of loon. Zoolang de koning geld heeft, betaalt hij zijnen soldaten uit. — Koning Jesu8 heeft Zijn volk ook tot kamp en strijd geroepen. De gemeene soldaat weet niet, of de slag gewonnen, dan wel verloren is, — dat moet de generaal weten; de soldaat ziet en hoort niets dan kruitdamp en kanongebulder, en dat hoofd en ledematen den soldaten van de romp geschoten worden, dat links en rechts zijne strijdmakkers vallen. Hij rukt echter onder dat alles op het commando voorwaarts, en weet zelf niet, wat er met hem gebeurt. — Zóó ook in den geestelijken oorlog. Daar is kruitdamp en kanongebulder uit de hel.
Maar het moge donderen en bliksemen, — de soldaten van Jesus Christus volharden. Zij hebben het commando, stand ie houden tegen alles en ten spijt van alles voort te rukken door alles heen, alzoo niet den moed te verliezen en niet het vertrouwen prijs te geven. Dat is het geloof, dat wij in dezen strijd tegen alles aan vasthouden aan ontferming, aan Jesus Christus. Dat is het, wat de Apostel in dit 35"te Vers zegt.
Wij zijn van alles voorzien, om in dezen slag te overwinnen, al schijnt het ook, dat wij daarin zouden omkomen.
Nu komt het loon achterna. Na eenen langen nacht van aanvechting komt het liefelijk licht der genade en van eenen heerlijken morgen. Door 's Heeren macht ontvangen wij vrede van boven, zoodat wij het weten: z ó ó heeft onze Heere en Heiland geleden, Hij heeft handen en voeten aan het kruis vastgenageld gehad. Ik heb niets meer, om iets goed te maken, de duivel maakt mij tot eenen spotkoning, — z ó ó heeft mijn Heiland overwonnen! Toen heeft Hij mij geleerd: dat is de weg, z ó ó is de weg! (Jes. 52 en 53.) — Weg is alles, maar niet de hemel, niet de troon der genade, niet de Vader, Die Zich ontfermt over Zijne kinderen, niet de Heilige Geest, niet Jesus, de Zaligmaker, niet het Lam!
„Werpt uwe vrijmoedigheid niet weg!" De gevangenis, — Hij heeft ze gevankelijk gevoerd! Het graf, — Hij heeft het verslonden.
Er volgt nog eene andere belooning!
God weet het, dat ik het niet zie. Wie is nedergekomen en heeft ons verhaald van de heerlijkheid daarboven? Niemand onzer. Kan ik het gelooven, wanneer ik het opene graf zie, — kan ik het gelooven, dat mijne ziel, wanneer ik den laatsten adem zal hebben uitgeblazen, overgedragen is in de handen des Vaders?
Gij gevoelt het, hier wordt do sprong des harten gedaan, waardoor men zich aan Gods hart werpt. Maar gelooven, — dat kan niemand uit zichzelf. En toch is het waar! Wat?
Dat wij rechtvaardig worden uit geloof alleen! dat de mensch uit genade zalig wordt! Het is alles Gods zaak, dat bijv. een kind ten doop gebracht wordt, terwijl het immers geene handen of voeten heeft om zelf heen te gaan en het aan te nemen, — geen verstand om het te begrijpen.
Ten laatste sterft de mensch. IIet lichaam vergaat. Komt gij tot God ? Zonde, dood, graf, vloek en verdoemenis komen er tusschen; maar daar juist geldt het: „Werpt uwe vrijmoedigheid niet weg!" Juist d i t vertrouwen geeft de Heilige Geest aan degenen, die Hem daarom bidden.
Eene kroon daarboven, — dat is de groote vergelding des loons, — de kroon der gerechtigheid, gekocht met kostbaar bloed. Geef u aan Hem over, en werp u met mond en hart aan Zijnen mond!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 June 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 35.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 June 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken