Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Jakobus, Hoofdstuk 1. Vers 1—4. (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Jakobus, Hoofdstuk 1. Vers 1—4. (1ste Gedeelte.)

15 minuten leestijd

„Jakobus, een dienstknecht Gods en des Heeren Jesus Christus, den twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.''

De gelijkenis van den zaaier, ons door den Heere Jesus gegeven en verklaard, is van algemeene bekendheid onder de Bijbellezers, maar of zij ook algemeen gekend wordt met toepassing op zichzelven, dat mag met recht betwijfeld worden.
Er zijn vele hoorders des Woords, vele belijders der waarheid, maar om daders des Woords te zijn, om te belijden, dewijl men gelooft, daarop komt het aan, zal men deel hebben aan het Koninkrijk Gods. Hierom gaat het: dat het Woord Gods, gehoord zijnde, in een eerlijk en goed hart bewaard zij en in volstandigheid vruchten voortbrenge, m. a. w. dat men het Woord op zichzelven toepasse, met zichzelven vergelijke en er zich aan onderwerpe, d. i. geloove.
Nu laat zich het geloof niet opdringen, en ook kunnen wij elkander het geloof en de zekerheid der zaligheid niet geven; het moet ondervindelijk geleerd worden op de school des Heiligen Geestes. En hierop hebben wij wel zeer acht te geven, want och, er is allerlei geloof, waarmede een menschenkind zich vleit, en hetwelk toch, als het wordt op de proef gesteld, geen stand houdt, en alzoo blijkt niet uit God te zijn.
Aan het standhouden in de beproeving blijkt de echtheid des geloofs. Daarin komt het aan den dag, dat het niet menschelijk werk, maar des Heiligen Geestes is. Het huis op eenen zandgrond gebouwd is niet bestand tegen de stormen en stroomen.
H e t huis op de steenrots gegrond, dat alleen blijft staan.
Wie dan aan het Woord des levens, het Woord der genade, aan den Heere Jesus Christus blijft vasthouden, — wat er ook tegen opkome, — deze zal de kroon der gerechtigheid ontvangen.
Intusschen, dat is een weg van lijden en strijd, van zwakheid en ellende, van nood en dood, — het gaat volgens de Wet van het Koninkrijk Gods: door lijden tot heerlijkheid, door den dood tot het leven.
Van deze beproeving des geloofs handelt vrij uitvoerig en met klemmende redenen de Apostel Jakobus in het l s ( e Hoofdstuk van zijnen Algemeenen Zendbrief, waarvan de verklaring hier eene plaats moge vinden.
Laat ons, na volgens Vers 1 eerst het opschrift van den Brief te hebben beschouwd, onze aandacht bepalen, volgens Vers 2 tot 4, 1°. bij de b e p r o e v i n g des g e l o o f s , en 2". bij het n u t en den z e g e n dier beproeving.
„ J a k o b u s , e e n d i e n s t k n e c h t v a n G o d e n v a n d en H e e r e J e s u s C h r i s t u s , a a n de t w a a l f s t a m m e n, d i e i n de v e r s t r o o i i n g z i j n : z a l i g h e i d ! " (Vs 1.)
Zóó luidt het opschrift. Wie is deze Jakobus? Niet de broeder van Johannes, want deze was, gelijk wij uit het Boek van de Handelingen der Apostelen (Hoofdst. 1 2 : 2 ) weten, door Herodes met het zwaard gedood, en wa3 de eerste onder de Apostelen, die den Heere Jesus door zijnen dood verheerlijkte. Maar Jakobus, de zoon van Alfeüs, waarschijnlijk een neef des Heeren Jesus, is de Apostel, die dezen Brief geschreven heeft. Zijn Brief behoort tot de zeven Algemeene Zendbrieven, zóó genoemd, omdat zij niet aan eene bepaalde Gemeente, maar meestal aan de Christenen uit de Joden in 't algemeen gericht zijn. Wat men nu tegen dezen Brief ook hebbe ingebracht en nog heden inbrengt, omdat men de spraak des Heiligen Geestes niet verstaat, — zijn inhoud is geen andere dan de algemeene Apostolische heilsleer, die ééne getuigenis en verkondiging is van het geloof in den Heere Jesus Christus als den éénigen weg der zaligheid, als de alléén geldende gerechtigheid voor God, — van dat geloof, dat zaligmakend is, hetwelk waarachtig der Wet Gods overeenkomstig maakt, — van dat geloof, dat, omdat het des Heiligen Geestes is, niet is een dood, maar het levende geloof.
Men beweert, dat de Apostel Jakobus meer nadruk legt öp de werken, en de Apostel Paulus daarentegen op het geloof, j a er waren en zijn er, die beweren, dat Jakobus den Apostel Paulus bestrijdt, en anderen zeggen, dat Jakobus den Apostel Paulus aanvult. Maar laten wij ons niet vermoeien met de velerlei jneeningen van geleerden en ongeleerden, die een wezenlijk verschil, werkelijk strijd tusschen deze twee Apostelen in hunne prediking der heilsleer zien. Dit is intusschen zeker, dat al die meeningen ontstaan zijn en ontstaan, doordat men naar vleeschelijk begrip en inzicht alzoo tegen do Heilige Schrift, tegen de meening des Heiligen Geestes in, — het geloof cn de werken scheidt. Beide Apostelen, zoowel Paulus als Jakobus, prediken het geloof, dat de werken heeft, wat alleen het zaligmakende, het door den Heiligen Geest gewerkte geloof is. En dat levende geloof, zooals het daad of werk Gods is, het eenige, hoogste, volkomene goed werk, handhaven zij naar de kracht der waarheid, eensdeels tegenover alle eigene gereehtigtigheid en werken des vromen vleesches, anderzijds tegenover die schijngerechtighcid, waarbij men zich achter „het geloof", de leer des geloofs, verschuilt, terwijl men de ongerechtigheid vasthoudt, — waar dus een zeggen is, maar geen doen, — een belijden met den mond alleen, maar geen gelooven met het hart.
In do dagen der Apostelen waren er, gelijk heden, velen, die beweerden te gelooven, en toch niet in het geloof volhardden, omdat zij het eigene leven en de eere der menschen liever hadden dan den smaad en het kruis van Christus; en zoo bewaarden dezen het geloof — om zoo te spreken — niet verder, dan dat zij het in don mond hadden Daartegen nu kwamen de Apostelen allen, gedreven door den Heiligen Geest, met ernst op, zooals bijv. de Apostel Paulus getuigde: „De voorhuid is niets en de besnijdenis niets, — maar de onderhouding der geboden Gods"; en zóó predikt ook de Apostel Jakobus dat geloof, dat uit de werken volmaakt is.
Wanneer wij nu het opschrift van dezen Brief nader beschouwen, dan merken wij op do beslistheid, den ootmoed en het gezag, waarmede dc Apostel in zijn schrijven optreedt.
Als Jakobus zijnen naam vooraan stelt, dan is dat geene aanmatiging, geene verheffing van zijnen persoon, — het komt volstrekt niet voort uit eenen hoogen dunk van zichzelven, — neen, maar het is de beslistheid, welke de Heilige Geest geeft aan Zijnen getuige om in te staan voor hetgeen hij schrijft of spreekt. Gods waarheid breng ik u, niet eens menschen, maar Gods Woord verkondig ik u, — dàt betuigt hij er meê. En deze beslistheid en vrijmoedigheid verwijderen zóó ver den roem van het eigen ik, dat men alléén den Naam voor oogen heeft van Hem, in Wiens dienst men staat. Dies noemt zich de Apostel in dien ootmoed, welken de Heilige Geest leert, eenen d i e n s t k n e c h t , — dus niet een, die eigenwillig komt aanloopen, in eigen naam en autoriteit optreedt, maar gezonden door zijnen Heer; hij noemt zich eenen dienstknecht v a n God en v a n den H e e r e J e s u s C h r i s t u s . Hij kent dus geen ander gezag dan het gezag Gods en des Heeren Jesus Christus. Door Dezen is hij geroepen en belast met hetgeen hij te zeggen en te schrijven heeft. De getuigenis van den Apostel Jakobus hebben dus diegenen, tot wie zij gebracht wordt, inderdaad en eigenlijk te betrachten en te behartigen als het Woord Gods en van Jesus Christus, Dien de Vader gezonden heeft met het bevel om Hem, dezen Zijnen Geliefde, te hooren, en wel opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, in Zijnen Naam vergeving der zonden en het eeuwige leven hebbe.
Door den mond der Apostelen spreekt dus de Heilige Geest, Die uitgaat van den Yader en den Zoon, en komt ook in dit opschrift, in de zegenbede: „ z a l i g h e i d ! " de groet des Hemels tot een arm menschenkind. „Zaligheid" heet het dus van Godswege in den Naam des Heeren Jesus. Ja, zaligheid: zondaar, voor u, die den vloek verdiend hebt, voor u goddelooze, die onder Gods toorn eeuwig verzinken moest, voor u is er zaligheid bij God, — de hemel is voor u open door Jesus Christus, onzen Heere en Zaligmaker!
Nu lezen wij hier van zaligheid, toegebeden „aan de t w a a lf s t a m m e n , die in de v e r s t r o o i i n g zijn". Wie waren deze?
Zij waren het volk Israël, voor zoover het in Jesus Christus geloofde; en het volk Israël was toenmaals reeds over de geheele wereld verstrooid. Maar wat was dat voor een volk, dat in Jesus Christus geloofde, aan wie de groet der „zaligheid" gebracht werd ? Dat was een volk, j a van eeuwigheid door God gekend en bemind, door het bloed van Jesus Christus gekocht en verlost, van zonden afgewasschen en gereinigd in den Naam des Heeren Jesus Christus en door den Geest onzes Gods, — zoo was het zalig in het oog en voor het oordeel des Heeren ; maar op zichzelf en in zichzelf beschouwd was het een volk vol zonden, niet zalig. Nog eens dan: zalig was het in het Woord der genade Gods en des Heeren Jesus Christus.
En waar dat volk nu verstrooid was, en vaak eenzaam en verlaten ternederzat, miskend, veracht, ja vervolgd door hen, die niet in Jesus Christus geloofden, zoo moest hen zulk een genadige groet naar de liefde des Heiligen Geestes wel zeer vertroosten. Ja, zulk een groet te midden van hunnen druk deed weer opnieuw moed grijpen. — Maar die groet geldt ook heden, komt nog heden tot ons. Immers, het Evangelie der zaligheid wordt ook nu nog door ons gehoord! Wien geldt die groet dan nu? Wel, het Israël Gods van onzen tijd.
En wie zijn dat? Geene anderen dan toenmaals, nml. allen, die in Christus Jesus gelooven. Dat is een volk vol zonden; dat is een ellendig en arm volk, een hard geplaagd en verdrukt volk; het is over de geheele wereld verstrooid. Het zit hier en ginds eenzaam en verlaten terneder; het kan met de groote menigte van goddeloozen en vromen niet meegaan ; zij kunnen niet spotten met Gods Wet, maar kunnen ook niet roemen in hun geloof. Het zijn behoeftigen, nooddruftigen, zwakken, die levenslang te worstelen hebben met zonde, nood, duivel, wereld en hel, — zij hebben geenen anderen naam der hulpe, der hope, der zaligheid, dan den Naam des Heeren, den Naam Jesus: „Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden".
Van dat volk hooren wij nog meer, w"aar wij acht geven op hetgeen de Apostel vervolgens schrijft, en wel eerst letten op de b e p r o e v i n g des g e l o o f s.
„ A c h t h e t v o o r g r o o t e v r e u g d e , m i j n e b r o e d e r s! w a n n e e r g i j in v e l e r l e i v e r z o e k i n g e n v a l t " (Vs. 2).
Zóó schrijft de Apostel vol deelneming der liefde des Heiligen Geestes. Daarom noemt hij hen zijne „ b r o e d e r s " . Hij zelf ia op die school geweest of is er nog op, waar de nood gekend, maar ook de troost Gods ondervonden wordt.
Het volk, waarvan wij spraken, komt dus in v e r z o e k i n g, het wordt beproefd. Dat is eene beproeving, waardoor het aan den dag komt, hoe het met den mensch in der waarheid staat: of het Woord Gods metterdaad in het hart is opgenomen, of het zaad in de goede aarde is gevallen.
En die verzoekingen, die beproevingen zijn v e l e r l e i . Het is verdrukking en vervolging, spot en smaad om des Woords, om der gerechtigheid wille. Het is de inwendige nood bij de bevinding, hoe de zonde woelt en tiert, en de duivel met list en geweld het er op toelegt om ons van het geloove af te houden. Daarbij vaak uitwendige nood, lichaamssmart, huiselijk leed, en dat wij met allerlei gebrek des tijdelijken levens bedreigd worden. Het is, in 't algemeen, allerlei nood en lijden, kruis en tegenheden, als het tegenovergestelde van het gehoopte en geloofde hei), dat God den Zijnen heeft toegezegd. In plaats van gerechtigheid, vrede, genade, leven, zaligheid, hulpe en redding uit allen nood, vindt men op zijn pad zonde, zwakheid, jammer, druk, ellende, het tegendeel van de beloften Gods. En o, hoe kunnen die verzoekingen zich opéénhoopen, zoodat men er als onder bedolven ligt, en het schijnt, of alle uitkomst voorbij is. Laat ons eens aan Job denken; naar het zichtbare van alles beroofd, zat hij terneer in de grootste ellende.
„Houdt gij nog vast aan uwe oprechtigheid ? Zegen God en sterf!" sprak zijne vrouw tot hem. En zijne vrienden hebben hem met hunne vertroostingen slechts moeite en verdriet aangedaan en hem met verwijtingen overladen. Laat ons ook aan David denken; deze, tot koning gezalfd in de plaats van Saul, moest vluchten, en toen ging het met hem door wegen, geheel het tegenovergestelde van de belofte Gods, zoodat hij vreesde nog te eeniger tijd door Sauls handen te zullen omkomen. Och, het gaat met de heiligen Gods niet anders, dan zooals de Apostel Paulus getuigde: „Gelijk geschreven is: want om Uwentwil worden wij den ganschen dag gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting".
De mate nu dezer verzoekingen moge verschillend zijn, maar allen, die in waarheid in Christus Jesus gelooven, die godzaliglijk in dit leven begeeren te wandelen, — zij worden verdrukt, gelasterd, gesmaad door de wereld, zoodat zij zich doorgaans eenzaam en verlaten gevoelen en als miskenden of niet gekenden hunnen weg gaan; — zij worden gekweld en verontrust door de zonde, zoodat zij menigmaal vreezen en beven bij de aanschouwing van de vuile bron van al hunne wanbedrijven, en uitroepen: „ach, ik ellendig mensch!" en: „Ileere! zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat! Heere, wie zal bestaan?" — zij worden geplaagd en aangevochten door den duivel en de tegenpartijder, die rondgaat als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, zoodat wij in angsten der hel, in verschrikkingen des doods aan niets anders denken dan aan vergaan ; — wanneer dan bovendien nog uitwendige nood komt, o, hoe wordt dan de waarheid van dit Apostolisch woord verstaan: gevallen, d. i. omringd, van alle zijden, omgeven door verzoekingen, in en uitwendig; van binnen en van buiten: alles nood, alles nood! ach ! wat is er van waar, dat ik, vrijgemaakt van de zonde, der gerechtigheid leef, vrede bij God heb! — ach! wat is er van waar, dat de hemel der genade mij geopend is, zoodat ik licht, troost, zaligheid heb bij den Heere! — ach! wat is er van waar, dat mij hulpe besteld is, hnlpe bij den Heere voor lichaam en ziel! zal ik niet nog te eeniger tijd in Satans geweld omkomen? heb ik mij niet maar wat ingebeeld van Gods genade over mij ?!
Zoo is er benauwdheid en droefenis. Och, daar meent men te zullen bezwijken. En ja, wij zouden ook wel bezwijken, en wij zouden, in plaats van zulk eenen weg van schijnbaar omkomen, wel spoedig eenen weg kiezen, dien duivel, wereld en het arglistige hart ons voortooveren, — van uiterlijke heerlijkheid en zaligheid, — maar de Heere God waakt over Zijne armen en ellendigen, en in deze Zijne liefde en trouw laat Hij hun door Zijnen dienstknecht toeroepen: „Acht het voor groote vreugde, mijne broeders! wanneer gij in velerlei verzoekingen valt".
Maar hoe? voor groote vreugde dat te achten? zich daarover grootelijks te verblijden, als alle zichtbare heerlijkheid en tastbare zaligheid ons ontvalt? hoe is dat mogelijk?
De Apostel bedoelt niet, dat de verzoekingen, de beproevingen op zichzelf ons tot vreugde zullen zijn; ook hij kende dat in- en uitwendige lijden wel terdege als lijden; maar hij heeft het oog op het nut en den zegen van deze beproevingen, en wil het arme zwake hart opgericht hebben door de betrachting van dat éénige en hoogste Goed, hetwelk de ziel nochtans met vreugde vervult, of het naar het zichtbare ook alles nood i s ; zooals een Profeet getuigt: „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geene vrucht aan den wijnstok zijn zal, en of' er ook geen rund in de stallingen wezen zal; zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils"; of zooals Asaf uitroept: „Wien heb ik neven U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juli 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Jakobus, Hoofdstuk 1. Vers 1—4. (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juli 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken