Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 1 : 16. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Betrachting over Johannes 1 : 16. (2de Gedeelte. — Slot.)

13 minuten leestijd

„En uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade."

Dat in Hem alleen alle volheid is, en dat dit naar den wil en het welbehagen Gods is, dat heeft ook de Apostel Paulus uitgesproken in zijnen Brief aan de Colossensen (Hoofdst. 1 : 19), waar hij zegt: „Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou", — in Hem, van Wien hij te voren zoo groote en verhevene zaken heeft uitgesproken, t. w. dat Hij is het Beeld des onzienlijken Gods, dat dus alle liefde, goedertierenheid, genade, barmhartigheid Gods uit Zijn Aangezicht ons toestraalt, zoodat Hij met recht en naar waarheid kon zeggen: „Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien". Vervolgens heet Hij daar : „de Eerstgeborene aller creatuur", — want door Hem en tot Hem zijn alle dingen geschapen, — zoodat alle die dingen, die bestaan, zienlijke of onzienlijke, naar Zijnen wil en overeenkomstig Zijne wijsheid geschapen zijn en bestaan, en alles dienen moet tot Zijne verheerlijking, zoodat in Hem eene in zonden verlorene wereld weêr hersteld is, en alles uitloopen moet tot heil en zaligheid Zijner uitverkorenen. Hij is „het Hoofd des lichaams", d. i. der Gemeente, zoodat dus alles van Hem uitgaat, en de gansche Gemeente door Hem geregeerd wordt. „Hij is het Begin, de Eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn": door Hem en in Hem alleen is er voor de Zijnen opstanding uit eiken dood, Hij te allen tijde en in alle dingen de Eerste, de Zijnen komen achter Hem. En nu laat de Apostel daarop volgen : „Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou, en dat Hij alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven". En wederom zegt Hij (Hoofdst 2 : 9 ) : „Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk", — d. i. al wat Goddelijk is, wat overeenkomstig Gods wil en Zijns waardig is, dat woont in IIem, Die in ons vleesch gekomen is. Immers in het vleeseh komende heeft Hij het op Zich genomen, om den wil Gods volkomen te doen, en alzoo, tegenover onze ongehoorzaamheid, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, den dood des kruises, heeft Hij eene volkomene genoegdoening aangebracht, eene eeuwiggeldende verzoening; eene eeuwige gerechtigheid en heiligheid heeft Hij in Zichzelven teweeggebracht. Bij zulk eene gerechtigheid kon de dood Hem niet houden, het graf Hem niet voor eeuwig besluiten; zoo is er in Zijne opstanding uit de dooden eene opstanding voor de Zijnen verworven en verkregen uit eiken dood, uit elke verlorenheid, al is zij nog zoo diep.
Hij heeft verworven het hart des Vaders, eenen vrijen, open toegang tot dat harte, ja Hij Zelf is door den Vader tot eenen troon der genade verordineerd en gesteld, waar op grond van het bloed der verzoening, dat Hij heeft uitgestort, vergeving der zonden verkregen wordt. Den Heiligen Geest heeft Hij verworven voor al de Zijnen, die de Vader Hem gegeven heeft uit de wereld, en die Hij, de Zoon, Zich gekocht heeft met Zijn bloed, opdat deze Geest hun zij tot eenen Leeraar dor waarheid, om hen in te leiden in alle waarheid, hun een steeds dieper inzien te schenken in de verborgenheden Zijns Woords, hun te ontsluiten den rijkdom en de waarheid van hot eeuwig Raadsbesluit Gods tot onze zaligheid; opdat deze Geest hun zij tot eenen Trooster, om hen te troosten in al den nood en in alle aanvechting hierbeneden, in alle droefheid naar God, waar zij klagen over hunne zonde en ellende, en het hun te doen is om de vervulling van al de beloften Gods, hun geschonken; opdat deze Geest in de tafelen hunner harten inschrijve des Heeren Wet, en Hij verinaak geve in Zijne geboden, inzettingen en rechten, en Hij make, dat zij daarin wandelen, ze onderhouden en doen. En nadat de Heere alles volbracht had, heeft Hij gezegd: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op aarde", en het is waarheid geworden wat de Apostel zegt: „Hij heeft Hem gemaakt tot eenen Erfgenaam van alles". Is Hij dan over alle dingen gesteld, dan is het ook do waarheid : Dood, zonde, duivel, leven en genade, dit alles heeft Hij in handen; Hij kan verlossen allen, die tot Hom komen, en hen deelachtig maken Zijn heil, Zijne schatten en gaven.
Zoo is dan in Hem de volheid; er is bij Hem een rijke, onuitputtelijke voorraad, die nimmer ophoudt, die nooit minder wordt, — zóóveel leege vaten zijn er niet, dat Hij ze niet zou kunnen vullen; zóóveel nood, ellende, gebrek en armoede is er niet, o mensch, dat Hij niet zou kunnen helpen; eene volheid van gerechtigheid, van vergeving van zonden, van vrede en troost in uwen strijd en uwe vreeze is er bij Hem; eene volheid van licht in uwen nacht, van heiligende genade; van genade, dat, waar do zonde overvloedig geworden is, dezo genade nog veel meer overvloedig is; van macht, om vast te houden aan Gods Woord en Gebod, opdat de wandel zij in gerechtigheid, waarbij niet wordt gevraagd naar vleesch en bloed, naar den eigen wil of den wil der wereld, maar alleen naar den wil Gods, zoo dat de Apostel Paulus kon zeggen: „Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft", — t. w. alle dingen, die met zijn ambt als Apostel, waartoe hij door God geroepen was, samenhingen, m. a. w. al wat God van hem verlangde, wat Hij van hem begeerde, — hij verwachtte het niet van zichzelven, maar alles van Dien, Die hem daartoe kracht gaf, dus uit de volheid van Christus.
Is het nu Gods welbehagen, dat in Christus alle volheid wonen zal, zoo is hot ook Gods wolbehagen, dat gij, die leeg zijt en bij uzelven niets vindt van wat gij voor God hebben moet, niet bij het uwe blijft zitten, maar gedurig lienengaat tot deze volheid, die in Christus Jesus is, om daaruit te ontvangen genade voor genade. „W i j " , zegt de Evangelist Johannes, — hij sluit er zichzelven bij in, hij, die niet daarin heeft te roemen, dat hij den Ileere Jesus Christus heeft liefgehad, maar wien het als eene groote en wonderbare zaak is voorgekomen, dat de Ileere Jesus hem liefhad; en zoo denken en gevoelen ook al zijne broeders; hij schrijft hier niet van zich alleen, maar van hen allen, die met hem door den Ileere Jesus beweldadigd zijn geworden, van allo geloovigen, alle discipelen en belijders des Heeren, of zij nu oenen naam hebben in de Gemeente, of niet, of zij een sterk of een zwak geloof hebben, — hij zegt: „wij a l l e n " , — wij allen, die arm en ellendig zijn in onszelven, die bij ons niets vinden, die echter verlangen naar den levenden God, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, — wij zijn tot deze vrije en geopende Fontein gegaan, geopend voor het huis van David en de inwoners van Jerusalem, om af te wasschen allo zonde en onreinigheid, — tot deze Fontein, die levend water opgeeft, en wij zijn niet afgewezen, wij zijn ook niet beschaamd uitgekomen, — „wij hebben ontvangen genade voor genade"'. Want wat wij daar verkregen, dat was alles genade: vergeving van zonden, gerechtigheid voor God, eeuwig leven, — wij hebben het niet verdiend, het kwam ons toe van Boven uit de genade Gods, uit de volheid van Zijnen eeniggeboren' Zoon, onzen Heere Jesus Christus. Dat wij in onze droefheid naar God troost ontvingen, dat vrede van Boven ons toekwam in al den kamp en strijd dezes levens, dat wij vastgehouden werden in alle verzoeking, in alle vervolging, om nochtans niet los te laten het goede gebod, maar om den wille Gods te doen en niet den wil der wereld, om niet met de ongerechtigheid mede te doen, om den Heere niet te verloochenen, om te blijven bij Gods gebod en in Gods wegen, — dat is alles genade, genade in den beginne, genade in het midden, genade aan het einde. Het is niet maar in den beginne genade, en wordt dan bij den voortgang van eigen heiliging eene verdienste, maar het geheele leven door is het en zal het wezen: genade, ja tot den laatsten ademtocht: genade, — „o God, wees mij zondaar genadig!" zooals wij zingen: „Op Uw genade zal ik leven, op Uw gena den doodsnik geven, o Heer, aan Wien ik mij betrouw!"
Zoo is het ook geheel in overeenstemming met de betuiging van den Apostel Paulus, waar hij van de rechtvaardigheid Gods of van de rechtvaardigheid, die voor God geldt, zegt, dat zij komt uit geloof tot geloof, —- niet uit geloof in den beginne, en daarna in eigene heiliging, in zelfgekozene werken, maar gelijk het geloof is in den beginne, zoo blijft het geloof bij voortgang, en geloof alleen ook aan het einde. Zoo dan ook hier: genade voor genade. Nooit ofte nimmer wordt het waardigheid of verdienste.
Als echter de Apostel ons dit mededeelt: „wij allen hebben uit Zijne volheid ontvangen, ook genade voor genade", dan zegt hij dit, opdat wij, die zijn Evangelie lezen en daarmee ook deze woorden, wij, die onszelven leeg en arm voelen, als zulken, die niets kunnen en niets hebben in zichzelven, den moed en de vrijmoedigheid verkrijgen, om het ook zoo te maken, als hij gezegd heeft, dat wij nml. ook toegaan tot den troon der genade en luisteren naar 's Heeren stem: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, Ik zal u ruste geven", — dat is immers genade! dat wij hooren naar de stem des Heiligen Geestes: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld liebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs", — komt, schept, neemt uit deze volheid om niet, — „beide wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort, en uwe ziel zal leven : want I k zal met u een eeuwig Verbond maken", — een Verbond der genade, waarin u alles wordt geschonken wat gij behoeft, — „en u geven de gewisse weldadigheden van David" (Jes. 55 : 1—3).
Onze Heere klaagt eens bij den Profeet Jeremia: „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden", eene dubbele zonde dus, de genade te verzaken, te verlaten, en zichzelven te willen helpen. Daarom dan tot de levende Fontein gegaan, tot de volheid, die in Christus Jesus is, waar gij uzelven zoo leeg voelt. En waar gij u tegenover de Wet Gods, die geestelijk is, vleeschelijk gevoelt en verkocht onder de zonde, onbekwaam en machteloos tot hetgeen goed is, onbekwaam om het gebod te houden, en toch het gebod moet gehouden worden, — word niet moedeloos en laat de gehoorzaamheid niet varen, omdat gij niet kunt —: tot den Heere Christus heen, tot Zijne volheid, gij zult het bij u nimmer vinden, de ware gehoorzaamheid. Denk niet bij uzelven : omdat ik niet kan, daarom behoef ik ook niet, ik ben er van vrijgemaakt of ontbonden om te gehoorzamen. Gaat het u daarom, dat gij, kind, het Vijfde Gebod houdt, uwe ouders eert en lief hebt, gaat het u daarom, o mensch, dat gij in uw ambt, betrekking en dienst getrouw bevonden wordt, dat gij den Naam des Iïeeren uws Gods verheerlijkt in al uw spreken en doen, en uwen naaste dient om des Iïeeren wil; gaat het u in waarheid daarom, dat gij den dag des Heeren heiligt, in liefde met uwen naaste leeft, dat gij toorn, haat, tweedracht vermijdt, in kuischheid leeft, niet liegt en lastert, — zoek geene kracht bij uzelven, tot den Ileere Jesus henen, in Wien ook te .dezen opzichte de volheid is; wat gij bij u niet vindt, dat kan Hij geven, dat zal Hij geven : uit Zijne volheid zult gij het ontvangen. Maar altijd zóó, dat het is en blijft: g e n a d e v o o r g e n a d e , — als gij een eenig goed werk doet, dan is het nimmer uwe waardigheid en verdienste, het is en blijft genade; en is het en blijft het genade, dan zijt gij en blijft gij voor God en in uwe eigene oogen een zondaar, een overtreder, een goddelooze, in uzelven leeg, geheel leeg, maar gij gaat tot Hem, Die de volheid is en de volheid heeft. Daar is het dan echter niet zóó, dat het leege vat, dat tot Christus gaat, om uit Zijne volheid te ontvangen ook genade voor genade, daardoor nu een vol vat zou worden, alsof het bijv. vóór de bekeering een leeg vat geweest was, maar na de bekeering in zichzelven vol zou worden. Neen, daarin bestaat het ware geloofsleven, de werkzaamheid van het waarachtige leven in het geloof, dat gij als leeg vat gedurig weder tot deze volheid gaat, gelijk gisteren, zoo heden, gelijk heden zoo morgen; daarin bestaat de ware bekeering, dat gij 't niet bij uzelven zoekt, wat u nuttig en noodig is voor uwe zaligheid, maar dat gij dit eerste stuk geleerd hebt: het ligt niet in mij, — maar ook dit tweede stuk: het ligt buiten mij, in mijnen Heere Jesus Christus, Die Zich over mij ontfermd heeft. Dat is ook de ware dankbaarheid, die God van ons vordert, en het is Zijn gebod, dat wij bij Hem blijven en uit Zijne volheid nemen, en Zijnen Naam aanroepen. Dus tot Hem heen voor alles en tegen alles, als een bedelaar, die zelf niets heeft, als een kind, dat niets bezit, maar al wat het noodig heeft, van zijne ouders ontvangt. Dit gaan tot de volheid en dit uit de volheid ontvangen van genade voor genade is echter in het leven meestal verbonden met angst en nood, met sidderen en beven, met de vraag: „zou ik 't wel mogen?" en: „is 't ook voor mij?" en met de klacht: „ach, dat ik het ware geloof had!"
Intusschen, de nood drijft, de honger drijft tot de spijze, zoodat de ziel het nochtans waagt: Kom ik om, dan kom ik om ! — en gaande tot den Heere Jesus, ervaart zij, dat Hij is de Schoonste onder de menschenkinderen, genade is uitgestort in Zijne lippen, Hij reikt haar den schepter der genade toe, en waar de ziel op de vraag: „wat is uwe bede, en zij zal u gegeven worden, en wat iB uw verzoek, het zal u geschieden", vrijuit tot Hem zegt al hare begeerte, daar zal zij ontvangen, gelijk hare broeders en zusters ontvangen hebben, al wat haar ontbreekt, ook genade voor genade!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 augustus 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Johannes 1 : 16. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 augustus 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken