Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Ezechiël 36 : 32.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Ezechiël 36 : 32.

21 minuten leestijd

„Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere, het zij u bekend! Schaamt u en wordt schaamrood van uwe wegen, gij huis Israëls!"

„Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. "Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen." Ziedaar de hoofdsom van de leer, die naar de godzaligheid is, de leer van Gods eeuwige liefde en ontferming, die de zekerheid der zaligheid in Christus Jesus ons klaar en duidelijk predikt, zoo dat het zalig-worden uitsluitend het werk is van de almachtige genade. Het is een uit loutere barmhartigheid alles hebben, wat tot de zaligheid behoort en noodig is, in den Heere Jesus Christus, niet alleen de vergeving der zonden, maar ook den wandel in goede werken.
Deze leer is dan waarlijk Evangelie, eene blijde boodschap voor de armen en ellendigen, die het leven niet in eigen hand kunnen houden. Zij is de troost van de Gemeente Gods. Daarentegen is zij eene ergernis voor allen, die met werken omgaan, hetzij werken des ongeloofs, hetzij van een eigenwillig geloof. Zij is de steen des aanstoots voor het vleeschelijk Jerusalem, voor de Roomsche kerk en allen, die het met haar houden. Ja alle vleesch, d. i. de mensch, zooals hij van nature is, ergert zich aan die leer; want vleesch heeft eenen afkeer van de genade, zooals zij genade is, het haat God en den eenigen weg des heils.
Nu houden in de Gemeente duivel, wereld en eigen vleesch niet op, die leer en dat Evangelie te bestrijden en te betwisten; en het is aan die doodvijanden onzer zaligheid helaas gelukt om menigeen afvallig te maken, die in het eerst zich in de eenvoudige leer des heils in Christus Jesus scheen te verheugen. Het is dan wel noodzakelijk, dat het ons voortdurend wordt voorgehouden, dat en hoe God zalig gemaakt heeft in Christus Jesus, en in Hem bewaart naar Zijne eeuwige liefde en trouw, opdat wij niet mede afgetrokken worden, èn opdat de aangevochtene ziel smake de zekerheid harer zaligheid.
Laat ons met het oog daarop overdenken de woorden des Heeren, die wij vinden opgeteekend bij den Profeet Ezechiël, Hoofdstuk 3 6 : 32: „Ik doe h e t n i e t om u w e n t w i l, s p r e e k t de H e e r e H e e r e , h e t z i j u b e k e n d ! S c h a a mt u en w o r d t s c h a a m r o o d van u w e w e g e n , g i j h u is I s r a ë l s ! "
Deze woorden overwegende letten wij op de volgende punten : 1. van welk doen de Heere tot het huis Israëls spreekt; 2. hoe Hij dit doen wil beschouwd hebben; 3. dat en waartoe Hij het, onder Zijn volk wil hebben bekendgemaakt.
De Heere spreekt hier door den Profeet Ezechiël tot Zijn volk, toen het uit zijn land uitgegaan was en onder de Heidenen gekomen. De Heere had Zijn volk, hoewel het Hem versmaad had, toch niet vergeten, maar Hij liet het in zijne gevangenschap door Zijne Profeten Ezechiël en Daniël vermanen en vertroosten.
Waarom was het huis Israëls onder de Heidenen gekomen? Het was geschied om der zonde wil. Dit door den Heere zoo rijk gezegende volk had zijnen God snoodelijk verlaten; het was in de overtreding van Gods heilige wetten van kwaad tot erger voortgegaan; en toen, na lang geduld, had de Heere het in de hand der vijanden overgegeven.
Och, het volk had zijnen weg ganschelijk voor den Heere bedorven, zich geheel verontreinigd. De kinderen werden aan den afgod Moloch geofferd, — o schrikkelijke afhoereering van den levenden God! „Daarom, spreekt de Heere", zóó lezen wij Yers 18 en 19, „goot lk Mijne grimmigheid over hen uit om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hunne drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden. En Ik verstrooide hen onder de Heidenen, en zij werden verspreid in de landen; en I k oordeelde hen naar hunnen weg en naar hunne handelingen."
En wat was wel het vreeselijkste van hunne goddelooze wegen en werken ? Dit: dat zij den Naam, den heiligen Naam dea Hoeren daardoor ontheiligden en deden lasteren door de Heidenen, tot wie zij getogen waren; want dezen zeiden, God lasterende, van hen: „Dezen zijn het volk des Heeren, en zijn uit Zijn land uitgegaan" (Vs. 20).
Wat zou de Heere nu doen? Zou Hij tuchtigen en straffen? Zou Hij Zijn volk prijsgeven aan hunne ongerechtigheid tot wia verderf?
Getuchtigd, geatraft heeft Hij hen; in Zijne rechtvaardige grimmigheid heeft Hij hen in de hand dea vijanda gegeven, hen verstrooid en verspreid onder de Heidenen. Dat zij in ballingschap zjjn gekomen, dolende in den vreemde, verbannen uit het land, dat God hunnen vaderen gezworen had te geven, — ia dit niet de straffende hand dea Heeren over hen ?
Ja, dat was Zijn oordeel, waarin Hij naar gerechtigheid met hen handelde. Maar Zijn volk eene prooi dea verderfa maken, dat zal Hij nochtans niet doen. Hij zal Zijnen heiligen Naam, dien zij wel ia waar ontheiligd hebben, evenwel handhaven niet tot hun verderf, maar ten prijze Zijner wondere barmhartigheid tot hun behoud. Aklua toch spreekt de Heere (Vs.22 vv.): „Zegt tot het huia Israëls: Ik zal Mijnen grooten Naam heiligen, die onder de Heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de Heidenen zullen weten, dat ik de Heere ben, spreekt de Heere, Heere, als Ik aan u voor hunne oogen geheiligd zal zijn, want Ik zal u uit de Heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen".
Ziedaar de belofte Gods van Israëla terugkeer uit Babel; ja, maar 't is voorbeeld en profetie van het groote, geestelijke genadewerk des Heeren, van de nieuwe achepping in Christus Jesua, in Wien en door Wien de Heere God uit de gansche wereld de Zijnen vergadert, om hen te doen deelen in al de geestelijke zegeningen, met welke Hij hen in den Geliefde heeft begenadigd. Daarom volgt ook op deze toezegging, en hieraan verbonden, de genadige belofte van wedergeboorte en heiligmaking in do bekende verbondswoorden Gods: „Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden: van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steenen hart uit uw vleeach wegnemen en zal u een vleeschen hart geven. En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen ! " (Vs. 25—27.)
En bij deze woorden voegt de Heere nog de belofte van allen overvloed, dien zij bij en van Hem hebben, en verzekert hun, dat zij Hem tot een volk en Hij hun tot eenen God zal zijn.
V a n welk doen dan s p r e e k t de H e e r e door den Profeet tot het huia Israëls? O, het ia duidelijk, dat Hij spreekt van hetzelfde doen, als waarvan Hij door den Apostel Paulus der Gemeente te Efeze laat getuigen (Iloofdst. 2): „Maar God, Die rijk ia in barmhartigheid door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, óók toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt en heeft ona mede gezet in den hemel in Christus Jesus".
De Heere spreekt dus van het doen naar het eeuwig voornemen der genade, naar Zijnen eeuwigen vrederaad, om menschen, die den eeuwigen dood verdiend hebben, verlorene zondaren, te behouden en zalig te maken, zooals Hij dat beloofd en volvoerd heeft in Zijnen lieven Zoon Jesua Christus, — een doen, dat al den Zijnen, uit alle geslacht, taal, natie en volk, heel Zijn geestelijk Israël, ten goede komt; het is een doen, waardoor de Kerk Gods op aarde in lijden en strijden vertroost en gesterkt wordt, waarvan zij hier zingt in hare Psalmen en waarover daarboven het eeuwig loflied ruiacht, voor den troon dea Heeren. Zoo vernemen wy dan in dit doen Goda Zijn eeuwig Evangelie, dat, uit Zijne eeuwige liefde voortgekomen, bij de grondlegging der wereld in het Paradijs geopenbaard werd uit vrije goedheid, toen de eerste menach in zijne zonde en schuld, in dood en verderf terneêrlag, om hem, die aan nieta anders kon denken dan aan vergaan, zijne eeuwige behoudenis te verzekeren; en welk Evangelie sedert ia voortgegaan en voortgaat zijne liefelijke galmen te doen hooren in het hart van al de ellendigen Goda tot hunne eeuwige heerlijkheid, maar die voor Zijn heilig Aangezicht terneèrliggen in vloek en schande. Dat doen des Heeren getuigt dan ook heden onder ons, dat er genade, vergeving van zonden, rechtvaardiging en heiliging ia bij God in Christus Jesus voor zondaren, groote zondaren, voor goddeloozen, gruwelijke overtreders van Goda heilige Wet, voor menschen, die eeuwige vervloeking hebben verdiend. O, het rukt eenen zondaar op eena uit de diepte zijner verlorenheid, maakt de gevangenen loa, zendt de gebondenen henen in vrijheid; het brengt het verlorene, afgedwaalde achaap tot de kudde terug, voert uit de wildernis in een effen land.
Het geeft aan menschen, die een oud en boos, een hard, ja een steenen hart hebben, een nieuw, een vleeschen hart; het reinigt van alle onreinheid en van alle drekgoden; het maakt van menschen, die niet andera doen dan zondigen, die wandelen in verkeerde wegen, rechtvaardigen, die Goda inzettingen en rechten bewaren en doen. Het voert uit duisternis en dood in licht en leven; brengt van gebrek tot overvloed; doet eenen arme aan gerechtigheid vervuld zijn met alles wat Gode welbehaaglijk is. Nog eens: dat doen des Heeren maakt van geheel afvalligen en wederhoorigen gehoorzame kinderen Gods; zegt tot Lo Ammi, niet-Mijn-volk: „gij zijt Mijn volk"; tot Lo-Ruehama, niet-ontfermd: „gij zijt ontfermd". O, het achenkt een volkomen heil, zooala het in de Heilige Schrift tot de Gemeente des Heeren heet: „Uit God zijt gij in Christus Jesus, Die ona geworden ia wijaheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing". O, heerlijk, onuitsprekelijk heerlijk en liefelijk Evangelie, ons getuigende van de daden des Heeren, beloofd en gewrocht in Christus Jesus! Ja, louter wonderen zijn Zijn doen, wonderen van genade en macht, van barmhartigheid en goedertierenheid, van trouw en waarheid. Och, wat verstaan wij er van! Neen, dat verlosaingawerk vatten wij niet; maar toch, hoe machtig kan dit doen dea Heeren eenen armen mensch vertrooaten en verkwikken! hoe gelukzalig maakt het en heft uit het atof op een', die daar in zijn bloed vertreden ligt, met nieta anders dan den dood voor oogen; o, daar hoort hij het woord des eeuwigen Ontfermers: „Leef, ja, gij in uwen bloede, leef!"
Hoe wil nu de Heere Z i j n doen, waarvan wij een weinig spraken, b e s c h o u w d h e b b e n ? Niet anders dan als ontferming, genade, rijk en vrij. Het is eene daad van Zijn eeuwig welbehagen. „Ik doe h e t n i e t om u w e n t w i l, s p r e e k t de H e e r e H e e r e . " Wat zegt Hij daarmede?
Daarmee betuigt Hij aan het huis Israëls, dat alle verdienste en waardigheid hunnerzijds geheel en al buitengesloten is. Er komen dan geenerlei eigenschappen of hoedanigheden van Israël in aanmerking. Nu, goede eigenschappen had het volk ook niet, dat is nu zeker wel duidelijk. Een volk, dat om zijne goddeloosheid in ballingschap was, — een volk, waarover de Heere Zijne grimmigheid uitgoot om het door hen vergoten bloed en om de drekgoden, waarmede zij het land verontreinigd hadden, — een volk, dat den heiligen Naam des Heeren ontheiligd had, en van dien goeden Naam een kwaad gerucht had veroorzaakt, dien Naam had doen lasteren onder de Heidenen, — wat goeds had dat volk voor den Heere ? Zag de Heere dat aan, zou Hij daarnaar richten, dan, voorwaar! moest Hij Zijn Aangezicht vol gramschap van hen afkeeren en blijven afwenden! — En de hoedanigheden van Israël? Als het „Israël", dat zijnen naam ontvangen had van Jakobs worsteling, en aldus „strijder Gods en sterk in Hem" heette; als het volk, dat de belofte van Christus ontvangen had, aan Abraham, Izak en Jakob gedaan; als het volk des Verbonds, met die vaderen aangegaan, aan wie de Heere Zijnen Naam had bekendgemaakt en Zijne heilige Wet gegeven, — o, als zoodanig had het heerlijke voorrechten, en was geheel onderscheiden van de Heidenen; maar hier zij gevraagd: zou Israël op die voorrechten kunnen roemen ? wat hadden zij gedaan ? Zij hadden immers den heiligen Naam des Heeren ontheiligd, en daarmede al die voorrechten moedwillig prijsgegeven; en zóó hadden zij het duizendvoudig, geheel en al, verbeurd om nog „volk Gods" te heeten. Op en in zichzelven stonden zij dus door hunne ontheiliging van den Naam des Heeren als Heidenen, als een niet-Gods-volk voor Zijn Aangezicht. Er was dan niets, neen, niets in of aan hen, ook niet, dat zij toch Gods volk waren, waarom de Heere zou doen, wat Hij beloofde te zullen doen. Hunnerzijds was het met hunne zaligheid eene gansch afgesnedene zaak.
Maar, waarom wilde de Heere het dan doen? Hadden zij wellicht berouw getoond, leedwezen betuigd en bewezen over huunen boozen weg en goddelooze handelingen ? Hadden zij misschien in stilte tot God gezucht, en zich beginnen te bekeeren tot den Heere? Neen, volstrekt niet. Dat zij verschoond bleven voor het verderf; dat God hen niet verdelgde van Zijn Aangezicht, dat integendeel de Heere hun zoo heerlijke beloften deed, — het was in geenen deele om iets in of van hen; maar aldus luidt des Heeren Woord in Yers 21 en 22: „Maar Ik verschoonde hen om Mijnen heiligen Naam, dien het huis Israëls ontheiligde onder de Heidenen, waarhenen zij gekomen waren. Daarom zeg tot het huis Israëls: Zóó zegt de Heere Heere: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om Mijnen heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de Heidenen, waarhenen gij gekomen zijt". Dat God de Heere het doet, is dus uitsluitend in Hemzelven gelegen; het is alleen Zijn welbehagen en de eere Zijns Naams. Hij belooft Zijn heil, en doet het te Zijner tijd dagen uit loutere genade, ten prijze Zijns heiligen Naams. Die Naam was door Israël ontheiligd, en dat wel onder de Heidenen, zoodat dezen dien heiligen Naam lasterden. Waar blijft nu Gods eer? Zijn volk heeft die geschonden en laten schenden. De Heere Zelf zal Zijne eer, Zijnen heiligen Naam handhaven, en de Heidenen zullen weten, dat Hij de Heere is; daaraan zullen zjj het weten, dat Hij Zijne heiligheid, Zijne genade, macht en trouw aan Zijn volk zal verheerlijken. — Maar hoe ? zal dan het volk Israël, zij, die zoo gruwelijk gezondigd hebben in de ontheiliging van des Heeren Naam, nochtans in dien Naam hun behoud hebben? Ja, gewisselijk, het zal zóó zijn. Hoe is dat mogelijk ? zag dan de Heere de zonde Zijns volks voorbij? O, Hij zag het volk niet aan, maar Hij gedacht aan Zijnen heiligen Naam, m.a. w. Hij zag Zijnen Christus aan. Yan dezen Christus getuigde de Heere aan Israël in de woestijn: „Ziet, Ik zende eenen Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. . . . Mijn Naam is in Hem". (Ex. 2 3 : 2 0 en 21).
Om het dan kortclijk samen te vatten: dat de Heere tot Zijn volk van behoudenis spreekt en het Zijn volk blijft noemen, hoezeer het zich ook den Heidenen gelijk gemaakt heeft, — Hij doet het eeniglijk om Zijns Naam wil, d. i. om Christus' wil. En ja, Deze, de Christus Gods, heeft den Naam des Heeren geheiligd; en in deze Zijne heiliging zijn al Gods kinderen gereinigd van hunne ongerechtigheid, afgezonderd van dood en duisternis en onreinheid, zoodat de éénige grond van behoud, door God Zeiven gelegd, uit Zijne eeuwige liefde voortgebracht, geen andero is dan Christus Jesus de Heere.
Door Zijne volkomeno genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid, door Zijn verzoenend leven, lijden en sterven op aarde, hebben wij genade bij God, vergeving van zondeu, gerechtigheid en eeuwig leven, eeuwige zaligheid.
Aan het doen Gods tot ons behoud is dus niets van ons, niets verdienstelijks voorafgegaan; geen berouw, geen gebed, geen zucht, noch traan. Zijn verlossingswerk heeft niet afgehangen van ons loopen of willen, maar het is een doen van eeuwige, vrije ontferming. Buiten ons en zonder ons heeft God onze zaligheid in Christus vastgesteld. Gelooven wij dat ? „Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere; h e t z ij u b e k e n d . S c h a a m t u en w o r d t s c h a a m r o o d van u w e w e g e n , g i j h u i s I s r a ë l s ."
Laat ons nu overwegen, d a t en w a a r t o e de H e e r e d it Z i j n d o e n o n d e r Z i j n v o l k wil b e k e n d hebbeD. De Heere sprak tot Zijnen Profeet Ezechiël met nadruk: „Zeg tot het huis Israëls". En hier in Vers 32 luidt het tot het volk: „ H e t zij u b e k e n d " . De Heere wil dus het getuigenis.
Zijn Woord moet gepredikt worden. Geen zwijgen, maar spreken tot een zondig, schuldig, onrein, verdoemelijk volk van Zijn heil, van Zijne gerechtigheid, van Zijne genade, van het behouden worden in Christus Jesus uit loutere vrije gunst en ontferming; Hij wil niet met Zijn getuigenis gewacht hebben, totdat het volk zich betere, ooren en harten neige tot den Heere. O, Hij verwacht niets van den mensch, geene goede gezindheid, geen werk der vroomheid; en Hij rekent niet met menschehjke wijsheid, kracht, gaven en roem, maar Hij verwekt Zich een eenvoudig getuige Zijner waarheid, en zendt dien uit met Zijn Evangelie van bekeering en vergeving van zonden in Zijnen grooten Naam, in den Naam des Heeren Jesus Christus. Die Naam moet geheiligd worden onder de volkeren tot heil en zaligheid van een volk, dat Zijnen lof zal vertellen.
Zoo wordt Hij, de Heere, alleen verhoogd, en de zondaar op het diepst vernederd. Daartoe heet het hier: „ S c h a a m t u en wordt s c h a a m r o o d van uwe w e g e n , g i j h u i s I s r a ë l s " , d. i. met andere woorden: veroordeelt, verdoemt uzelven en stelt God in het recht, geeft Hem gelijk; erkent, wie gij zijt, t. w. goddeloozen en doemscliuldigen; en wederom, erkent, wie de Heere is, zeer barmhartig en een Ontfermer.
Zie, alle zelfrechtvaardiging, het zich onttrekken aan fcoo groote zonde en schuld, het voor zichzelven niet willen weten van zoo groote ellende en onreinheid, als waarin Israël gezonken was, is een verachten van Gods doen, een miskennen van Zijnen heiligen Naam, een verwerpen van Zijnen eeuwigen heilsraad.
Juist het bekendmaken van des Heeren doen moet naar Zijne éénige wijsheid strekken om alle aanmatiging der eigengerechtigheid bij ons te doen afleggen; het bedoelt de nederwerping van onzen hoogmoed, de ontmaskering van onze gehuichelde vroomheid en de wegneming van onzen valschen vrede, opdat de mensch bekenne : „ik heb gezondigd ; in zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren, ben ik een overtreder van al Gods geboden; met al mijn doen heb ik des Heeren Naam ontheiligd; ik ben geheel bedorven en heb het alles bedorven". Och, men gewaagt onder Christenen van eene kennis van zonde en ellende, die leiden zou tot bekeering en aan deze moet voorafgaan; óók spreekt men van eene bekeering, die den mensch in zichzelven reinigt en heiligt, die hem doet wandelen in hemelsche bewegingen en doet opklimmen in deugd en godzaligheid; en in dezen eigenwilligeu geestelijken wandel zet men de heilige Wet Gods, de tien eeuwig geldende geboden, op zijde. Maar laat ons vragen: wat zegt Gods Woord ? Dat Woord [zal toch alleen gelden! O, het getuigl volstrekt niet van eene aan de bekeering voorafgaande zondekennis, en die dan na de bekeering grootendeels zou ophouden. Integendeel, de Heere spreekt in "Vers 31 van dit Hoofdstuk: „Dan", —nml. wanneer Ik aan u, Israël, een nieuw hart en eenen nieuwen geest in uw binnenste zal gegeven hebben, — dan „zult gij gedenken aan uwe booze wegen en uwe handelingen, die niet goed zijn; en gij zult eene walging van uzelven hebben over uwe ongerechtigheden en over uwe gruwelen". En hier ook heet het, (nadat de Heere Zijn doen, het uit genade zaligen, heeft voorgehouden): „ S c h a a m t u en w o r d t s c h a a m r o o d van uwe w e g e n " . Alzoo, juist daar en dan, als de Heere met Zijnen Geest en Woord het hart des zondaars treft, ontstaat de kennis van de grootheid der zonde en ellende, begint het waarachtig bekommerd-zijn, en vervult schaamte de ziel; en dat gedachtig-zijn aan, dat leedwezen over de zonde en dat walging hebben van zichzelven houdt niet op, waar óók de weg der verlossing Gods voor het oog des geloofs geopend is. Neen, maar hoe meer het gezicht der ziel gericht is op het doen des Heeren, zooals Hij in Christus Jesus uit louter genade verlost heeft, des te meer is er inzicht in het eigen bedorven en verkeerd-zijn, en al dieper schaamte en grooter walging over zichzelven; men wordt in eigen schatting en bevinding al onreiner en ellendiger, al grooter zondaar, en leert het al meer ondervindelijk verstaan: „Wij allen zijn als onreinen, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed".
Zóó maakt de kennis van het doen Gods, dat men al meer zichzelven wantrouwt, en den goeden dunk van eigen wijsheid, kracht en vroomheid aflegt. O, die kennis maakt klein en ootmoedig voor den Heere; men legt de hand op den mond, men kan zichzelven in geen ding voor God rechtvaardigen. Alle waardigheid en verdienste valt weg; het is met al onze heerlijkheid gedaan.
Daar staat een zondaar, een goddelooze, een door en door onreine voor Gods Aangezicht Yan de zegeningen, in 's Heeren beloften geschonken: een nieuw hart, een vleeschen hart, reiniging en heiliging, een wandelen in Gods inzettingen, een bewaren Zijner rechten, ontdekt hij niets. Ach, hij klaagt zich bij den Heere aan wegens zijne zonde en onreinheid; hem blijft niets over dan een: „Heere God! ontferm U over mij!" hem rest slechts om zich op genade en ongenade in des Heeren hand te stellen, met de bede: „Zoo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen, Gij kunt mij behouden!" — Is er voor dezen mensch een woord van genade, van leven, van eeuwige vertroosting Gods? De duivel en de wereld zeggen : „neen ; gij zijt verloren!" en het arme, zwakke hart twijfelt, vreest en beeft. Maar wat zegt de Heere? Bij Mij — zegt Hij — is genade, eeuwige barmhartigheid; Ik schenk u Mijn heil; Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijnen heiligen Naam, om Christus' wil.
En gij, mijne ziel, — zóó leert de aldus beweldadigde spreken, — vermeld den lof des Heeren, Die aan u heeft den roem Zijner eeuwige ontferming!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Ezechiël 36 : 32.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken