Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Betrachting over Colossensen 1 : 24—29. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Colossensen 1 : 24—29. (2de Gedeelte. — Slot.)

17 minuten leestijd

„Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de Gemeente; welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeeling Gods, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods, namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijne heiligen, aan wie God heeft willen bekendmaken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid ouder de Heidenen, welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Denwelken wij verkondigen, vermanende een' iegelijk mensch, en leerende een' iegelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij zouden een' iegelijk mensch volmaakt stellen in Christus Jesus: waartoe ik ook arbeid, strijdende naar Zijne werking, die in mij werkt met kracht."

De Apostel ziet op de Gemeente; en als d i e n a a r der G e m e e n t e beschouwt hij zich, zooals hij ook zegt 2 Cor. 4 : 5 : „Wij prediken niet onszelven, maar Christus Jesus den Heere, en onszelven, dat wij uwe dienaars zjjn om Jesus' wil". Daartoe moet dienen al dat lijden, dat voortdurende lijden: opdat hij daarvoor bekwaam gemaakt wordt, en wel „ n a a r de bed e e l i n g v a n God", naar de huishouding Gods. God heeft een huis, en zoo ook Zijne huishouding en huisorde, zoo ook Zijne dienaars, die de opdracht hebben, om den kinderen des huizes, die aan de tafel zitten, de spijzen voor te zetten en uit te deelen, opdat zij verzadigd en verkwikt worden. Dit ambt is hem van God g e g e v e n a a n en o n d e r h e n , — hij heeft het niet zelf genomen, maar toen de Heere hem tegenkwam op den weg naar Damaskus, hem nederwierp en weder oprichtte, hem in duisternis zette, en vervolgens een helder licht in zijn hart deed schijnen, toen het Gode behaagde, Die hem van zijner moeders lijf had afgezonderd en geroepen door Zijne genade, Zijnen Zoon in hem te openbaren, — toen kreeg hij dat ambt, om Jesus te verkondigen door het Evangelie, niet door de Wet, onder de Heidenen (Gal. 1 : 15). En zoo zegt hij wederom: „Ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, nml. Christus Jesus, onzen Heere, dat Hij mjj getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, die te voren een Godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied" (1 Tim. 1 : 12 en 13), en: „Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de Heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus" (Ef. 3 : 8). Zoo is hem dit ambt, deze dienst toebetrouwd, zoo is hij daarin gesteld geworden, — „om te v e r v u l l e n het W o o r d G o d s " , d. i. om het Woord Gods rijkelijk en volkomenlijk te prediken. Niet menschenwoord, niet leeringen van menschelijke wijsheid en uitlegging, niet gedachten, zooals mensehen zich den weg der zaligheid voorstellen, moest hij prediken, maar Gods Woord, zooals het in het harte Gods ligt, zooals het uit Gods hart voortkomt. Maar om te weten, welk onderscheid dat maakt, moet men het eerst in allerlei leeringen van menschelijke wijsheid en menschelijke uitlegging gezocht hebben, zooals Paulus, toen hij aan de voeten van den beroemden Gamaliël zat, — men heeft het niet gevonden, wat den dorst der ziel stilt, wat gerechtigheid geeft en vrede schenkt, wat den goddeloozen zondaar rechtvaardigt en een verloren menschenkind zalig maakt, — totdat men het Evangelie vond, de blijde boodschap van Boven uit den hemel, zoodat men het weet: „dat was niet der menschen woord, maar Gods Woord", — toen lag het in de ziel wat de discipelen tot Jesus zeiden: „Tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens". Gods Woord, dat is een woord, eene boodschap, zooals door menschen nooit is uitgevonden, zooals nimmer in een menschenhart is opgekomen, weswege dat Woord ook op deze plaats v e r b o r g e n h e i d genoemd wordt (zoo ook Ef. 1 : 9 en 10; 3 : 5). En welke is die verborgenheid anders dan deze, dat God niet vraagt naar voorrechten, niet naar roem des vleesches, niet naar voortreffelijkheden, die een mensch in zichzelven waant te bezitten, dat God Zich niet laat binden door ons doen en drijven, willen en loopen, maar dat Hij uit vrije genade goddeloozen rechtvaardigt, Heidenen aanneemt tot Zijn volk, tot Zijne kinderen en erfgenamen. Yan deze verborgenheid zegt de Apostel, dat zij „ v e r b o r g e n is g e w e e s t van a l l e e e u w e n en v an a l l e g e s l a c h t e n , m a a r nu g e o p e n b a a r d is aan Z i j ne h e i l i g e n " . Hoe? was dat dan werkelijk verborgen en onbekend, dat de Heidenen geroepen zijn tot Zijn licht, aangenomen tot Zijn volk? was dat dan niet reeds uitgesproken in het woord der belofte, dat Abraham ontving: „In uw Zaad zullen alle geslachten der aarde" — alle Heidenvolken — „gezegend worden"? Staat er dan niet alreeds in Ps. 117: „Looft den Heere alle Heidenen, prijst Hem, alle natiën! want Zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des Heeren is in der eeuwigheid. Halleluja". Zegt niet de Heere reeds door den Profeet Jesaia (64 : 1): „Ik ben gevonden van ben, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben I k ! " En op zoovele andere plaatsen in de Psalmen en Profeten lezen wij dezelfde betuiging. Hoe kan de Apostel dan nu zeggen, dat zij is verborgen geweest? O, in het Woord was het betuigd en uitgesproken, en wien God de oogen er voor heeft geopend, die beeft het ook gezien, maar anders was het toch als het ware als in wolken gehuld, totdat op Golgotha het licht door de wolken brak, en juist Paulus werd door de eigenaardige, bijzondere wijze zijner bekeering in ganscb bijzonderen zin uitverkoren en bekwaam gemaakt, om dit Evangelie rijkelijk en overvloedig te prediken, de verborgenheid, die nu geopenbaard, onthuld is a a n de h e i l i g e n G o d s , d.i. aan degenen, die God Zich uit de wereld heeft afgezonderd, aan Zijne geloovigen.
Den wijzen en verstandigen blijft het eene verborgenheid, maar den kinderkens wordt het geopenbaard. Niet vele wijzen zijn het naar het vleesch, zegt de Apostel, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze der wereld (wat dwaas is in het oog der wereld) heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zou maken, — dat zijn Zijne heiligen, aan wie God heeft willen bekendmaken — zóó was de wil Zijner genade, Zijn genadig welbehagen —: welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de Heidenen. Maar d i t is de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de Heidenen, dat gepredikt wordt (Rom. 10: 12 en 13): Er is geen onderscheid noch van Jood, noch van Griek, - want de Heere, waar Hij komt met de verheerlijking Zijner genade, werpt alles op éénen hoop, en maakt ook de Joden eerst tot Heidenen, voordat Hij hen aanneemt, tot een verloren en verdorven volk, en dan begint Zijn heil en wordt de rijkdom der heerlijkheid ontsloten, — dus: er is geen onderscheid tussehen Joden en Grieken, — genen zullen door hunne eigene gerechtigheid en den roem des vleesches niets bereiken, en dezen zullen om hunne goddeloosheid en verlorenheid niet buitengesloten zijn, — want Eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen; want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Wat is nu de heerlijkheid van dezen rijkdom ? Dat God de Heere rijk is over allen, die arm zijn, dat, waar gij niets hebt en bij uzelven niets vindt, waar het met u uit is, het toch geen afgesneden zaak is bij God, dat bij Hem daarentegen is de volheid en de overvloed voor de Zijnen, om hen in gerechtigheid te zetten; dat waar gij ziek zijt, doodziek, deze Medicijnmeester nog wel een middel heeft, om gezond te maken en nieuw leven te schenken, dat, waar gij uzelven niet anders kent dan als een Heidenkind, vloek- en doemwaardig, gij moogt opgenomen zijn in genade en louter erbarmen, en het woord van kracht is: „Uit genade zijt gjj zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen" (Ef. 2 : 8 —10). Eu wij roepen uit: „O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? of wie is Zijn raadsman geweest? of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden ? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen." (Rom. 11 : 33—36.) Dat is en blijft eene verborgenheid tot op dezen dag, — eene verborgenheid, wel is waar geopenbaard in Gods Woord, waarvoor wij echter, hoe goed onderlegd wij ook zijn mogen in de leer, toch in de practijk des levens altijd weêr als de blinden neêizitten. Of wie is er, die, wanneer hij weder zijne zonde gevoelt, wanneer hij zijne verlorenheid en volslagen armoede opnieuw erkent, dan den rijkdom Gods ziet, den heerlijken rijkdom van Zijne genade, Zijn erbarmen, deu heerlijken rijkdom Zijner zaligheid? — wij zijn er weêr blind voor, het is ons weêr eene verborgenheid, het is voor onze oogen verborgen) en moet ons opnieuw worden geopenbaard! En dat geschiedt door den dienst van den Apostel, door het Goddelijk predikambt, doordat hij het Woord Gods vervult, rijkelijk predikt, — en dezen rijkdom, dezen onuitputtelijken, heerlijken rijkdom maakt hij bekend met het ééne woord: „ C h r i s t u s o n d e r u, de h o o p d e r h e e r l i j k h e i d " , of: Christus in u. Hij is niet alleen uiterlijk onder u gepredikt, waardoor gij tot het licht der waarheid gekomen zijt, maar Hij is ook geesteljjk in u geopenbaard, in Wien al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. Waar een mensch in den nood vanwege zijne zonde nederl'gt, — alles verdoemt hem, hij zichzelven allermeest, de donder van Sinaï heeft hem neergeworpen, een goddelooze is hij geheel en al, — daar komt de Apostel met zijn Evangelie en zet zoo Christus er in, en de goddelooze staat daar als een rechtvaardige Waar iemand gansch en al arm is, hij vindt niets van gerechtigheid en deugd bij zich, er is bij hem geen kunnen of vermogen, zijn hart is eene onvruchtbare woestijn gelijk, waar niets groeit, — daar komt de Apostel met het Evangelie, dat hem toebetrouwd is, en zet er zoo Christus in, en de arme is rijk in God, en de woestijn is veranderd in eenen gewaterden hof. Waar gij u niet anders kent dan een kind des toorns, ja des duivels, gij moet tot God zeggen : „ik ben niet waardig Uw kind genaamd te worden", gij hebt alles verkwist en doorgebracht, — het genadig Evangelie komt, de prediking van Christus, — Christus wordt er in gezet, en het kind des duivels is een kind Gods, en het begint te zingen het loflied der eeuwige ontferming.
„Christus onder u", — of: in u, — zóó zegt de Apostel. Daarbij denkt hij niet aan iets uiterlijks, noch ook aan iets mystieks, aan eene zwevende gevoelszaak, maar hij verstaat dit naar de gezonde leer, naar de meening des Geestes. Waar het Woord komt, het dierbare Evangelie, de openbaring van den heerlijken rijkdom onder de Heidenen, met één woord: waar Christus gepredikt wordt, gepredikt wordt aan de armen, aan de verslagen harten, aan de geheel verloren meDschen, daar is de Heilige Geest met het Woord, en zoo is Christus onder hen en in hen. Daar is de ziel door Christus zóó ingenomen en vervuld, als de bruid vervuld is van haren bruidegom. Zij kent Hem alleen als haren Leeraar, Hoogepriester en Koning, Hem, Die gestorven is voor onze zonden en Die opgewekt is om onze reehtvaardigmaking, Hem, Die zit ter Rechterhand Gods en voor ons bidt. En waar Christus alzóó in ons is, daar is het lichaam dood om der zonde wil, zoodat wij er niets meê kunnen uitrichten, wij zijn onbekwaam tot alle goed, maar de Geest is het leven om der gerechtigheid wil, — die Christus heeft aangebracht. En wederom: „Ik leef, doch niet meer ik", — daarmee is het gedaan, — „maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij heeft overgegeven". En D i e is de h o op d e r h e e r l i j k h e i d ; want nademaal God Hem heerlijkheid heeft gegeven (1 Petr. 1 : 21), Hem opwekkende uit de dooden, zoo hebben ook wij in Hem de hoop van zoodanige heerlijkheid, t. w. die hoop, dat de dood ons niet kan houden, maar wij uit eiken dood zullen worden uitgeleid, en zoodanige hoop doet niet beschaamd uitkomen.
„ D e n w e l k e n wij v e r k o n d i g e n . " Dezen Christus verkondigt de Apostel, als bij zegt: „Ik heb niets willen weten onder u, dan Jesus Christus en Dien gekruisigd", — dezen Christus, Dien hij, Hem brengende met het Woord, inzet in onze ellende, onze zonde, onzen nood en grooten dood, inzet in onze verlorenheid en omkomen, zoodat Hij daarin is „de h o pe d e r h e e r 1 i j k h e i d " ; en dat doet hij, „ v e r m a n e n d e e e n en i e g e l i j k e n m e n s c h en l e e r e n d e e e n e n i e g e l i j k en m e n s c h " — hetzij Jood, hetzij Griek, — hij zij schijnbaar vroom of goddeloos, — er is geen onderscheid, — „in a l le w i j s h e i d " . Want, al is er maar één Evangelie, al is er maar Eén, Die de Weg is en de Waarheid en het Leven, en niemand tot den Vader komt, dan alleen door Hem, en al is er maar één Naam, die onder den hemel den menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden, — zoo bedient zich toch de Apostel bij zijne verkondiging van vermaning en leering in alle wijsheid; immers de menschen moeten onderscheidenlijk behandeld worden. In eene huishouding, waar onderscheiden kinderen zijn, hebben de ouders ook de wijsheid te gebruiken, hoe met het eene en hoe met het andere kind te handelen, want het eene kind is niet gelijk aan het andere, en het eene moet op deze, het andere weêr op gene wijze behandeld worden; het eene kind moet door strenge berisping terechtgewezen en van zijne verkeerdheid afgebracht worden, en het andere kind, dat licht moedeloos en terneêrgeslagen is, moet door eene goedkeuring getrokken en zóó op den rechten weg gebracht worden. Daarom verheft de Apostel de Gemeente dikwijls zoo hoog, ja bijna hemelhoog, opdat zij gewillig en ontvankelijk gemaakt zij, ook naar zijne terechtwijzing te luisteren. Zoo gebruikt de Apostel „ a l l e w i j s h e i d , o p d a t hij e e n e n i e g e l i j k e n m e n s c h volm a a k t zou s t e l l e n in C h r i s t u s J e s u s " , — volmaakt, d. i. geheel zooals God hem hebben wil. Is het in Christus, dan is het niet in ons. Dat nu beoogt al het verkondigen, al het vermanen en leeren van den Apostel, dat de mensch uit zijn eigen huis, waarin het hem zoo behaaglijk is, uitgedreven en in Christus, als in een nieuw huis, eene zekere woning, ingedreven wordt; „ w a a r t o e ik ook a r b e i d " , — dit bedoelt al zijn arbeiden, dat wij het niet bij onszelven, niet in ons vleesch zoeken, maar in Hem, Dien God voor ons heeft overgegeven, in Zijnen Zoon, in Zijn bloed, in Zijne gerechtigheid, waarin alleen men zijne vrucht, de heiliging heeft, om voor en na afgebracht te worden van elke verkeerdheid, ongerechtigheid en goddeloosheid, en gehouden te zijn in den weg Zijner geboden. Daarom zegt hij ook eenmaal (2 Cor. 11 : 2 ) : „Ik ben ijverig over u met eenen ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als eene reine maagd aan éénen man voor te stellen, nml. aan Christus", — niet aan Christus en te gelijk aan do wet, niet aan den Heere en te gelijk aan de afgoden, maar aan Jesus Christus alléén; ik heb ulieden toebereid door het Woord der prediking, om u als eene reine maagd alleen aan dezen Eénen, aan Christus, voor te stellen en met IIem te verbinden, — zoodat zij niet boeleert, het niet te gelijk met anderen houdt. Zoo ook hier: „ w a a r t o e ik ook a r b e i d , s t r i j d e n d e " , — het was dus niet een arbeiden in rust en met gemak, maar in angst en nood, met bidding en smeeking, — „ n a a r Z i j ne w e r k i n g , die in mij w e r k t met k r a c h t " . De liefde van Christus heeft hem daartoe gedrongen, en al wat hij heeft en leert, en zooals hij het leert, dat heeft hij van den Heere!
Wat geschreven is, dat is tot onze leering geschreven. Gaat het u in waarheid om de redding uwer ziel, gaat het u, om in gerechtigheid bevonden te zijn op den dag des oordeels, — veracht dan de wateren van Siloam niet, die zachtkens vlieten, veracht dan het Evangelie van Jesus Christus niet. Al is het den Joden eene ergernis, en den Grieken dwaasheid, al is het in de oogen der wereld verworpen en veracht, en al wordt het door haar gesmaad en vervolgd, en al is het in de oogen van het vleesch, ook van uw eigen vleesch, van geene de minste beteekenis, een niets, zoodat gij uzelven liever er van zoudt willen afmaken, — eene dwaasheid is het woord des kruisea dengenen, die verloren gaan, maar ons, die behouden worden, is het eene kracht Gods. Door de dwaasheid der prediking heeft het God behaagd, zalig te maken, die gelooven. In deze dwaze prediking van het kruis heeft God geopenbaard en bekendgemaakt de verborgenheid, den rijkdom der heerlijkheid Zijner genade over al wie arm is en verloren; opdat dezulken, hoe onvolmaakt ook in zichzelven, in Christus Jesus volmaakt gesteld zijn, en alzoo Gode den Vader welbehaaglijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Betrachting over Colossensen 1 : 24—29. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken