Bekijk het origineel

Als gij in uw huis zit - pagina 44

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Als gij in uw huis zit - pagina 44

3 minuten leestijd

32 Lente en herfst zijn overgangen, ze vormen geen tegenstellingen. is koude of hitte, er is leven of dood, er is licht of donkerheid, en al wat daartusschen hgt, moge in graad verschillen, maar is geen derde nieuw iets. Als Jezus dan ook zegt: „Leer van den vijgeboom deze gelijkenis. Indien nu zijn tak teeder wordt en zijn blad uitspruit, zoo weet ge dat de zomer nabij is,'' en ge uit Malth. 21 19 merkt, hoe reeds vóór Paschen de vijgeboom in het blad stond, is het duidelijk dat „het nabijzijn van den zomer" een wat bij ons de lente heet, bedoelt. Dat nu deze tegenstelling tusschen den zomer en den ivinter geheel uit den vloek zou zijn, en ons uitsluitend om der zonde wil zou overkomen, is moeilijk aan te nemen. Zeer stellig werkt die vloek in de buitensporige koude van te strenge vorst, en evenzoo in de adem belemmerende zwoelheid van over-

Er

:

matige

hitte.

Te

strenge vorst doodt den mensch des winters, evenals de zonnesteek bij te felle zomerhitte, en de dood is altoos uit den vloek. Er is alzoo alle grond om aan te nemen, dat de vloek de tegenstelling tusschen zomer en winter verscherpt heeft maar daaruit volgt nog volstrekt niet, dat die tegenstelling uit den vloek is ontstaan. Reeds bij de schepping, nog eer de zonde intrad, stuit ge op die tegenstelling tusschen dag en nacht, tusschen licht en duisternis, en het springt in het oog, hoe de tegenstelling tusschen koude en hitte, en zoo ook tusschen zomer en winter hiermede op één lijn ligt. ;

De nacht koelt af, de dag brengt zachter dampkring. En zoo mogen we dan aannemen, dat] de tegenstelling tusschen den zomer en den winter, d. i. tusschen twee tijdperken in den jaarloop, waarin de eene maal de koude heerscht, en de andere maal de warmte overheerschend is, tot de ordinantiën der schepping behoort.

De zomer een

eigen

druipt

luister

van

ten

natuurweelde, maar ook de winter spreidt en in deze beide verheerlijkt God zijn

toon,

majesteit.

Trekt ge dan ook van den winter het snerpen af van den wind, en het verstijven der natuur in te strenge koude, dan heeft de winter een geheel eigen schoon en een door niets te vervangen aantrekkelijkheid.

Ook nu nog komen

er winterdagen voor, zoo matig in koude, en toch met zoo hooge, heldere luchten, dat ze in het schoon van hun

soort door niets te overtreffen zijn.

Nu te stellen, dat dit winterschoon eeuwig zou gescholen hebben, indien de mensch niet gevallen ware, doet te kort aan de glorie van Gods werk. Dat er in den winter gelijk hij nu is, evenals in den zomer, gelijk hij nu vaak allen band van menschelijke veerkracht los maakt, een

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's

Als gij in uw huis zit - pagina 44

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's

PDF Bekijken