Bekijk het origineel

Johannes Maccovius - pagina 35

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes Maccovius - pagina 35

2 minuten leestijd

Een andere reden, voor de Hoogleeraren

is

hierin

slechte verstandhouding dezer

gelegen

dat het Lnbbertus zeer

prikkelde dat de studenten zich zooveel meer aan Maccovius verbonden gevoelden dan aan hem.

Lubbertus toch was een streng tuchtmeester, een ware Censor. Maccovius daarentegen zag veel door de vingers

en deed, pas uit den studentenkring gekomen, zelfs mee aan de feestvieringen zijner voormalige amici fratres die soms vrij losbandig waren en den toets volstrekt niet altoos ^) Wat Lubbertus ook voorgaf over andere en scholastieke methode, de grond van zijn haat tegen Maccovius was jaloezie op zijn roem en op zijn popu-

konden doorstaan.

leerwijze

lariteit

onder de studenten.

Men

herinnere zich dat de stu-

denten in hun request geschreven hadden aangaande de benoeming van Maccovius, „de studenten boven maten

aangenaem." Lubbertus zat dan ook „trouw op de wacht" of er op Maccovius' leer of leven niet iets zou zijn aan te merken, waardoor hij vat op hem kon krijgen. In 1616 deed zich, naar hij neemde, die gelegenheid voor en gretig maakt hij er gebruik van om Maccovius bij de Classe Franeker aan te klagen, dat hij Clods Woord afhankelijk stelde van het menschelijk gezag. In het volgend hoofdstuk, „Maccovius in zijn aanraking met de Kerk", hoop ik nader op dit geschil terug te komen. Voorloopig alleen dit, dat Lubbertus nul op zijn request kreeg. Lubbertus bleef inmiddels voortdurend toezien en verloor zijn doel niet uit het oog. Maccovius was een Supralapsariër en nam diensvolgens de zonde in het Raadsbesluit Gods op. Lubbertus zocht hieruit aanleiding om aan verschillende personen brieven te zenden hij was een eerste briefschrijver en voerde een zeer uitgebreide correspondentie dat Maccovius God tot auteur van de zonde maakte. De student Hidding verdedigt onder praesidium van Maccovius Theses als: „Deus destinat aliquos ad poenam et ad ea propter quae iuste infligi mei'eantur." „Tria sunt.

^)

Reitsma,

1.

c, p. 371.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 431 Pagina's

Johannes Maccovius - pagina 35

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 431 Pagina's

PDF Bekijken