Bekijk het origineel

Johannes Maccovius - pagina 332

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes Maccovius - pagina 332

2 minuten leestijd

320

den val gelooven dat hij alsnu in eigen persoon aan den eeuwigen dood zou worden prijsgegeven. Dat bleek echter van achteren niet zoo te zijn. Ergo: hij moest iets onwaars gelooven.

^)

Amesius antwoordt op covius,

dat

Grods

tia

was

Adam

dit spitsvondig

argument van Mac-

uit de gratia, misericordia en

a priori kon weten, dat het voor

sapien-

God mogelijk

handhaven, zonder noodzakelijkheid van eeuwige verdoemenis van het menschelijk geslacht. Maar omdat hij echter van de vrijmachtige dispensatie niets wist, was hij weliswaar gehouden te gelooven aan zijn eeuwigen dood, maar sed de eventu postea ex libera dispensaZijn recht te

tione Dei secuturo nihil distincte credere tenebatur.

woorden geven aan Maccovius de

Juist die laatste

schikte aanleiding

om

non

En verder

hij

effugit facile."

2)

te

zeggen: „ictum zegt

hij

weten, dat God barmhartig was,

illius

dan ook, dat

Adam na

ge-

arguraenti al kon

zijn val moest

vreezen de rechtvaardigheid Gods en „certe quoque cogitationes verterat, nihil ipsi occurrere potuit, per quod sperasset se potuisse liberari Filius

a malo hoc

praestare hoc potuisset

vice

eius,

Nam quod Dei quod voliturus

esset, haec non cadebant in intellectum Angelicum, nedum hominis lapsi." *) Niet zeer afdoende is het antwoord van Amesius, eigenlijk het punt in geschil toegevend, wanneer hij zegt: „Com-

minationem mortis credendam fuisse absolute, violatione legis posita, non fuit negatum, sed illa comrainatio quae faciebat Adamum morti subiectum, non excludebat illam liberationem, quae per Christum consequebatur." *) Daar ging het juist om. Adam moest vreezen voor zijne verdoemenis, kon niet weten van eene genadige behoudenis.

')

Loei Communes,

p.

782.

„Adam, postquam peccasset, tenebatur credere, se in Ergo tenebatur credere falsum Ratio in propria persona Deus comminatus erat mortem."

propria persona morti aeternae obnoxium fore

consequentiae certa: Quia ipsi '')

Medulla, p. 404.

^)

Loei Communes, p. 782, 783.

*)

Medulla, p. 405.

:

:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 431 Pagina's

Johannes Maccovius - pagina 332

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Abraham Kuyper Collection | 431 Pagina's

PDF Bekijken