Bekijk het origineel

De engelen Gods - pagina 231

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De engelen Gods - pagina 231

2 minuten leestijd

KARAKTER VAN SATAN's VAL.

reeds

denken

te

Hoovaardi] het

was

iets

zelf willen heerschen

Satan

verried

God

Wat

zyu.

zult ook gij als

Satan

God

zijn,

Satan, daarmee dat

Satan droomde van

eigen opzet.

zijn

God was.

zich zelven, dat hij ja waarlijk als

Hield nu

en als

Dan

:

de intimiteit van zijn onheilige zelfkennis genomen.

uit

woord

dat

In

onderworpen werd aan Satan. anders dan zich niet onderwerpen,

w^are,

aan Eva influisterde

Paradijs

geheel

nog

daarom

is

ook tegelijk

is

het

in

heiligschennis

227

hij

het gevoel, het besef van afhan-

kelijkheid uit zijn geest bande, en zichzelven in zijn onafhankelijkheid dacht, hield hij daarmee ook feitelijk op, afhankelijk

te zijti?

Ontsnapte

Gods almacht? Ontkwam hij? Gelukte het hem, buiten Gods heelal, in het eeuwig niet en ledig waar niets is, een schuilplaats te vinden, waaruit hij zich een heiburcht tegen God bouwde, om zich Satan

aan

tegen

Gods almacht te verweren? Metterdaad stellen velen het zich Ze denken zich, dat er een eeuwige ruimte bestaat, dat

zoo

voor.

God,

toen

Hij

van

gedeelte

heelal

zijn

ledige

die

voor dit heelal slechts over een

schiep,

ruimte beschikt heeft; dat er dus nog een

onmetelijke ongebruikte, onbezette ruimte, een onafzienbaar ledig van

kanten overbleef; en dat nu Satan in dat ledig, in die onbezette

alle

gevlucht

ruimte

zich daar tegen

is,

God

heeft versterkt, en dat

we

Al zulke voorstelling moet intusschen, wie uit de Heilige Schrift leeft, ten eenemale verwerpen. God is alomtegenwoordig. Stel dus al, er ware zulk een

daar

poorte

de

ruimte,

ledige

zou

nooit

»Bedde

der

zoo

helle

hebben

God

zou

te zoeken.

toch ook in die ledige ruimte zijn en

eenig creatuur in dit ledig zijn

ik

mij

in

de

helle,"

God kunnen

ontvluchten.

zegt de Psalmist, »zie Gij

Maar bovendien, zulk een eeuwig

ledig

is

zijt

daar."

een geheel on-Schriftuurlijk

God óm. Geen schepsel maar één oogenblik, of op datzelfde oogenblik bestaat het, doordien God het draagt als met zijn eigen hand. Er bestaat dus niet eerst een plaats, waarop nu voorts het geschapen schepsel wordt neergezet, zoodat God er nu van af is, en het schepsel nu op zijn eigen plek moet staan. Die plek toch waarop het creatuur staat, zijn steunsel onder hem, is en blijft altoos Gods hand. Trekt God van

verzinsel

bestaat

denkers

die

dachten

buiten

ook

die terug, zoo bestaat het schepsel niet meer, en

draagt of

de het

altoos

en

alleenlijk dezelfde

zoolang het bestaat,

hand Gods ons.

Wat

wij plaats

noemen, is dus niet iets op zichzelf, maar ontstaat met schepping van het creatuur, en bestaat slechts in zoover als God

ruimte

creatuur

schiep,

en

die

plek of plaats

in

zoo

verkeerde

hem een plek of plaats om te bestaan gaf, hem blijft toekennen. Wat aan menigeen, die

en

voorstellingen

bevangen

ligt,

vreemd voorkomt, 15*

is

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's

De engelen Gods - pagina 231

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's

PDF Bekijken