Bekijk het origineel

De engelen Gods - pagina 55

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De engelen Gods - pagina 55

2 minuten leestijd

VAN DE NATUUR DER ENGELEN.

op

seraf

gaan

te

zoo ten slotte »aan

en

CtocI

gelijk te zijn," onze

pantheïstische bestemming was. Metterdaad heeft het Darwinisme reeds

op natuurkundig gebied opkAvam alleen

in de poëzie gebloeid, eer het

was

de poëzie »de

in

;

worm," wat nu »de aap"

het toch in zedelijke strekking, feitelijk

geworden. Al scheelt

het niettemin met opzicht

handhaving van onze menschelijke natuur, geheel hetzelfde, of

tot de

mensch

den

ge

is

is

»engel"

den

uit

chirapansé

Immers

overgaan.

laat

laat

opkomen

of straks in den

in beide voorstellingen

de grens

is

tusschen de beide natureu verflauwd, en gelijk thans »de mensch" in

handboeken

onze

men op

zoo zag

hoog

etherischen,

De zucht bewoners, hiertoe

omhoog aarde

onze

sterrenkunde

van

en

om

de

slechts

deze

buiten

medegCAverkt.

te

aarde

en haar

onderstellen,

Zoodra

heeft

we de oogen

starren in het firmament aanzien, wordt onze

zoo

schatting

en

nietig

zoo

klein

;

en

dan de

als

ons leeren komt, hoe heel ons aardrijk slechts één der

dAvaalsterren van één enkele zon

nog

ook

natuurgenooten

mate

geringe

niet

gestemden mensch.

mensch,

bestaan

heffen

in

geestelijk

den

in

het

in

voorkeur onder de dierkunde behandeld wordt,

bij

Feiths standpunt in den engel weinig anders dan een

gering

een

is,

en dat die zon met haar planeten

uitmaakt van heel het samenstel

onderdeel

der starren, dan v/ordt ons aardrijk, en op dat aardrijk de mensch, zoo ver-

dwijnend gering

en

onl)eduidend,

dat de gedachte, alsof nochtans th

niemch het beheerschend element in heel Gods schepping, en alzoo onze aarde het geestelijk middelpunt van het heelal zou

ons in wil.

Dit dringt en noopt dan,

om

zijn, er niet

meer

bij

zich ook die andere starren

met levende wezens bevolkt te denken, en zncht naar samenhanode vraag rijzen en liefst toestemmend beantwoorden, of ook die andere wezens niet in soort één met ons menschelijk geslacht zouden zijn. Meest onder drieërlei vorm dacht men zich dit. Of zóó dat als

doet

wie hier stierf van deze aarde naar een andere star verhuisde, zoodat allengs de overige sterren van uit onze aarde zouden bevolkt worden.

Of wel op zulk een wijze, dat hetgeen we gemeenlijk »eugelen" noemen niets anders zijn zouden dan de hooger, staande bewoners der overige hemelbollen. Of eindelijk in dien zin, dat er op de overige sterren een soort wezens geschapen was, buiten de engelen en buiten

de

afgestorven

gelijke

menschen

formatie

en

om,

gelijken

een

soort

wezens, dat ongeveer van

aanleg als de mensch, zich door rijker

en rijper ontwikkeling tot hooger staat had weten op te voeren.

den laatsten tot

zelfs

in

tijd

vindt met

dan

planeet

toch acht

kennen,

die

dan

soort

men op

In

deze laatste voorstelling meer ingang,

wetenschappelijke kringen.

worden te

name

Vooral op de planeet Mars

hooger ontwikkelde wezens gezocht.

Op

die

niet alleen vele geographische gegevens beter

onze eigen wereld, maar

men waant

zelfs recht

4*

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's

De engelen Gods - pagina 55

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's

PDF Bekijken