Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eenige grondwaarheden van den Christelijken Godsdienst - pagina 166

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eenige grondwaarheden van den Christelijken Godsdienst - pagina 166

2 minuten leestijd

DE BEKEERINQ.

156

openbaart, naar mate het geloof sterker en levendiger de gestalte des harten heiliger is, daar dit toch overal

liger

en

Gods Woord duidelijk is waarom ook de discipelen den Heere baden hun geloof te vermeerderen, terwijl ook de Heere Jezus zegt, dat veel vrucht gedragen wordt door een iegelijk, die in Hem blijft en Hij in hem. En dat de bekeering bestaat in het zich afkeeren en vlieden van de zonde en in de openbaring van een innigen lust tot- en het doen van goede werken naar de heilige Wet Gods, is ook voor ieder duidelijk uit het Woord Gods, naardemaal God naar Zijne belofte Zijn heilige Wet daarom in de harten van al Zijne kinderen inschrijft, opdat zij, in strijd met alle zonde, alleen naar dezen regel zouden wandelen. Dat eindelijk de eisch tot bekeering niet berust op onderstelde wedergeboorte, maar op het recht Gods, dat Hij heeft om van Zijne redelijke Schepselen gehoorzaamheid te vorderen, wijl ze door Hem recht gemaakt zijn, volgt o.a. daaruit, dat Jezus bij Luk. 12 47, 48 verklaart, dat zij, die den wil des Heer en geweten en niet gedaan zullen hebben, met vele slagen geslagen zullen worden ; terwijl zij, die Zijnen wil niet geweten hebben, en gedaan hebben dingen die slagen waardig zijn, met weinige slagen geslagen zullen worden ; welke straf niet rechtvaardig zou zijn, zoo zij niet enkel gegrond was op deze waarheid, n.1. dat God den mensch in Adam zóó geschapen heeft, dat hij God volmaakt konde gehoorzamen, maar hij door eigen schuld zich gebracht heeft in eenen toestand van volstrekte onmacht en onwil, om hier aan te voldoen. Ook onze Belijdenisschriften leeren zeer duidelijk, dat de bekeering, vrucht van de wedergeboorte, uit de wedergeboorte of het van God ingestort heilig levensbeginsel d a d e k voortkomt (natuurlijk niet bij kleine kinderen, die het gebruik hunner redelijkheid nog missen, en dus, zoolang zij dit missen, evenmin het geloofs- als het redelijkheidsvermogen naar buiten kunnen openbaren.) Of hoe in

;

:

:

I

ij

;

zou het zich denken laten, dat een doode zondaar, tot onderscheid van jaren gekomen, door middel van het Woord Gods, n.1. des Evangelies, levend gemaakt zou

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 January 1906

Abraham Kuyper Collection | 324 Pagina's

Eenige grondwaarheden van den Christelijken Godsdienst - pagina 166

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 January 1906

Abraham Kuyper Collection | 324 Pagina's

PDF Bekijken