Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Practijk der godzaligheid - pagina 196

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Practijk der godzaligheid - pagina 196

2 minuten leestijd

188

en heilige indruischend, het wezen des Geestes miskennend, en daarom den godvruchtige, den man die met God wandelt en niets buiten zijn Rotssteen is, tegen de borst stuitend, is even deswege het geestelijk kwaad, dat men als lijdelijkheid pleegt te brandmerken en nooit diep genoeg verfoeit. „Lijdelijkheid" is de zondige poging om het heerlijk genadewerk onzes Gods met eigen, kunstelende hand te enten op den wilden stam van. een onherboren ziel. Niet een nietdioen, maar juist een te veel doen; een doen van wat men niet mag; een doen van wat den mensch niet toekomt.

De bond

om in de taal onzer vaderen te spreken, de genadeverbond in het diensthuis van het werkver-

„lijdelijke" werpt,

sieraden

van

het

te grabbel.

Al de stukken, waar de lijdelijke zijn handig spel mee drijft, zijn alzoo in waarheid gelijk hij ze u voorteekent; door de eeuwige Ontferming alzoo van eeuwigheid gemeten,bereid en op elkaar gepast edoch gemeten, bereid, gepast, niet om op de vermolmde stutten van een geestelijk doode ziel te worden gezet, maar om aan te sluiten aan het nieuwe fundament, dat Hij zelf naar zijn goddelijke verordening door zijn Geest in het hart legt. Och, dat men den lijdelijke toch aan wou zeggen, niet dat hij meei\ maar dat hij minder zelf moet doen; God den Heere alleen latende werken; werken, niet naar ónze dwaasheid het den Heilige voor wil schrijven, maar gelijk het Hém believen zal, door zijn Geest, door zijn woord, door zijn gebod. ;

zie, dat doet men niet. begint met het ziektegeval van den „lijdelijke" valsch te beoordeelen, en biedt hem dies uiteraard verkeerde artsenij. Als artsenij het steenen brood, waar men zélf van leeft: het doen, en doen, en altijd doen. Wel te verstaan een doen, waar men zelf van af weet; dat waarneembaar is; zichtbaar voor het oog. En nu, de bloem werkt óók als ze groeit en in de zon haar geuren uitstraalt; de star werkt óók als ze haar liefelijk schijnsel u toewerpt,

Doch

Men

doch zulk een werken bedoeldet ge niet. De Schrift wél, die God en niet den mensch verheerlijkt, en daarom naar 's dichters schoone trias van een „werken Gods in het werk zijner werken" spreekt. Een werken, rusteloos, onverpoosd, aldoor; ook naar buiten waarneembaar, maar meer als 't daar opgevangen gedruisch van wat in de verborgen werkplaats der geesten, al naar ge wilt, door den stoom op den hamer of door den hamer uit den stoom gedreven en gearbeid wordt.

altijd des Heeren. Een arbeiden 'tzij we slapen, 'tzij we waken Een arbeiden, dat een lente met haar uitspruitsel, een herfst met zijn

vruchten,

maar ook een winter met

zijn

,,niets

doen voor het oog"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's

Practijk der godzaligheid - pagina 196

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's

PDF Bekijken