Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Practijk der godzaligheid - pagina 26

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Practijk der godzaligheid - pagina 26

2 minuten leestijd

18

om hem bekommeren;

kortom de mensclien die op bekeeren uitgaan.

Want van den éénen kant hebben we voor dezulken zeer zeker lof en waardeering. Een man als Wesley is, bij al zijn onmiskenbare dwaling, vergeleken bij de zelfgenoegzame tabberddragers der toenmalige Engelsche Staatkerk, een prinselijke gestalte in het Godsrijk. En tegenover hen, die de ontfermingen slapen laten en droomen dat hun kerkje het Godsrijk is, zullen deze energieke doortasters te allen tijde waardij en beteekenis behouden. Slechts passé men op één ding, men fatsoeneere die noodzakelijke eenzijdigheid niet in een standpunt om. Dan toch gaat men glad mis. Het „vergaderen" der kerk toch wordt dan ook bij het strengste begrip van uitverkiezing, mechanisch opgevat als een saamlezen van schelpen in den korf, en zijn ze in die korf eenmaal in, dan bekreunt

men

zich er voorts niet

meer

In tweeërlei vorm komt Grof en fijn.

over.

dit uitwendige,

oppervlakkige wezen voor.

de hoogkerkelijke lieden, die hun kerkje voor het Godszich inbeelden, dat de hoofdzaak is, om de menschen te bewegen, dat ze toch maar tot hun kerk overkomen. Zijn ze daar maar eenmaal in, dan zijn ze er. Voorts komt het er minder op aan. De zonde zoowel van groote Staatskerken als van kleine sekteachtige kerken. In sommige doldriftige ijveraars soms gedreven tot een beGrof.

bij

rijk aanziende,

denkelij ken hittegraad.

En fijn^ bij de onkerkelijke lieden, die, wel inziende dat de kerk in massa niet het Godsrijk is, nu in die kerk tusschen de geloovigen en niet geloovigen onderscheiden, en al het „vergaderen" nu daarin bestaan laten, dat men naar de door hen gestelde kenmerken een „veranderd" mensch worde.

Voorts gaan ze der kerke dan niet meer

aan.

Welnu, én tegen die grove én tegen die fijne veruitwendiging van de kerk op aarde komen we met nadruk op. Het vergaderen, hetwelk aan de kerk tot taak gesteld is, bestaat volstrekt niet alleen in het saambrengen onder één dak, en is in geenen deele nog afgeloopen, als de menschen met een halven voet over de grens zijn gekomen. Veeleer gaat dat vergaderen aldoor, rusteloos door tot aan den einde. Het is in zijn diepste wezen een geestelijk zoeken van den mensch, tot in het diepst van zijn wezen. Nooit om er iets bij of al dieper, aan toe te brengen, maar altoos en nooit anders dan een bij een vergaderen van wat God Drieëenig in de Uitverkiezing gesticht heeft en nu door het instrument der kerk uitbrengt krachtens het Verbond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's

Practijk der godzaligheid - pagina 26

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's

PDF Bekijken