Bekijk het origineel

Zendingsijver!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zendingsijver!

4 minuten leestijd

Het is zoo eigenaardig, als God iemand bekeert, dan zullen in het eerste vuur twee zaken duidelijk in hem openbaar zijn. Er zal een aandrift zijn om den Heere groot te maken. De steenen zouden eerder spreken, dan dat zij zwijgen zouden. Het lied van den dichter is dan de grondtoon ook van hun leven: „Komt, luistert toe, gij Godgezinden ! Gij, die den Heere van harte vreest; Wat of mij God deed ondervinden; wat Hij gedaan heeft aan mijn geest!" Men heeft er dan een levendige behoefte aan om de deugden des Heeren te verkondigen en Zijn naam groot te maken. En nu moge de een in kleiner, de andere in grooter omgeving gesteld zijn, de een moge arm, de ander rijk ter tale zijn, de een moge een overvloed, de ander een weinigje woorden ter beschikking hebben, het doet er niet toe, „zij komen, elk op zijne wijze en ieder zingt zijn lof; zij melden zijnen Naam ten prijze zijn goedheid en zijn lof!" In die oogenblikken spreekt men van den Heere en zijne grootheid, en zijn er geen in de omgeving, die het verstaan, of is er geen gelegenheid, wel dan spreekt men er van tot eigen ziel, men verkondigt den lof des Heeren aan de velden, aan de sterren, aan de gansche schepping Gods. Het gaat dus daarbij om Gods eere!

Maar nu is er nog een andere aandrift, | die trouwens onafscheidelijk met de eerste verbonden is. Men wenschte wel dat alle volkeren den Heere prezen, en in Hem behoudenis vonden. Dat gaat wel eens zoo ver, dat men in zulken tijd geen gelegenheid ongebruikt Iaat. In de spoor, op de boot, op den weg, overal waar men maar een woordje kwijt kan, wordt een pijl afgeschoten op het hart van zijn onbekeerden medemensch. Bekommerden worden getroost en bemoedigd. Laten zij maar moed scheppen uit de behoudenis van hun armen medereiziger naar de eeuwigheid, arm ja in zichzelven, maar dan zoo rijk zoo onuitsprekelijk rijk in zijn God. En dan mag men in het gebed ze wel eens hartelijk den Heere opdragen.

Wat wij nu bij den eenling zien, dat zien wij ook bij de gemeente van Christus als geheel. Als het leven rijkelijk werkzaam is, als Gods Geest in de doodsvallei is ingevallen en leven onder de doodsbeenderen bracht en ze als één groot heir doet opstaan, dan zal die gemeente in haar geheel dezelfde verschijnselen opleveren, dan zal het haar te doen zijn om de eere van Gods Naam en om de uitbreiding van zijn koninkrijk. In de eerste plaats om de eere van Gods Naam. Dat toont ze in haar opgewekt, aan Gode overgegeven leven. Dan is er een heilige ijver voor Gods huis. Maar dan ook zoekt ze den Naam des Heeren uit te dragen overal heen. Dat zien wij in den tijd, toen na de uitstorting des Geestes de gemeente van Antiochië door het getui-

genis des Geestes er een paar afzonderden tot het werk onder de heidenen. En ook de andere apostelen gingen uit. Zij brachten naar het bevel des Heeren het evangelie aan alle creaturen zonder onderscheid, waarheen de Geest hen ook dreef. En daarbij was altijd het uitgangspunt: de eere Gods.

En als zij wenschten en baden dat de Heere zijn koninkrijk zou uitbreiden, dan was het toch omdat in de veelheid der onderdanen zij ook de heerlijkheid des Konings zagen. God was het zoo waardig, dat alle knie zich voor Hem boog en iedere tong Hem beleed.

Daaruit leeren wij kennen de beginselen, die bij de zending ter grondslag moeten liggen. Het moet gaan om de eere Gods. Zijn Naam moet uitgedragen worden. Niet alsof wij uit onszelven dat zouden kunnen doen, maar door zijn bevel tot zending te geven, heeft de Heere het doen zien, dat Hij nietige instrumenten gebruiken wil om zijn koninkrijk tot openbaring te brengen. Hij beveelt het. Hij is het waardig. Zijn Naam moet voortgeplant tot aan de einden der aarde. Hij is de bron van alle leven. Laten alle heidenen naderen tot den berg zijner heiligheid om geleerd te worden van zijne wegen en in zijne geboden te wandelen. En daartoe moge ook de Ger. Zendingsbond gebruikt worden. Een kleine plant nog, maar toch groeiende. Er is nog zoo weinig gevoel voor de noodzakelijkheid van de zending. Er zijn zooveel vonden om zich aan al deze dingen te onttrekken. Wij hebben ons eigen hart maar te onderzoeken en dan weten wij er veel van. Lieve lezer, schenke God ons zijn Geest, en moge een heilige aandrift ontwaken om ook in dezen met kracht te arbeiden, te doen wat in ons vermogen is om nog iets bij te dragen, dat Zijn Naam van geslacht tot geslacht worde voortgeplant.

R.

D. L. v. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1907

Alle Volken | 4 Pagina's

Zendingsijver!

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1907

Alle Volken | 4 Pagina's

PDF Bekijken