Bekijk het origineel

Hoe ons land een Christenland werd.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoe ons land een Christenland werd.

8 minuten leestijd

IV. De eerste Zendelingen.

Stond dé stichting eener eerste Christelijke Kerk te Utrecht in nauw verband met de overwinning, die D.«gobert op de Frituen behaalde, in de Zuidelijke gewesten was niet zoo zeer politieke invloed dan wel krachtig» arbeid van zendelingen voor het werk der Evangelieprediking van beteekenis.

Als eerste arbeider in dat land van donker heiden lom verdient genoemd te worden A man dus, die in 626 of 631 aan de oevers van de Schelde predikte, g> luk bet bericht 1 luidt, »de Drite-rheid, deü doop tot vergeving der zonden en het eeuwige leven '. Gesteund door koning Dagobert, trad hij op als prediker te Doornik en te Gent, liet te Antwerpth een kerk bouwen, verwoestte de tempels van Thor en van O lm en doorreisde geheel Noordelijk België, bijgestaan en veelal vrrgeu-ld door zekeren Ravo, die later-door de Roomschc kerk in de rij der heiligen is opgenomen en naar wien o. a. te St. Bavo kerk te Haarlem werd genoemd. Amanrtus stierf in 679

Als zijne opvolgers worden genoemd Florbertns en Livinus. Rij de< en laatste sloot zich de man aan, bij wiens persoon en arbeid wij langer moeten stilstaan, Eligius, ook wel Eloi genoemd.

I Hij was geooortig van Chatelat bij Limoges in Frankrijk en als kunstenaar in het bewerken van goud zeer beroemd. In hooge achting stond hij bij Clotarius II en vooral bij Dagobert. Zijn levensbeschrijver moge hem misschien wat te veel geprezen hebben — toch staat het wel vast, dat Eligius een mau was, in wien op bijzondere wijze allerlei schoone eigenschappen vereentgd waren. Audoëmus, Eligius' metgezel, verhaalt niet minder dan het volgende:

> Tn hem schitterden uitnemende deugden, bescheidenheid met waardigheid, wijsheid met eenvoud, einst met zachtmoedigheid, nederigheid met vastheid van wil, geleerdheid met zelfverloochening; voor andereu medelijdend, was hij voor zichzelf zeer streng; voor anderen mild, muntte hij uit door strenge zelf beheersching. In zijne gesprekken klonken steeds heilige woorden. Kegeerig naar d? n vrede, was hij vol belangstelling ten opzichte van het heil zijns vaderlands; dag en nacht bad hij voor de rust der gemeenten, die overal zich bevinden, en voor het welzijn der vorsten."

Groot kan de invloed zijn, die er van zulk een man uitgaat en wat hij was, had hij reeds getoond, toen hij eenmaal vele Saksische krijgsgevangenen vrijkocht en hen niet naar hun land liet wederkeeren, eer hij ze had verhaald van de ware vrijheid, die het deel is desgenen, die door den Zoon van de tyrannie der zonde is verlost geworden. Tegen zijn verlangen in werd de goudsmid en muntmeester Eligius in 641 bisschop van Noyon en daar nu het gebied, dat hij geroepen werd te besturen, aan de nog heidensche landen grensde, bereisde hij persoonlijk tot verbreiding van het Christendom en tot uitroeiing der afgoderij behalve de zuidelijke gewesten ook Holland en Zeeland en predikte ook onder »de Barbaren aan de Zeekusten wonende":

Tegenstand vond hij, maar van welken aard die was, en hoe hij zich uitte, meldt de geschiedschrijver niet.

Allengs echter kwam de vrucht zich vertoonen. De afgodsaltaren werden verlaten, de beelden vernield, velen werden gedoopt. En toen Eltgius in 658 stierf, scheen het arbeidsveld een rijken oogst te beloven. Maar ditmaal werd de hoop nog beschaamd.

Intusschen meene niemand dat Eligius slechts een oppervlakkig Christendom predikte. Met onverdroten ijver drong hij, dagelijks het Woord brengend, aan op heiliging van den wandel bij degenen, die zich hadden laten doopen. Zijne korte predikatiën waren vol van nuttig onderricht en van waarschuwing. De geschiedschrijver verhaalt, dat hij «dagelijks het volk, dat hem was toebetrouwd, onvermoeid door heilrijke vermaningen opwekte, door liefde tot de waarheid gedreven, dien aanbevelende, God in

waarheid te dienen en ten allen tijde de rechtvaardigheid te-^etrachten". Dan herinnerde hij hun, «wat zij bi] den Doop beloofd hadden en toonde hun aan, wie de ware Chriaten is ; niet hij die den Christennaam draagt, indien hij niet de werken der Christenen deed en tenzij die naatn op zijn leven en zijnen wandel invloed oefende."

Wel was bet hoe langer hoe meer doordringend Roomsch bijgeloof ook reeds in eerste sporen in zijne prediking te vinden — zoo leerde hij, dat men zich van het teeken des kruises moet bedienen, maar tevens indachtig zijn, dat eerst dan het kruis beschermt, als men de geboden van Christus volbrengt — maar dit verhinderde niet, dat hij met aandrang de gedachte aan den dood en het komend oordeel zijn hoorders op het harte bond, om hun den ernst des levens en de noodzakelijkheid lener ware bekeering te doen verstaan.

Van Eligius zijn een 16-tal «sermoenen" bewaard gebleven.

Na Eligius' dood verloopen er verscheiden jaren, waarin verzuimd werd, op de gelegde grondslagen voort te bouwen. Tusschen 658 en 677 ligt de arbeid stil. De staatkundige gebeurtenissen zijn hiervan zonder twijfel mede de oorzaak. Wie op de hoogte is van de toestanden aan hel Frankische hof, waar de koningen het bestuur hunner landen overlieten aan hunne eerste dienaren, zal zich er niet over verwonderen, dat van vorstelijke zijde de stoot tot verbreiding des Christendon» niet sterk genoeg was, terwijl onophoudelijke oorlogen den zendingsaibeid steeds plegen in den weg te staan. Immers elke overwinning van een heidensch volk ging gepaard met de verwoesting van Christelijke bedehuizen. Hoever het Christendom zich in dezen tijd nog staande hield te Utrecht en aan de Zeekust is dan ook niet bekend. Doch wellicht leefden hier en daar wel enkele verstrooiden te midden der heidenen, maar dan zonder dat zij op de overige bevolking grooten invloed uitoefenden:

De eerenaam «Apostel der Friezen" is in de Kerkgeschiedenis toegekend aan Wilfrid, den zendeling, bij wiens arbeid we thans zullen stilstaan.

Geboren in Engeland ten jare 634, werd hij, 14 jaar oud, geplaatst in het klooster van Lindisfarne en wercb daar onderwezen. De kloosters n.1. waren toen ter tijd de oefenplaatsen der wetenschap en inzonderheid ten doel hebbend het onderricht van hen, die later de kerk zouden dienen.

Op 20-jarigen leeftijd reisde Wilfrid naar Rome, om daar nader te worden ingelicht omtrent enkele geschilpunten, die er waren gerezen tusschen de kerk op het vasteland, die meer en meer onder den invloed van Rome's paus kwam, en die van Engeland. In 658 in zijn vaderland wedergekeerd, werd hij door koninklijken invloed bisschop van Vork en zoo scheen het dan, alsof zijn arbeid zich tot zijn geboortegrond beperken zou.

Maar de Heere had een anderen weg bepaald. Wilfrid, die, in eere verheven zich kennen deed als eenheerschzuchtig, prachtlievend man, die een vorstelijk leven leidde en op wiens tafel gouden schotels prijkten, wekte, inzonderheid door zijne voorliefde voor Rome, veler haat op en werd van de bisschoppelijke waardigheid afgezet. Opnieuw wil hij de reis naar Rome ondernemen, maar een felle storm doet het vaartuig, waarmede hij den tocht had aanvaard, op de Friesche kusten stranden en zoo wordt de afgezette bisschop, ondanks zijn wil, in aanraking gebracht met de heidensche bevolking van ons vaderland en onder de leiding van het Goddelijk albestier de eerste prediker in het eigenlijk Friesland. Dit voorval had waarschijnlijk plaats in 677. Daar de koning der Friezen Adgild een man des vredes was, die den welvaart zijns rijks bedoelde en onder den invloed stond van de allengs doordringende beschaving, ontving hij Wilfrid bij zich aan het hot Toch dreigde dezen gevaar, want twee gezanten van den grootmeester van koning Theoderik van Neustrie kwamen tot Adgild en brachten een schrijven mede, waarin de uitlevering van den in Engeland gehaten bisschop werd gevraagd. Op een gastmaal echter, ter eere van die gezanten aangericht, las Adgild den - brief voor en wierp aien in het vuur met de woorden: «Moge God het rijk der trouweloozen verdelgen en zij eveneens varen als deze brief!"

Van nu aan mocht Wilfrid vrij het Evangelie verkondigen. Hij bleef den winter over in Friesland en velenr waaronder zelfs prinsen van koninklijken bloede, werden door hem onderwezen en gedoopt. Van tegenstand let» wij niet. Waar het eigenlijk arbeidsveld geitgen was, is niet uit te maken, daar de Friesche koningen te Utrecht, te Medemblik of te Stavoren verblijf houden in dezen tijd.

Slechts éénen winter bracht de zendeling op zijn zendingsveld door, maar van ongekenden zegen kon hij gewagen. Had hij enkele jaren aan dezen arbeid gewijd, misschien ware toen reeds het licht opgegaan in volheid. Maar het bleef nu bij de eerste stralen. Wilfrid toch toog naar Rome. Zijne verdere geschiedenis, hoe merkwaardig voorts ook voor de geschiedenis der Engelsche Kerk, staat niet in betrekking tot ons onderwerp.

Alleen zij vermeld, dat hij in, Engeland beurtelings erkend, weer afgezet en opnieuw 'in eere hersteld is en overleed in 709 zonder, voor zoover bewezen kan worden, ooit weer Friesland bezocht te hebben. Wel spreekt de levensbeschrijving van Wilfrid van eene ontmoeting tusschen hem en Willebrord, maar het schijnt niet uif gemaakt, dat zij hier te lande bij elkaar vertoefd hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

Hoe ons land een Christenland werd.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

PDF Bekijken