Bekijk het origineel

Onze roeping.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze roeping.

6 minuten leestijd

„De zaak des Konings heeft haast." Hebt gij die woorden wel opgemerkt, Lezer of Lezeres! op de laatste bladzijde van No. i van dezen jaargang van dit Maandblad ?

Als de Christen in waarheid is i verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods" (II Petri 3:11) of wanneer hij met smachtend verlangen uitziet naar den dag, in welken de aarde vol zal zijn vau de kennis des Heeren, gelijk 'de wateren den bodem der zee bedekken, dan wordt hij van zelf ook aangedreven om overvloedig te zijn in des Heeren werk.

Maar ook de hlik, op de wereld rondom geworpen., moet opwekken tot bijzonderen ijver. Er zal nog zooveel gedaan moeten worden, voordat de dag des Grooten Konings komen kan. Het arbeidsveld is zoo groot en de arbeiders zijn nog zoo weinig in getal. Daarom heet het nog steeds: Bidt dan deu Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst uitstoote." God roept Zijne dienstknechten en zendt hen heen, maar van de Zijnen verlangt Hij het gebed allereerst Op dat gebed komt het dus aan. Als de gemeente te Antiochié en met name hare voorgangers den Heere dienden en vastten, welk vasten zij gewis wel onderhielden, om met des te meer ijver te kunnen volharden in het gebed, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb" (Hand* 13:3), En als er opnieuw gevast en gebeden was, zijn die beiden uitgegaan, die menschen, die hunne zielen overgegeven hadden voor den naam van den Heere Jezus en 'tOe rijke vrucht heeft hun arbeid gedragen voor den V "«ing der eere!

adien er onder ons maar eens zoo werd gebeden en ai gevast!

Ik weet wel: de Zending in de aoe eeuw staat voor heel andere toestanden en heeft te worstelen met heel andere bezwaren dan in de dagen der Apostelen het geval was. Om b.v. maar iets te noemen: wie heden ten dage uitgaat, om het Evangelie des kraises te brengen onder de heidenen vindt zeker voor zijnen arbeid niet zulk een punt van uitgang als Paulus vond in de Synagogen der Joden. Het zich eigen maken van de taal en zich inleven in den gedachtenkring der heidensche volken vordert soms jaren van ingespannen studie — en toch! indien maar eens meer werd gebeden, zooals het in Antiochié is geschied! De Heere des oogstes is nog dezelfde en Hij heeft Zijn welgevallen in het ootmoedig gebed Zijns volks. Dat gebed wordt gevorderd door Zijue eere; het

Zijn rechtstreeksch bevel en het is zulk eene hooge gunst, mede strijdende in den gebede, een medearbeider (iods te mogen zijn.

Of meent gij soms, dat het de tijd niet isj om zoo bijzonder voor de Zending onder de heidenen te ijveren i Eilieve, luistert dan eens naar wat van hier en van daar wordt gezegd en gij zult moeten erkennen, dat het nu •tijd is, misschien wel meer dan ooit.

Als wij alleen maar eens letten op on? e Overeeesche bezittingen, waarop toch bijzonder de aandacht van den Gereformeerden Zendingsbond, blijkens art. II der Statuten, gevestigd worden moet. Ontegenzeglijk is daar in de laatste eeuw veel Zendingsarbeid verricht en toch het getal der heidensche volken is nog zoo groot. Ten opzichte nu van die nog heidensche volken is het nog niet heel lang geleden openlijk uitgesproken, dat hun heiden* sche godsdienst zich niet kan staande houden tegenover den Islam, den godsdienst van Mohammed, den valschen profeet, die voortdurend veld wint in den Oost-Indischen Archipel. Overgang tot den Islam is voor die volken dan de eenige weg, om hun volksbestaan te behouden — tenzij dan dat zij den Christelijken godsdienst leeren kennen en aannemen (Vergelijk het verhandelde in de 21e Nederlandsche Zendingsconferentie, gehouden te Amsterdam, 25 October 1907).

Voor den Islam, den godsdienst van den valschen profeet, zal er alzoo eene geopende deur zijn in onze Oost, wanneer niet de leer des Heeren tot die volkeren komt Zoudt gij meenen, dat Mohammed's volgelingen dit ook niet weten ? Is het denkbaar, dat zij stil zullen zitten, die moslim, voor wie het, naar de leer van hunnen valschen profeet, zulk een verdienstelijk werk is hun godsdienst uit te breiden en die daartoe zelfs den weg des gewelds (den z.g.n. heiligen oorlog) niet versmaden?

Zouden wij dan stil mogen zitten, alsof de zaak des grooten Konings geen haast had ? Zoudt gij in uwe onaandoenlijkheid mogen volharden ten opzichte van die volkeren, die toch waarlijk niet onder het gezag van ons volk zijn gekomen, om te worden geëxploiteerd ten bate der beurzen van kooplieden en ambtenaren, zooals het helaas in vroegere tijden wel eens geschenen heeft?

Als wij liet maar eens recht begrepen, hoe wij, die dfc" belijdenis onzer vaderen liefhebben, in de schuld staan juist ten opzichte van de bevolking van den Indischen Archipel-, wij zouden niet anders kunnen, dan als een waterstroom den Heere aanloopen, opdat Hij arbeiders aitstoote o x dat arbeidsveld.

Het is Ujö, dat er gearbeid wordt, meer dan voorheen. Het kan eigenlijk geen dag uitstel lijden en het is alleen onze traagheid, dat geen heirleger van zendelingen op zoo menige plaats de kruisbanier plant.

Maar gesteld eens, dat het nu geen tijd was, om af te zonderen tot dat werk diegenen, die het den Heere belieft er toe te roepen, zoudt gij dan recht handelen wanneer gij uwe gaven, uw gou'd en uw zilver (of indien gij tot de weinig-tezittenden behoort, uw koperen penningsken) terug hie'.d? Gij weet toch wel, wat Koning David deed, toen het hem niet vergund was een Huis te bouwen voor den Naam des Heeren? Betig is hij geweest tot het laatst van zijn leven toe, om bijeen te brengen zilver en goud en al wat meer noodig kon zijn, opdat wanneer de tijd tot bouwen zon zijn gekomen, het werk met spoed kon worden verricht, en zelf wekte hij immers zijn volk op, om van het hunne gewillig te geven tot des Heeren dienst.

Zóó deed onze Zendingsbond ook, wachtende als hij is op degenen, die de Heere roept tot het werk. Maar zullen zij kunnen worden afgezonderd en opgeleid en uitgezonden, dan moet die voorloopige arbeid met ijver en lust worden voortgezet. Daarom vragen wij Uw gaven, maar daarom vragen wij ook Uw gebed; Uw gebed tot den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders uitstoote in Zijnen oogst.

O, indien wij maar biddende werden gevonden! De zegenende ziel z l vet gemaakt worden*, de biddende zie^, met den Geest des Gebeds nog overvloediger bedauwd!

KLUNDERT.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

Onze roeping.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

PDF Bekijken