Bekijk het origineel

Ja, kom, Heere Jezus!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ja, kom, Heere Jezus!

5 minuten leestijd

Openb. 22:20.

Zoo heeft Johannes gebeden. Zijn zielsverzuchting was het antwoord op de belofte des Heeren: „Ja, Ik kom haastelijk, " eene belofte, door den Christus Gods met het „Amen" bevestigd, opdat Zyn apostel daarin de vastheid, de zekerheid zou bezitten, dat elk van des Heeren woorden getrouw en waarachtig is.

„Ik kom haastelijk." Zoo spreekt Hij, die gereed staat te komen ten oordeel en voor Wien alle geslachten zullen verschijnen. Zoo blijft Hij spreken, de eeuwen door en Zyn Woord moet u en my dagelijks stellen voor de vraag: „Zijt gij bereid? " Kunt gij met Johannes neerknielen en de belofte Zijner toekomst als eene heilsbelofte aanvaarden en met al de kracht, die waar en oprecht geloof uit de bron der genade zelve geput heeft, uitroepen als Johannes weleer: „Kom, Heere Jezus!" zoodat die groote dag IJ een liefelijke een dag van blijdschap en ver-wordtT heuging des harten?

Zoo moet het toch zyn! Als de Koning komt, zal dan de onderdaan niet met feikhalzend verlangen zijne verschoning tegemoet zien ? Als de bruidegom zijne nadering meldt, zal dan het harte der bruid niet opspringen van zielevreugd ?

Kent gij artikel 87 onzer kostelijke geloofsbelijdenis? Zoo ja, dan weet gij, hoe daar gesproken wordt „van het laatste oordeel"; dan weet gij, hoe daar wordt beleden: „de gedachtenis van dit oordeel is met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de boozen en goddeloozen, en zeer wenachelyk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen, dewijl alsdan hunne volle verlossing volbracht zal worden." En vandaar dan ook, dat het genoemde artikel en daarmede tevens de geheele belijdenis aldus besluit: „Daarom verwachten wij dien grooten dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de belofte Gods, in Jezus Christus, onzen Heere." Zalig wie met de ware Kerke Gods instemmend, dit heimwee naar den hemel en naar den grooten dag van Christus* toekomst kent. .Slechts wanneer waar geloof, door den H. Geest gewerkt, het harte vervult, slechts wanneer de H. Geest zelf oog en hart ten hemel trekt, zal dit heimwee de ziele met smachtend verlangen doen uitzien.

Maar dan ook wordt de vermaning des Heeren in hare kracht verstaan, dat de Heere, wanneer Hy komt, de Zijnen aan den arbeid vinde. Laat 'ie lendenen omgord zijn en brandende de kaarsen, en weest gij den menschen gelijk, die op .hunnen heer wachten, werkzaam dus en waakzaam en bereid.

Hij komt haastelijk. Doch Hij komt niet, wanneer niet eerst het Evangelie zal gepredikt zijn onder alle volken. {Mare. 13 : 10).

Hoort ge dan nu Zijn heilig bevel met ernst en met nadruk ? Het "Woord Gods moet gebracht, alom, over de lengte en breedte der aarde; het moet gebracht van zee tot zee, van pool tot pool. Het moet gebracht, alom waar menschenkinderen wonen; het moet gepredikt worden en de boden des Heeren moeten uitgaan, verkondigende vrede door Jezus Christus. En hoe zullen zy prediken, indiën ze niet gezonden worden?

Te lang reeds heeft het volk, dat de Waarheid van Gods getuigenis liefhéeft, het Zendingsbevel des Heeren niet verstaan ; te lang reeds is er ter verontschuldiging gewezen op de toestanden in eigen omgeving. Te lang reeds heeft menigeen vergeten, wat de Prediker (9:10) ons beveelt:

„Alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe het met uwe macht." Onze vaderen verstonden beter, dat hij, aan wien de ^Woorden Gods zijn toebetrouwd, schuldig is, de waarheid Gods te verbreiden.

Komt, dat dan allen, die zich in het licht van' Gods zuivere Woord verblijden, allen inzonderheid, die de kracht van dat Woord hebben ervaren

de handen ineenslaan, en zich opmaken tot het heerlijk werk der Zending. De dag des Heeren komtl Zult ook gij icerkzaitm, waakzaam en b*rnd worden bevonden?

Onze vaderen hebben ons het voorbeeld gegeven. Naast God danken wij hun de zuivere verkondiging des Woords in ons vaderland. Die erfenis hebben wij mogen aanvaarden. Zullen wij niet tevens tot hunnen arbeid ingaan?

Oudtijds hadden de gemeenten in ons land elk een eigen kerkelijk zegel, dat op gewichtige stukken ten bewijze van de echtheid daarvan werd afgedrukt. Onlangs zag ik zulk een afdruk, die mij in bijzondere mate aan de roeping der kerk om Zendingsgemeente te zijn herinneren kwam.

Het was het oude kerkelijke zegel der gemeente Maastricht. In het midden de olijftak, symbool van den vrede, vastgehouden door twee van ter zijde to? gestoken en in elkaar gevouwen handen. Het randschrift luidde: „Tot op Ghristi ioe-comste".

Zoo moet het zijn. In broederlijke liefde de vrede betracht en onderling gehandhaafd; in broederlijke liefde getoond, dat er vrede is in de ziel; maar dan ook in broederlijke eenheid van alle zijden de handen toegestoken, opdat vrede verkondigd worde, dien die verre en dien die nabij zijn. Zietdaar de heerlijke roeping van de ware gemeente des Heeren; zietdaar de taak, die op haar blijft rusten; zietdaar het werk, dat moet verricht worden voortdurend, zonder ophouden, zonder uitstel,

„tot op Christi toe-comste".

H.

v. I.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

Ja, kom, Heere Jezus!

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

PDF Bekijken