Bekijk het origineel

Hoe ons land een Christenland werd.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoe ons land een Christenland werd.

7 minuten leestijd

VIII. Bonifacius.

Wanneer de opmerking joist ia, dat het de eigenschap van groote mannen is, voortdurend éeo levensideaal te hebben en alle krachten tot bereiking daarvan in te spannen, dan voorzeker mag Bonifacius in de rij der groote mannen geplaatst worden. Immers, zijn levensdoel, dat hij nimmer uit het oog verloor, bestond hierin, dat hij het Christendom wilde verbreiden in Dnitachlaod. En met zulk eene volharding en met zulk een ijver heeft hij dit doel nagejaagd, dat hij als de apostel der Duitschers in de geschiedenis der kerk genoemd wordt.

Ook voor ons Vaderland heeft Bonifacius groote beteekenis. Heeft hij 39 jaar als apostel gearbeid, daarvan waren ternauwernood een 5-tal besteed aan onze gewesten, maar niettemin is van dezen prediker groote invloed uitgegaan, terwijl na zijn verscheiden zijn geest voortleefde in anderen, die hebben voortgebouwd op de fondamenten, die hij had gelegd te midden van ontzaglijken strijd.

Winfried — want dat is eigenlijk Bonifacius'naam, dien hij bij den aanvang van zijn kloosterleven aflegde — werd volgens de overlevering geboren te Kirton bij Exeter in Engeland in den jire 681. Reeds vroegtijdig openbaarde zich bij den knaap de begeerte om zich aan den dienst der kerk te verbinden en daartoe aan de kloosterpoort aan te kloppen en opneming te vragen. Maar zijn vader, die in zijn zoon de erfgenaam zijner groote bezittingen zag, weerstond langen tijd dien wensch, totdat eene zware krankheid het middel werd om hem het goed dezer aaTde met andere oogen - te leeren beschouwen. En zoo werd de jonge Winfried in een klooster te Exeter opgenomen. Later in een ander klooster overgegaan, werd hij, reeds ouder dan 30 jaar geworden zijnde, tot priester gewijd en nu meer dan ooit gevoelde hij in zijn binnenste dien onweerstaanbaren aandrang om als zendeling uit te gaan, die zich door niets of niemand liet weerhouden.

Waarschijnlijk in het voorjiar van 716 werd de tocht over de Noordzee gelukkig volbracht en landde Bonifacius met twee of drie metgezellen in deze gewesten. Maar welk eene teleurstelling wachtte hen! Het gansche land was bij vernieuwing in de handen van Radbout gevallen. Nieuwe tempels voor de afgoden waren opgericht, Willebrord' met de zijnen waTen gevloden. Evenwel verloor Bonifacius den moed niet. Vruchteloos* was een gesprek met koning Radbout te Utrecht gehouden. Maar al werden den zendeling ook door den heidenschen vorst geene bijzondere moeilijkheden in den weg gelegd, waartoe Radbout vanwege zijn oorlog met de Franken misschien geen tijd had, deze eerste reis van B. mag zeker niet veel meer dan een verkenningstocht genoemd worden. In 'tlate najaar keerde hij dan ook naar Engeland terug.

Nauwelijks echter was de lente weer aangebroken, of opnieuw toog B. op reis. Voorzien van een aanbevelingsbrief van Daniël, bisschop van Winchester, toog hij naar de overzijde van de Noordzee, hopende, dat ditmaal zijn werk van blijvenden aard wezen zou. In bedoelden brief, die nog tot heden is bewaard gebleven, vraagt genoemde bisschop aan alle vorsten, prelaten, geestelijken en monniken eene broederlijke ontvangst voor Winfried, »den knecht Gods" en zulks wel onder verwijzing naar het goede voorbeeld van gastvrijheid, eenmaal [gegeven door Loth, van wien in dit schrijven gezegd wordt, dat hij door zijne herbergzaamheid > aan de vlammen van Sodom ontkwam".

Den winter van 718 op 719 bracht B. te Rome door. Daar ontving hij van paus Gregorius een uitgebreide volmacht, afgegeven r5 Mei, om in Beieren en Thuringen de uitgestrekte velden, die daar voor de prediking van het Evangelie open lagen, op te nemen. Dit werk verricht hebbende, ' toog B. naar het gebied der Franken, om daar aanstonds te vernemen, dat > de vijand" (koning Radbout) gestorven was. En nu trekt onze zendeling Friesland binnen. Te Utrecht vinden we hem met Willebrord in eendracht samen arbeidend. Maar toen Willebrord, oud geworden, hem voorstelde, zich tot bisschop te laten ordenen, beriep B. ~ich op zijn pauselij-, ken lastbrief, die hem de prediking gelastte aan de heidensche volken in Duitschland en vertrok weder derwaarts, na ongeveer 3 jaren in ons vaderland te hebben vertoefd.

Wij zullen niet uitweiden over al de tochten, door B. in Duitschland in den dienst van het Zendingswerk on-

dernomen, noch spreken van de duizenden, die door hem zijn gedoopt Met recht wordt hij de apostel der Daitschers genoemd en de glorierijke dag, toen de heilige eik te Geismar werd omgehouwen, was de val van het heidendom in Thuringen en Beieren. Maar wij spreken over de geschiedenis van ons eigen land.

Sedert de dood van Willebrord (739) was Bonifacius de man, die ook in ons vaderland de kerk bestierde, hoewel hij zelf in Duitzchland bleef. Eerst in 753 toog hij naar onze gewesten en na den winter in meer Zuidelijke streken te hebben doorgebracht, verscheen hij in 754 opnieuw om met krachtige hand het schip der nog jeugdige kerk te sturen in de richting, door den pauselijken stoel aangewezen.

Rustig was het land nog niet De beste krachten der heidenen waren gebroken, maar de Saksen grepen telkens naar de wapenen en opstand, ook onder de Friezen, was voortdurend te vreezen. En vooral de noordelijke gewesten waren dan het tooneel van den strijd tusschen Christendom en afgoderij, vooral toen Radbout II, de toenmalige koning der Friezen, de verlaten heiligdommen liet herstellen en de Christenen dwong, deel te nemen aan de heidensche offerplechtigheden.

In 't voorjaar van 755 maakte Bonifacius zich gereed tot zijn laatsten tocht, jarea lang reeds was telkenmale de gedachte hem nabij, dat hij door de handen der heidenen zou sterven. Daarom had hij, 3 jaar tevoren, den paus Zacharias gevraagd, of het den Christen geoorloofd was, zich door de vlucht te redden, als de ongeloovigen zijn dood zochten; ja, toen hij de reis naar ons Vaderland ondernam, had hij zijn vriend en opvolger Lullus reeds bevolen, bij zijn boeken ook eens doodskleed te leggen, opdat dit gereed zou zijn, wanneer zijn einde eensklaps zou zijn gekomen. Niet, dat B. den marteldood zocht. Integendeel, steeds werd hij veiligheidshalve vergezeld van gewapenden, die den aanvaller ontzag moesten inboezemen en den kwaadwillige afschrikken.

De tocht naar het Noorden werd ondernomen. Na in Ooster-en Westergo de lentemaanden te hebben doorgebracht, werd ten laatste de streek rondom Dokkum opgezocht en aan de oevers van het riviertje de Borne, waar thans Murmerwoude (moordenaarswoud) ligt, de tent opgeslagen. Wijd en zijd werd nu bekend gemaakt, dat Bonifacius tegen den 5 en Juni alle gedoopten uit den omtrek samenriep om hun het Roomsche »sacrament, " dat vormsel" geheeten wordt, toe te dienen, maar in plaats van eene schare van belijders, verschenen de vijanden, die gedurende den nacht waren samengesneld, en tegen het aanbreken van den dageraad in alle stilte het kamp hadden omsingeld. Een woest geschreeuw doet op eens de gewapende manschap, die B. vergezelde, opspringen. Zij grijpen naar het zwaard, maar — wat zal het baten ? Evenwel zijn zij bereid, in den levenden muur eene opening te maken, opdat ontvlieden kan hij, wiens dood wordt gezocht.

Daar verschijnt Bonifacius, volgens ooggetuigen een man met sneeuwwitte haren en eene door ouderdom gebogen gestalte. Hij slaat het oog in 'trond. Bemerkt hij, dat er tegen de overmacht geen strijden zal zijn ? In elk geval, van de laatste oogenblikken maakt hij gebruik, om de zijnen aldus toe te spreken:

«Laat af, mannen, van den strijd en geeft het op, U 't lichaam te verweeren, daar het waarachtig onderwijs der Schrift ons leert, geen kwaad met kwaad, maar kwaad met goed te vergelden. Eindelijk is de dag, dien wij lang verbeid hebben, verschenen. De tijd onzer, ontbinding is nabij. Weest dus sterk in den Heere en verdraagt dankbaar Zijne genadige beschikking; wacht en hoopt op Hem, Hij zal uwe ziel bevrijden."

Zoo sprak hij tot de gewapende mannen, die bereid waren, hem tot het uiterste te verdedigen.

Tot de priesters, die hem vergezelden, heette het:

„Broeders, houdt n mannelijk en zijt sterk. Laat u niet overmannen door vrees voor hen, die het lichaam dooden, terwijl zij de onsterfelijke ziel niet van het leven kunnen berooven. Verblijdt u integendeel in den Heere en vestigt uwe hoop op God, Die binnen weinige oogenblikken a den prijs der eeuwige belooning zal schenken, om u naast de Engeltal als burgers in Zijn eeuwige woning plaats te geven. Laat u niet bekoren door het genot der wereld. Dat de zoete vleitaal der heidenen, die zoo weinig geeft, u niet misleide. Verdraagt standvastig, bid Ik D, den tijd des doods, om voortaan in eeuwigheid m«.t Christus te kannen heerichen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

Hoe ons land een Christenland werd.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1908

Alle Volken | 4 Pagina's

PDF Bekijken