Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OVER EEN MUUR.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OVER EEN MUUR.

7 minuten leestijd

En met mijn God spring ik over een muur. Ps. 18:30b.

Hooge en stevig gemetselde muren hadden David menigmaal in zijn levensloop gestuit. Daarmee had hij al kennis gemaakt in de ouderlijke woning. Voor welk een muur stond de hoog-gestemde jongeling reeds bij vader thuis in de geringschatting van zijn oudere broers en in zijn achterafzetting zelfs door Isaï, die een familie-feest kon aanrichten zonder daarbij aan zijn jongsten zoon te denken en aan dien maaltijd kon plaats nemen zonder daarbij den afwezigen David te missen!

Ook in zijn later leven werd David de weg gedurig versperd. Indien iemand, dan heeft zeker hij door de spitsroeden moeten heengaan. Daar waren de speerworpen van Saul, de steenworpen van Simei', de bange twisten in eigen familiekring, de sterke tegenstand zijner wederpartijders, nog ongerekend zijn eigen misgrepen, welke hij met heete tranen heeft moeten beschreien en die hem meer dan eens tot een smadelijken terugtocht dwongen.

Maar wie in het leven heeft geen kennis aan onverzettelijke muren, welke scheiden van het beoogde en begeerde doel? Onze tijd is zeker rijk aan hooge muren, die het leven insluiten, beperken en het dreigen te maken tot een gevangenis, zoodat geen frissche levensbeweging meer mogelijk blijft.

In de onbezorgde dagen der jeugd zijn er niet zelden nog wel liefdehanden om steenen des aanstoots weg te ruimen, den wankelen voet der kleinen voor struikelen te bewaren en het pad te effenen voor de nog ongeoefende krachten. Maar nauwelijks is de tijd daar, waarin we op eigen beenen hebben te staan, of het wordt al aan den lijve gevoeld, dat ieder mensch op aarde een strijd heeft. In plaats van ze weg te ruimen, doen er nacht en dag onvermoeide kruiers dienst om die steenen aan te brenge'n. Zelfs bij wagensvol worden ze aangereden en karrevracht na karrevracht gelost. Er komt tegenslag op tegenslag, verlies op verlies, teleurstelling op teleurstelling, hindernis op hindernis, bezwaar op bezwaar.

Het zijn altijd de slechtsten nog niet, die beproeven de sterk gebouwde muren, opgetrokken van al die steenen des aanstoots, met de dommekracht van hun wil te slechten en ze met moker en houweel te lijf te gaan om zich een verderen voortgang te verschaffen.

Zeker staan er ook van de lezers van ons maandblad in dezen van zware zorgen zoo rijken tijd voor muren, welke van geen wijken weten. Het Hoofdbestuur kan daarvan ook wel spreken bij de zich vermenigvuldigende moeilijkheden voor de Zending, ver en nabij. Wij kunnen wel denken zoo maar door te kunnen gaan en het werk naar zijn opzet af te maken, doch dan wordt ons opeens de pas afgesneden en stooten we op een muur, welke ons een onverbiddelijk halt toeroept. Kunnen we er al niet door, konden we er dan nog maar over!

Velen moeten echter met ons van onoverkomenlijke bezwaren spreken. De forsche aanloop om zich een doortocht te banen, leidde tot niets en er zijn wat een hoogspringers, die, hoe lang hun polsstok ook was, na hun vergeefsche pogingen om er over heen te komen met bezeerde ledematen op den grond liggen te kermen.

De muren zijn zoo dik en tegelijk joo hoog, te hoog.

Wij kunnen in het leven meer verdragen dan we vaak meenen. De maat onzer kracht is, zoo we in de genade mogen wortelen, grooter dan we vaak zelve weten. Hoevele kinderen Gods zijn er niet, die zware lasten hebben te torsen en dit van dag tot dag mogen doen met een blinkend aangezicht zonder te zuchten? Maar de lasten kunnen wel eens te zwaar worden, de moeielijkheden te veel en de zorgen te groot. De uitwendige beproevingen tellen hierbij stellig mee, maar er zijn nog bovendien krenkingen, welke het ons bitter benauwd kunnen maken. Vooral is dit het geval, als we staan voor zulk een hoogen muur, dat we niets meer kunnen zien van het vriendelijk aangezicht des Heeren en we zoo pijnlijk het troostend gevoel van Gods nabijheid in Christus Jezus moeten missen.

Het leven is geen vlakke baan, noch een effen pad. We lezen van hen, die ingegaan waren in den hemel der heerlijkheid, dat ze uit een groote verdrukking waren gekomen. Israël, dat op weg was naar Canaan, had met zooveel belemmeringen op den voortgaanden weg te worstelen, dat het bij die onverzettelijke en hooge muren, waaraan het tevergeefs zocht naar deur of poort, nog slechts enkel dacht die muren den rug toe te keeren en den terugtocht naar de vleeschpotten van Egypte te ondernemen. Ook hier in is Isrel beeld van Gods Kerk.

Zelf leveren we niet het minste bouwmateriaal voor het optrekken van de hooge muren. Onze hang toch is naar het booze. omdat we geneigd zijn tot alle kwaad. Door de zonde dragen we een dicht bezaaid netelenveld en in kiem heel de hel in ons hart. Bovendien ligt de wereld, waarin we ons bevinden, in het booze. Altijd is zij er op uit om muren te metselen. Nu eens doet zij dat door te trachten het hart onder hare machtige bekoring te brengen en een anderen keer beproeft zij den loop te stuiten door schimp en spot, door haar meewarigen glimlach over onze achterlijkheid, welke ons nog doet bidden en danken.

Onze catechismus spreekt van drie doodvijanden, den duivel, de wereld en ons eigen vleesch. Hij noemt ze doodvijanden. Ze laten het niet bij een schermmutseling. Zij hebb.en het op het leven gemünt. De macht der hel houdt niet op met ons aan te vechten en zij legt zelfs gedurig haar eigen vuil gebroed voor de deur van hart en huis om ons ook daarvan het vaderschap toe te schrijven. Toegemuurd aan allen kant lijkt nergens uitkomst. ook voor ons werk. Terugdeinzen, dat doen hier de meesten. Er over heen klimmen is de machtelooze poging van anderen. Dit toch loopt uit op een klauteren, dat slechts met terugvallen eindigt.

In onzen tekst hooren we den harpenaar met de gouden harp, door des Heeren eigen

hand hem toegereikt, psalmen: „Met mijn God spring ik over een muur”.

De Heere deed de muren van Jericho vallen. Dat was genade.

De Heere ruimt dikwerf de hindernissen weg. Dat is rijke gunst des hemels.

Maar grooter genade wordt betoond, als die geweldig gemetselde muren niet worden gesloopt, er zelfs geen steen uit wordt losgewrikt en Hij door zijn Woord en Geest u bij de hand vat om er u over heen te tillen.

Het is genade, als in dagen van krankheid de Hceie u van die krankheid geneest. Dan is de muur voor u afgebroken. Grooter genade echter wordt bewezen, als de Heere bij blijvende krankheid dat ziekbed maakt tot een predikstoel van zijn deugden.

De Heere kan het zware kruis, dat u drukt, wegnemen uit uw leven. Dat is onverdiend gunstbetoon. Dan zijn de muren van Jericho gevallen. Grooter echter is de bewezen gunst, als de Heere die geweldige muren zelfs niet doet wankelen en Hij zijn genade verheerlijkt om het drukkende kruis op te nemen en om het Hem na te dragen.

Worde door hen, die in dezen tijd aan de klaagmuren met zoovelen zijn terecht gekomen, de harptoon van den harpenaar in onzen tekst, van David, liefelijk in psalmen, opgevangen, zoodat de Opperste Zangmeester het ze inzinge in het hart: „Met mijn God spring ik over een muur”.

Dan wordt ons de rechte weg gewezen. Dan zijn er hindernisen, doch om genomen te worden. Dan blijven de bezwaren, maar om ze te overwinnen. Dan vermenigvuldigen zich de moeielijkheden voor hart, huis en werk, ook voor onzen gemeenschappelijk gedragen arbeid, maar zij alle en nog veel meer zullen den verderen voortgang daarvan toch niet kunnen stuiten. Hoe hoog de muren mogen zijn, hun hoogte wordt genomen, doch alleen met den koninklijken sprong des geloofs en met den kloeken zwaai, waarbij gerekend wordt niet met wat gezien wordt, maar met Hem, die zijn kracht in zwakheid volbrengt.

Op het persoonlijke komt het hierbij aan. De kracht van Gods Woord ligt voor ons in de voornaamwoorden, hier in onzen tekst in het persoonlijk, bezittelijk voornaamwoord mijn.

Met mijn God. Niet met den God van een anderman. Zelfs niet met den God van uw godvruchtigen vader of van uw biddende moeder, zonder dat Hij ook uw God geworden is in Christus Jezus, zijnen lieven Zoon. Dat mijn wordt alleen de opstap voor dien reuzenzwaai, welke veilig brengt naar den anderen kant van den anders onoverklimbaren, hoogen muur, zelfs van den onoverklimbaren, blinden en zwarten muur van den dood.

Den Haag, Beeklaan 389. Februari 1933.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 1933

Alle Volken | 16 Pagina's

OVER EEN MUUR.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 1933

Alle Volken | 16 Pagina's

PDF Bekijken