Bekijk het origineel

BIJ HET GRAF.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BIJ HET GRAF.

8 minuten leestijd

En Maria stond buiten bij het graf, weenende. Joh. 20:11.

Wat Petrus was in den discipelen-kring, was Maria Magdalena onder de discipelinnen van den Heiland, Evenais Petrus onder de mannen immer haantje de voorste was. zoo was deze Maria de eerste onder de vrouwen. Zij behoort dan ook tot hen, die op dien gedenkwaardigen Paaschzondag, als Jeruzalems poorten maar even ontsloten zijn, uitgaan met een mandje specerijen om haren gestorven Heiland te zalven. Als zij met de anderen, die zich bij haar hadden aangesloten, bij het graf in Jozef van Arimathea's hof komt, vindt zij dat leeg. Terwijl de andere vrouwen zich nog ophouden bij den afgewentelden steen, keert zij terug naar de stad om het Petrus en Johannes te vertellen. Die moeten dat weten. Voordat Petrus en Johannes haar volgen konden, is

zij echter al weer op den terugweg. Bij het leege graf kan zij het niet uithouden, maar in Jeruzalem nog veel minder. Deze vrouw met dat warme gevoel en haar groot verdriet kan niet wachten. Wachten is zulk een bewogen hart onmogelijk. En nu vinden we Maria alleen buiten het graf, weenende. De andere vrouwen toch zijn reeds vertrokken. Petrus en Johannes zijn er nog niet. Ze staat weer bij het graf en weent en weent. Zij bukt zich. Ze kijkt nog eens voor den zooveelsten keer in het leege verwulfsel. Zij ziet twee engelen zitten, nog wel in het blinkend overwinnings-en vredeskleed des hemels. De een zit aan het hoofdeinde, de andere aan het voeteneinde ter plaatse, waar Jezus gelegen heeft. Maria ziet ze. Ze kent ze voor engelen. Maar zelfs engelen kunnen haar niet troosten. Zoolang Jezus er niet is, kan niets haar tranen stelpen. De gansche hemel — zoo groot is haar droefheid en hare innige verknochtheid aan den Heiland — zegt haar niets, als Jezus er niet is. Zij keert die twee grafengelen dan ook den rug toe. Die laat ze voor wat ze zijn. Maar die engelen laten Maria niet los. Zij vragen haar: „Vrouw, waarom weent gij? "

Een treurig hart maakt niet vele woorden. Ze antwoordt dan ook slechts in de eenvormigheid van hare verdrietige stemming: „Zij hebben mijnen Heere weggenomen en ik weet niet, waar ze Hem gelegd hebben". En daarop gaat zij verder den hof in al maar zoekende, of zij niet een aanwijzing vinden kan. waar toch het lichaam van Jezus gelegd is.

Maria ziet Jezus staan. Zij weet echter niet, dat het Jezus is. Zij weent en staat te snikken op het kerkhof, dat haar het hart schier breekt.

De Heiland viert zijn Paschen en houdt zijn opstandingstriumf. En gaat Hij nu heen naar Pilatus en naar Kajafas met heel het Sanhedrin om over die allen te triumfeeren? Neen, dat is niet de wijze, waarop Jezus Paschen viert. Als Jezus Paschen houdt, gaat Hij allereerst naar die zielsbedroefde Maria Magdalena, naar die eenzame vrouw om haar te troosten. Dat is de wijze, waarop de Koning van leven en dood zijn groote overwinning viert.

De Heiland spreekt Maria aan. „Vrouw, wat weent gij? " Dat is het eerste woord, gesproken door den opgestanen Heiland, gesproken tot een bedroefd menschenkind. In die vraag geeft Hij zijn levensprogram. Hij wendt zijn aangezicht tot hen. wier oogen vol tranen staan en in wier hart het klaagt: , , Zij hebben mijnen Heere weggenomen en ik weet niet, waar ze Hem gelegd hebben".

Maria denkt, dat het de hovenier, de tuinman is. Mijnheer, zegt zij, als gij Hem weggelegd hebt. zeg mij dan maar waar en ik zal Hem wegdragen. Ze noemt niet eens den naam van Jezus, zoo vol is dat bewogen vrouwenhart van Hem. Zij meent, dat een ieder wel weten moet, wie Hij is dien ze bedoelt. En als ze dat zegt, weent ze al maar weer voort, aldoor maar voort en heeft haren Heiland onder het weenen al weer den rug toegekeerd. Immers, als Jezus haar nu bij haren naam noemt en zegt: „Maria", dan moet zij zich omkeeren.

Maria. — bij het noemen van haren naam zijn haar de schellen van de oogen gevallen. Eerst sprak de Heiland haar toe met vrouw, maar nu Hij zich aan haar openbaart als den Levensvorst, is het woord vrouw vervangen door het intiemere en het vertrouwelijke van haar persoonsnaam en zegt de opgestane Koning: „Maria!"

Trapsgewijze heeft de Heiland zich Maria geopenbaard. Zooals de donkerheid van den zwarten nacht niet plotseling vervangen wordt door het volle licht van den stralenden dag, maar op de diepe duisternis eerst volgt de doorbrekende schemering, dan het gloeiend morgenrood en later pas de heldere zonneschijn en het licht van den bestendigen dag, zoo heeft Hij Maria geleid van schreê tot schreê. Eerst was daar het leege graf, daarna het gesprek met de engelen, vervolgens de ontmoeting van Hem, dien zij aanvankelijk voor den tuinman aanzag en eindelijk de zelfopenbaring van den Verrezene, de volle bestraling door de Paaschzon, die bloedrood voor haar was weggezonken achter den heuvel Golgotha en ondergegaan in de grafspelonk van Jozefs hof.

Maria, — zijt ge alles vergeten, wat ik ook tot U gesproken heb van mijn lijden en sterven en opstaan? Maria, —-zoekt ge mij in het graf? Beweent ge mij als een doode?

Met dat woord Maria brengt Hij haar tot zichzelve. Zijne schapen hooren zijne stem. Die stem doet al de snaren van haar ziel trillen en met een uit de ziel opwellend Rabbouni werp zij zich neder aan zijne voeten.

Maria kwam met een mandje vol kostbare specerijen naar het kerkhof om daarmee haren Heiland te zalven. Maar nu is er voor haar geen Jezus, dien zij heeft te zalven. Daar is een Jezus, de levende Heiland, die haar zalft door zijn genadige tegenwoordigheid. Daar is nu geen Jezus, dien zij moet helpen, maar een Heiland, door wien zij geholpen wordt. Naar haar mandje met spece-

rijen ziet ze dan ook niet meer om, hoe kostbaar ze ook waren, gelijk uit de handen glipt al het onze, zelfs onze kostelijkste bevindingen en onze treffelijkste werken, wanneer de groote Borg en Zaligmaker zich in zijn voortreffelijkheid, dierbaarheid en gepastheid zich door zijn Woord en Geest aan de ziel bekend maakt en we alles in Hem vinden, wat tot onze zaligheid van noode is.

Onze tekst zegt: „Maria stond buiten bij het graf en weende".

De Heere heeft den mensch geplaatst in den heerlijken hof van het Paradijs. Uit dat Paradijs is de mensch om der zon de wil verdreven. De aarde werd door de zonde één groot kerkhof, waarop brekende harten Staan te snikken. Maria stond ook bij het graf en weende. Zij liep alle paden er van af zonder te vinden wat zij zocht, totdat de Heiland door Maria bij haren naam te noemen en door zich aan haar bekend te maken dat kerkhof met al zijn verschrikking weer voor haar maakte tot een Paradijs.

Als Jezus er maar is, dan is het Paaschfeest voor het hart ook temidden van de grafsteenen. Dan zwicht de duisternis en is het licht. Hem te kennen en de kracht zijner opstanding, dat is het leven temidden van den dood, dat is het eeuwige leven. Jozefs hof, waar al het hare was ondergegaan, bleef door de genadige tegenwoordigheid van den opgestanen Jezus voor haar niet langer een plaats der verschrikking, een akelig kerkhof, maar werd haar een Eden, het Paradijs, haar door den Levensvorst bereid en ontsloten.

Jezus, weggenomen uit hart en huis, laat niets over dan een woeste woonstede, een doodenakker. We zien dat in de samenleving, waarin een geraffineerd Heidendom zich in onze dagen haast overal heeft genesteld. zich roert en beweegt. Niets dan een doodenakker, al loopt ge er alle paden van af om iets beters te zoeken, vindt ge, waar Jezus gemist wordt, ook in dat verre land der Toradja's. Maar, als Hij zijn stem Iaat hooren door zijn H. Geest, als Hij zich kennen laat door zich te openbaren in de prediking van zijn Woord en dit met goddelijke autoriteit spreekt tot de harten, dan wordt zelfs het akelige kerkhof, de groote doodenakker van het moderne en oude Heidendom nog tot een gaarde, waar de knieën zich buigen, zoodat ook de kaffer en de Tyriër, ook de Toradja, zich aan de voeten neerwerpt van Hem, die het ook u vraagt: „wat weent gij, wien zoekt gij? " met het uit de ziel opwellende Rabbouni.

Vreugdeolie geeft Hij voor tranen. Hoe meer tranen over het gemis van Hem, hoe meer olie in de kruik om straks den Bruïgom tegemoet te gaan met allen, die Hij zich Gode gekocht heeft door zijn bloed en die op duizend verschillende tonen ook in de Toradja-taal zullen doen weerklinken den Paaschjubel van de weenende Maria bij het graf: „Rabbouni!"

Den Haag, April 1934.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1934

Alle Volken | 16 Pagina's

BIJ HET GRAF.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1934

Alle Volken | 16 Pagina's

PDF Bekijken