Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BIJ HET GRAF.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BIJ HET GRAF.

7 minuten leestijd

En Maria stond bij het graf. weenende. Joh. 20 : 11.

Wat Petrus was in den discipelen-kring, was Maria Magdalena onder de discipelinnen van den Heiland. Petrus was immer haantje de voorste onder de jongeren; Maria was steeds de eerste onder de vrouwen. Als op dien gedenkwaardigen Paaschzondag de poorten maar even ontsloten zijn, zien we haar met haar mandje specerijen Jeruzalem verlaten om haren gestorven Heiland te zalven. Andere vrouwen sluiten zich bij haar aan, doch, wanneer zij bij het graf zelf gekomen zijn, vinden zij het leeg. Maria kan zich niet ophouden bij het leege graf gelijk de andere vrouwen. Zij keert dadelijk terug om het Petrus en Johannes te vertellen. Die moeten het weten. Maar, voordat Petrus en Johannes haar volgen kunnen, is zij al weer op den terugweg. Bij het leege graf kon zij het niet uithouden, maar in Jeruzalem nog veel minder. Wachten is voor zulk een bewogen hart onmogelijk. En nu vinden we Maria alleen bij het graf. weenende. De andere vrouwen toch zijn reeds vertrokken en Petrus en Johannes zijn nog niet gekomen.

Weer staat zij bij het graf en weent en weent. Zij kijkt nog eens voor den zooveelsten keer onder het leege verwulfsel. Zij ziet twee engelen zitten, nog wel in het blinkend overwinnings-en vredeskleed des hemels. Maria ziet ze. Zij kent ze voor engelen. Maar zelfs engelen kunnen haar niet troosten. Zoo lang Jezus er niet is, kan niets haar tranen stelpen. De gansche hemel — zoo groot is haar droefheid en innige verknochtheid aan den Heiland — zegt haar zonder Jezus niets. Zij keert dien grafengelen dan ook zonder meer den rug toe. Zij laat ze voor wat zij zijn. Maar die engelen laten Maria niet los. Zij vragen haar-. , .Vrouw, waarom weent gij? "

Een treurig hart maakt niet vele w^oorden. Zij antwoordt dan ook in de eenvormigheid van haar verdrietige stemming: ..Zij hebben mijnen Heere weggenomen en ik weet niet. waar ze Hem gelegd hebben". En daarop gaat zij weenende verder den hof in, al maar naar haren Heiland zoekende.

Maria ziet Jezus staan. Zij weet echter niet, dat het Jezus is. Zij staat daar te snikken, dat haar het hart schier breekt.

De Heiland viert zijn Paschen en houdt zijn opstandigstriumf. En gaat Hij nu dadelijk heen om te triumfeeren over het Sanhedrin en over Pilatus? Als Jezus Paschen houdt, gaat Hij allereerst naar een diep bedroefde vrouw. Dat is nu de wijze, waarop de Koning van leven en dood zijn groote overwinning viert.

De Heiland spreekt Maria aan: ..Vrouw, wat weent gij? '' Dat is nu het eerste woord, door Hem na zijn opstanding gesproken. Hij wendt zich allereerst tot hen, in wier hart het klaagt: , , Zij hebben mijnen Heere weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.

Maria denkt, dat het de hovenier, de tuinman is. Mijnheer, zoo hooren we haar zeggen, als gij Hem weggenomen hebt, zeg mij dan maar waar en ik zal Hem wegdragen. Zoo vol is dat bewogen vrouwenhart van Hem, dat zij niet eens den naam noemt van Hem, dien zij bedoelt. En als zij dat zegt, weent zij maar weer voort, aldoor maar voort en heeft onder het weenen haren Heiland al weer den rug toegekeerd. Immers, als Jezus haar nu bij haren naam noemt en zegt: , , Maria", dan moet zij zich omkeeren.

Maria, — bij het noemen van haren naam vallen haar de schellen van de oogen. Eerst sprak de Heiland haar toe met vrouw, maar nu Hij zich haar openbaart als den Levensvorst, is het woord vrouw vervangen door het intiemere en vertrouwelijke van haar persoonsnaam en zegt de opgestane Heiland: , , Maria!"

Trapsgewijze heeft de Heiland zich Maria geopenbaard. Zooals de donkerheid van den zwarten nacht niet plotseling vervangen wordt door het volle licht van den stralenden dag, maar op de diepe duisternis eerst volgt de schemering, dan het gloeiend morgenrood en pas later de heldere zonneschijn en het licht van den bestendigen dag, zoo heeft Hij Maria geleid van schreê tot schreê. Eerst was daar het leege graf, daarna het gesprek met de engelen, vervolgens de ontmoeting van Hem. dien zij aanvankelijk voor den tuinman hield, en eindelijk de zelfopenbaring van den Verrezene, de volle bestraling door de Paaschzon, die bloedrood voor haar was weggezonken achter den heuvel Golgotha en ondergegaan in de ontsloten grafspelonk van Jozef van Arimathea.

Maria, — zijt ge alles vergeten, wat ik tot u gesproken heb van mijn lijden en sterven en opstanding? Maria, — zoekt ge Mij in het graf? Beweent ge Mij als een doode?

Met dat woord Maria brengt Hij haar tot zichzelve. Zijne schapen hooren zijn stem. Die stem doet al de snaren van haar ziel trillen en met een uit de ziel opwellend Rabbonni werpt zij zich neder aan zijn voeten.

Maria kwam met een mandje vol kostbare specerijen om daarmee haar Heiland te zalven. Maar nu is er voor haar geen Jezus, dien zij heeft te zalven. Jezus is daar juist om haar te zalven en vreugdeolie te geven voor treurigheid. Daar is geen Jezus, dien zij moet helpen tot in het graf, maar een Jezus, door wien zij geholpen wordt. Naar haar mandje specerijen ziet ze niet meer om. Zoo glipt ons alles uit de handen, zelfs onze rijkste bevindingen en schoonste werken, als de Heere zichzelf in zijn gepastheid, dierbaarheid en voortreffelijkheid als den grooten Zaligmaker van zondaren openbaart.

Onze tekst zegt: Maria stond buiten bij het graf en weende.

De Heere heeft den mensch geplaatst in den heerlijken hof van Eden. Uit dat Paradijs is de mensch om den wille der zonde verdreven. De aarde werd door de zonde één groot kerkhof. Maria liep alle paden van het kerkhof bij Jeruzalem af en stond bij het graf en weende, totdat de Heiland door Maria bij haren naam te noemen en zichzelf haar te openbaren dat kerkhof met al zijn verschrikking voor haar maakte tot een Paradijs.

Als Jezus er maar is, dan is het Paschen voor het hart ook zelfs tusschen de grafsteenen; niet alleen in dagen van vrede, doch ook in oorlogstijd. Hem te kennen en de kracht zijner opstanding is het leven temidden van den dood. Jozefs hof was nu niet langer een akelig kerkhof en een plaats deiverschrikking. maar een Paradijs, haar door Jezus ontsloten.

Jezus, weggenomen uit hart en huis. laat niets over dan een woeste woonstede. We zien dat in onze samenleving. Wat wordt het leven zonder Hem? Al loopt ge al de paden af van den grooten doodenakker deiwereld en die van eigen hart om wat beters te zoeken, ge vindt het niet, ook niet in het verre Toradja-iand. Doch, wanneer de Heere zich kennen Iaat door zich te openbaren door zijn Woord en Geest, dan wordt de groote doodenakker van het oude en moderne heidendom tot een gaarde, waar de knieën zich buigen, zoodat ook de Kaffer en de Tyriër, ook de Toradja, zich werpen aan de voeten van Hem, die het ook u vraagt: ..Wat weent gij, wien zoekt gij? " ook u die zich nog beschaamd afkeert, doch in wiens hart het klagen blijft: Zij hebben mijnen Heere weggenomen .

Vreugdeolie voor tranen. Hoe meer tranen over het gemis van Hem. hoe meer olie in de kruik om straks daarmee den Bruigom tegemoet te gaan met allen, die Hij zich Gode gekocht heeft met zijn bloed en die op duizend verschillende tonen ook in de Toradjataal zullen doen weerklinken den Paaschjubel van de weenende Maria bij het graf: ..Rabbonni!"

Den H-ag, April 1941.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1941

Alle Volken | 12 Pagina's

BIJ HET GRAF.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1941

Alle Volken | 12 Pagina's

PDF Bekijken