Bekijk het origineel

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

13 minuten leestijd

XVIII. De geschiedenis der S.G.P.

Voor Studie en Leidraad

Het was dan dr Colijn gelukt in de zomer van 1939 in betrekkelijk korte tijd een ministerie van hoogst bekwame mannen samen te stellen. Op 25 Juli verscheen dit kabinet — het v, ras het vijfde kabinet van dr Colijn — in de Tweede Kamer, Bij die gelegenheid legde de minister-president een regeringsverklaring af. Deze was kort en bondig. Van onmiddellijk belang — zo werd daarin verklaard — voor het regeringsbeleid zijn de navolgende vier onderwerpen: Ie, het finantiëel beleid van het Rijk en

2e, de daarmede samenhangende sanering van de gemeente-financiSn en herstel van de gemeentelijke zelfstandigheid in zeer vele gevallen; 3e. bestrijding der werkloosheid; 4e. versterking der maritieme defensie van Nederlands-Indië, Bovendien werd in die korte verklaring nog gezegd:

„Naast deze vier centrale vraagstukken, het regeringsbeleid rakend, zal het kabinet de mogelijkheid van de uitbreiding van de zorg voor de ouden van dagen in overw^eging nemen, terwijl het mede onmiddellijke aandacht zal schenken aan een partiële verbetering van de leerlingcnschaal, c.q. verbetering van de regeling voor de kwekelingen met acte''. Aan het slot van de verklaring deed dr Colijn een beroep op 'de medewerking der Staten-Generaal ten einde de in het kort geschetste arbeid te volvoeren.

Het zou echter spoedig blijken, dat dit beroep tevergeefs gedaan was geworden.

Over de regeringsverklaring werd door de tegenstanders van het kabinet betrekkelijk weinig gesproken. De oude koeien werden in het debat., dat naar aanleiding van de afgelegde verklaring op 26 en 27 Juli 1939 .gehouden' werd, weder uit de sloot gehaald. De teigenslellingen in het vierde kabinet dr Colijn werden nogmaals gerepeteerd. Daarbij werd ten tonele gevoerd, dat de ontstemming in de r.k. kringen over het vierde kabinet van dr Colijn in 1938 reeds zo groot was, dat de heer Deckers in de r.k. partijraad de Regering moest toeroepen , , Begin" en dat de voorzitter van de R.K.Staatspartij, de heer Verschuur, een deel der ministers , , de remmers" noemde, die met „maren en bezwaren" de strijJ tegen de werkloosheid belemmerden. Doch daar lieten de tegenstanders het niet bij in hun bestrijding'van het vijfde kabinet dr Colijn. Dat kabinet mocht geen gelegenheid gegeven worden om aan het volk te tonen, wat het zou kunnen presteren. Het moest direct weg. Onverwijld moest het de genade-slag wor> den toegebracht. Om dat te doen stond de stok voor het grijpen. Mr Deckers, die op even tevoren genoemde dagen namens de r.k. Kamerfractie bij het debat in de Kamer het woord voerde, wist zich daar zeer handig van te bedienen. Hij sprak bij die gelegenheid o.m, het navolgende:

, , Mijnheer de Voorzitter! Het spreekt vanzelf, dat de formateur volkomen vrij is in het ontwerpen van een program en in het zoeken van medewerkers, die dit program met hem wensen uit te voeren. Maar de formateur, die het parlementaire stelsel wenst te eerbiedigen, zal bij het samenstellen van het program en de keuze van de ministers rekening houden met de staatkundige samenstelling van de Kamer.

Dit beginsel staat dus na 1868 wel vast, zegt Kranenburg, geen ministerie in strijd met de staatkundige strevingen der Kamermeerderheid Mijnheer de Voorzitter! Ik acht deze beginselomschrijving juist en volkomen duidelijk.

De formateur, die dit beginsel niet eerbiedigt, toont gebrek aan eerbied voor onze ^staatkundige verhoudingen, gelijk die in Nederland historisch zijn gegroeid, gebrek aan eerbied voor het parlementaire stelsel".

Mr Deckers besloot zijn rede met dz volgende woorden;

„Mijnheer de Voorzitter! Met belangstelling wachten wij de verklaringen af, die de heer Voorzitter van de Raad van ministers omtrent de samenstelling van zijn kabinet zal geven. Veel wat ons duister is en onverenigbaar lijkt met het verlangen om de staatkundige instellingen te eerbiedigen, zal moeten worden opgehelderd, wil het ons mogelijk zijn onze medewerking aan het kabinet te verlenen".

Het stond wel van te voren vast, dat wat dr Colijn in zijn beantwoording van de sprekers ook over de samenstelling van zijn kabinet te berde mocht brengen, dit mr Deckers en de zijnen niet van hun voornemen om het kabinet direct te laten vallen af zou brengen. Het vonnis was getekend, onherroepelijk getekend. Het zou op de tweede dag, op 27 Juli 1939, ook beslist ten uitvoer gebracht worden. En het werd op die dag ook prompt ten uitvoer gebracht.

Mr Deckers motiveerde het vonnis ten slotte met de navolgende bewoordingen;

„Onze bezwaren, het wordt door mij zeer betreurd, zijn door het zoeven door de heer Voorzitter van de Raad van ministers gehouden betoog niet weggenomen. Onder deze omstandigheden achten wij niet de factoren aanwezig, die onontbeerlijk zijn voor de in 's lands belang nodige samenwerking tussen het kabinet en de Kamer en daarom zie ik mij genoodzaakt in te dienen een motie, welke ik hierbij de eer heb, Mijnheer de Voorzitter, op uw bureau te deponeren".

Deze motie, welke het doodsvonnis voor het vijfde kabinet van dr Colijn inhield, luidde:

, , De Kamer, overwegende, dat de kabinetsformatie niet heeft geleid tot het optreden van een kabinet, da< de nodige waarborgen biedt voor een deugdelijke behartiging van 's lands belang in overleg met de Staten-Generaal, keurt het optreden van dit kabinet af en gaat over lot de orde van de dag".

Ds, Kersten, die bij deze gelegenheid namens de S.G.P. Kamerfractie het woord voerde, merkte mede naar aanleiding van de ingediende motie onder andere op:

, , Ik heb nadrukkelijk verklaard, dat wij verheugd zijn over het feit, dat de sterke invloed van Rome gebroken werd. Die blijdschap was gematigd, omdat ik mij de vraag stelde, hoelang dit duren zou. Die vraag heb ik niet ten onrechte gestald. Boven dien heb ik mijn bezwaren geuit tegen het feit, dat de meeste leden van het nieuwe kabinet tot de vrijzinnige richting behoren, waarom ik vreesde, dat handhaving der beginselen, die ik heb voorgestaan, niet al te zeer te verwachten is, maar ik heb betoogd, te willen oordelen naar de daden van de Regering,

Ik heb nadrukkelijk gezegd, dat ik die daden zou toetsen aan Gods Woord, en dat ik, zodra die daden van Gods Woord afweken, de regering zou moeten bestrijden. De heer Albarda beproeve nu met zijn vrienden het eens te worden met Rome om ons dan verder aan de macht van Rome over te leveren.

Ik wil een enkel woord spreken over de motie. Een motie had ik verwacht en toch, eerlijk gezegd, ik had nog gehoopt, dat Rome de bescheidenheid zou bezitten, van het uitlokken van een uitspraak, als thans gevraagd wordt, af te zien. Ik heb die bescheidenheid van Rome verwacht, niet alleen ten opzichte van het besluit van Hare Majesteit de Koningin, maar ook met het oog op de vriendschapsbanden met de Christelijk-Historische en Anti-revolutionnaire partijen, met wie Rome gedurende zovele jaren, zegge bijna een halve eeuw, een coalitie of een soort van coalitie heeft gevormd. Het is echter duidelijk, dat Rome niemand en niets ontziet, als het meent, dat zijn belang dit eist en als het zijn macht kan laten gelden. Dat is nu het loon voor de bondgenoten en hun trouw nalopen van Rome, Nog hedeimiiddag hebben de heer Schouten en de Minister-president dr Colijn Rome de hand boven het hoofd gehouden. Nu is het hun loon, dat, indien de r, k, fractie van deze Kamer haar zin krijgt, dit Ministerie valt, hoe moet ik het nu voorzichtig zeggen: weggetrapt wordt, naar huis gestuurd wordt op geheel onwaardige wijze. Dit bewijst alleen de bittere haat, die hen vervullen moet, die deze motie hebben ingediend.

Nooit heeft de coalitie een deugdelijke grondslag voor de regering van ons land gevormd. Ik wilde, dat de ogen open gingen van degenen, die nog niets anders doen dan ons volk verblinden en die altijd maar weer dat samengaan met Rome zoeken te verdedigen. Geen Christelijke regering kan in bondgenootschap met Rome worden gevormd en de ware Christelijke beginselen hebben door dat bondgenootschap de grootste schade geleden, Rome w^erpt thans op de Protestanten, die het steeds steunden, een grote smaad en doet door het voorstellen van die motie aan het Ministerie, dat zo pas gevormd is, een diepe vernedering aan. Ik zal mij over de loop van zaken verheugen, als dit de vrucht mag zijn, dat de ogen van ons volk geopend worden voor het zeer grote gevaar, dat ons land dreigt, namelijk het gevaar, dat van Rome dreigt.

De motie is mijns inziens niet te rechtvaardigen. De motie is ingediend, vóórdat het Ministerie enige daad verricht heeft. Zij is ten hoogste onbillijk. Ik zie, dat deze motie aangenomen zal worden. Als zij aangenomen wordt, zal dan de Regering daaruit de consequentie trekken die men hoopt, dat daiaruit getrokken zal worden?

Ik ben van de noodzakelijkheid van zulk een consequentie niet overtuigd. De Regering kan mijns inziens de motie naast zich neerleggen. De Regering kan zich op het standpunt stellen: wacht maar mijn daden af. De samenstelling van het kabinet is langs wettige, ordelijke weg geschied en een afkeuring, als is gelegen in de motie, behoeft dan ook het kabinet niet te schaden. Ik zou bet parlementair onverantwoordelijk vinden, indien de Regering een andere gevolgtrekking zou aanvaarden ook dan wanneer de motie werd aangenomen. Heeft men dan, als eenmaal de wetsvoorstellen van dit Ministerie de Kamer bereiken, de moed om zich tegen te stellen, welnu dan kan. de Regering uit de stemmingen, die over ontwerpen, over de daden van de Regering zullen plaats hebben, verder beoordelen wat haar te doen staat. Maar ik herhaal; De Regering behoeft niet zo kieskeurig te zijn. Wat hier voorgevallen is met minister Goseling met berekking tot het beleid inzake de marechaussee te Oss, is zo vergaand geweest, dat het voor ieder weldenkend mens een raadsel moet zijn, hoe die minister zich zelf nog durfde handhaven. Evenwel het is geschied, In deze Kamer zijn van de voornaamste woordvoerders geweest, die hebben gezegd en hebben aangedrongen: die minister behoeft uit het aannemen van het voorstel van de door de Kamer benoemde commissie niet de gevolgtrekking te maken, dat hi' moet heengaan. Met veel meer recht zeg ik op dit ogenblik, dat dit Ministerie niet de gevolgtrekking behoeft te maken van heen te gaan, nu een motie staat aangenomen te worden, die geenszins inhoudt een oordeel over het beleid, dat deze Regering nog moet beginnen te voeren.

Mijnheer de Voorzitter! Ik zal natuurlijk tegen de motie stemmen en ik hoop alsnog, dat velen in de Kamer met mij die motie zullen trachten te verwerpen"

De motie van mr Deckers werd — het behoeft nauwelijks vermeld — aangenomen. Benevens de r.k. Ka-B merleden stemden die van de S.D.A.P, en de Vrijzinnig-Democraii. sche Bond er voor; al de andere Kamerleden, waaronder Ds Kersten CD Ds Zandt stemden er tegen. De stemmenverhouding was 55 voor en 27 tegen.

Mr Deckers had zich als kampioen voor de rechten en goede zeden van het Parlement opgeworpen. Met dal hij dit deed, vergreep hij zich aan de goede zeden van het Parlement. Wal hij deed, liep toch lijnrecht in tegen de parlementaire zeden en gebruiken. Het is en blijft ongehoord een Kabinet, dat nog geen enkel wetsvoorstel had ingediend en nog geen S enkele daad verricht had, direct B maar bij zijn verschijning in de Ka-B mer de bons te geven. Dat had eens aan een r, k. kabinet aangedaan moe-g ten worden, dan had men van deB r.k, zijde eens wat kunnen horen! g Dan zou het geroep over anli-papisB me niet van de lucht geweest zijaH Maar Rome staat nergens voor, alsj het maar aan de macht kan komeiiB en zijn doeleinden maar najagen kan, B Dan heiligt het doel maar al te ge-B makkelijk de middelen, m

Mr Deckers had vlak voor het indienen van zijn motie gezegd, „het| wordt door mij zeer betreurd". Dim droefenis is waarlijk niet groot ge-B weest. De heer Deckers is daar gemakkelijk overheen gekomen. Ook kan men niet aannemen, dat die woorden uit het hart van genoemde heer zijn voortgekomen en dat zij in overeenstemming met de volledige waarheid waren. In het r.k. kamp was men ide coali(|ie toch met de A.R. en C, H, al sinds enige jaren moe, Hoe vele uitingen van de r.k. pers zouden er uit die jaren niet bij te brengen zijn, die er een klaai ge-^uigenis van aflegden, dat Rome de cude coalitie meer dan zat was. Als aftandse paarden, die hun diensten gedaan hadden, zo zijn de A.R-^a de C.H. letterlijk weggejaagd. Al ^i A.R. en C.H, hebben zich dat moeten laten welgevallen. Maar in het bijzonder is de gedragswijze der r.k. tegenover dr Colijn, die als minister-president in zo menig coalitiekabinet hun zo trouw gediend h^^i zeer grievend geweest, Hoe smadelijk is hij door de r, k, weggejaagal Op welk een vernederende wijze is er door hen aan diens vijfde kabinet een einde gemaakt! Het was nauwelijks opgetreden of het moest ook al weder aftreden.

Wat de houding van de S.G.P, tegenover het vijfde kabinet van dr Colijn betreft — deze is door de woor den van Ds Kersten, welke wij hi®'" boven hebben aangehaald, juist Éf fcarakteriseerd. Het was geen kabinet naar de begeerte huns harteüj Allerminst! Toch verkozen zij b» nog boven een coalitie-kabine'i waarin Rome de boventoon voerde en door wiens toedoen ons land hoe langer hoe vaster in de greep van Rome geraakte. Een zakenkabinet, zoals het vijMe kabinet van dr Colijn feitelijk was, heeft boven een coalitie-kabinet nog althans dit voordeel, dat het gemeenlijk meer en beter 's lands belangen behartigt dan een coalitie-kabinet, waarbij de partijbelangen nummer één zijn en loutere partijbelangen maar al te zeer met 's lands belangen vereenzelvigd worden. De rechtse coalitie-kabinetten, waaronder zelfs geen enkele Christelijke wet in al de jaren van hun bestaan tot stand is gebracht leveren ons daarvan een afdoend bewijs. Rome is er wel bij gevaren en door hen in ons land geweldig vooruit gekomen. ,

Daarom sprak Ds Kersten er terecht zijn blijdschap over uit, dat het met de coalitie op een einde was gelopen, al was hij ook met vreze en huivering voor het vijfde kabinet van dr Colijn, onder andere vanwege de vele liberalen, die het onder zijn leden telde, vervuld. Tussen twee haakjes zij het opgemerkt, het was wel een snelle afloop der wateren, als wij dr Colijn zo in zijn laatste kabinet omringd, door zovele liberale medestanders zagen optreden.

Hoe toch zijn de liberalen eertijds door mr Groen van Prinsierer en ook door dr Kuyper bestreden! Hoe hun beginselen terecht scherp als van onchristelijken huize door hen van de hand gewezen!

Nochtans had de Kamerfractie der S, G.P, het bij het rechte einde, als bij monde van Ds Kersten in de Kamer verklaard werd, dat zij eerst de daden en wetsvoorstellen van dr Colijns vijfde kabinet wilde afwachten en deze aan Gods Woord wilde toetsen. Want wat de r.k, in verbond met de socialisten en de vrijzinnigdemocraten dat kabinet hebben aangedaan, dat was ongehoord, dat druiste beslis^' regelrecht tegen de goede parlementaire zeden en gebruiken in. Zo mag men goed en wel beschouwd geen enkel kabinet behandelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947

De Banier | 8 Pagina's

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken