Bekijk het origineel

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

13 minuten leestijd

Voor Stndie en Leidraad

Hcuir Naam. X.

En thans in dit artikel dan ten slotte gehandeld over de consciëntie in het algemeen en over die.van de overheidspersonen ten aanzien van de uitoefening van hun ambt meer in het bijzonder.

Dienaangaande wensen wij allereerst op te merken, dat Gods heilig Woord in tegenstelling met artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program leert, dat de consciëntie van alle mensen, derhalve ook die van overheidspersonen, aan Gods ordinantiën gebonden is en nergens er ook maar enige wet aangeeft als zouden de ordinantiën in de consciëntie der overheidspersonen gebonden zijn.

Gelijk toch naar eis van Gods getuigenis het verstand, het hart, de wil en wandel van een iegelijk mens zich onvoorwaardelijk naar Gods Woord en Wet hebben te richten, daaraan onderworpen dienen te zijn en daaraan volstrekte gehoorzaamheid ver-.ichuldigd zijn, zo ook de consciëntie.

Zelfs de godvruchtigste koningen werden van Godswege niet toegelaten, dat zij in hun ambtelijk of persoonlijk leven zich ten aanzien van Gods ordinantiën naar het gevoelen van hun consciëntie zouden gedragen, maar de Heere stelde ook hen wal ter dege ten eis, dat zij Gods inzettingen zouden betrachten. Gelijk de heilige Schriftuur ons vermeldt, zowel met betrekking tot de man naar Gods hart, koning David, alsook tot de godzalige koning Hiskia, dat, als zij Gods ordinantiën overtraden en in openbare zonden vervielen, mede ter waarschuwing van alle magistraatspersonen door God, de Heere, ernstig bestraft en met zware beproevingen zijn bezocht geworden. En wanneer de Heere ten opzichte van Godvruchtige koningen geen afwijking van Zijne inzettingen gedoogde, hoe zou Hij dan wel aan al de andere overheidspersonen hebben willen toestaan, dat zij zulks deden. Ifoe is het ter wereld te verstaan, dat hun een vrijbrief door de Heere uitgereikt zou zijn of worden om Gods ordinantiën in hunne gewetens te binden? Met welke schriftuurplaats kan dit aangetoond worden? Ons is er geen enkele bekend, waarin ten aanzien van overheidspersonen dit geleerd wordt. Bovendien, zijn de overheidspersonen niet met alle hunne medemensen in Adam gevallen? Is hun verstand niet verduisterd, hun hart niet verhard, hun wil niet verdorven? Behoeft hunne consciëntie niet van dode werken gereinigd te worden?

Wie zulks zou willen beweren, loopt met zijn lering vierkant tegen die van Gods getuigenis in. Daarover bestaat onder mensen van Gereformeerde professie geen verschil. Dat staat boven alle bedenking vast. En waar dit vaststaat, hoe kan men dan de ordinantiën Gods in de consciëntie van de overheidspersonen gebonden willen hebben? Men bedenke hierbij toch, dat de Heilige Schrift benevens van een goede consciëntie en een reine consciëntie evenzeer spreekt van een consciëntie des afgods en op een andere plaats van een kwade consciëntie, alsook op weer een andere plaats van een consciëntie, welke van dode werken gereinigd is en weder elders van een consciëntie, welke als met een brandijzer toegeschroeid is, waar het zegt: doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen, door geveinsdheid der leugensprekers hebbende hun' eigen consciëntie als met een brandijzer toegeschroeid".

Met deze laatste uitspraak der Heilige Schrift voor < Dgen, vragen wij wat er van de naleving van Gods ordinantiën terecht moet komen indien het overheidspersonen betreft, wier consciëntie als met een brandijzer is toegeschroeid? Op welk een vreselijke verkrachting van Gods ordinantiën moet het uitlopen, als men die ordinantiën in de consciëntie van die overheidspersonen gebonden wil hebben, die een kwade consciëntie of een .consciëntie, welke van dode werken gereinigd moet worden, hebben. Heeft de Profeet het aan de consciëntie van koning Achab overgelaten om naar zijn consciëntie Gods ordinantiën te hanteren? Heeft enig ander profeet zulks gedaan tegenover andere koningen van Israël of Juda? Het is er zo verre vandaan, dat zij juist het tegendeel gedaan hebben door aan Israels koningen Gods Woord en Wet zonder enig beding als eis te stellen, welke zij bij het besturen hunner onderdanen hadden te betrachten. Men herinnere zich slechts, hoe de profeet Jesaja tot Israels koningen en volk gesproken heeft: „Tot de wet en tot het getuigenis; zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad hebben" en hoe de profeet Jeremia overheid en onderdanen heeft voorgehouden: „o land, land, land, hoort des Heeren Woord."

Wat vragen wij voorts, staat er vande betrachting van Gods ordinantiën te wachten, indien die ordinantiën in de consciëntie van godloocher naars gebonden zijn, als deze een overheidsambt bekleden? Hoe de communistische overheidspersonen in dezen handelen, kunnen wij in landen, waarin zij heden ten dage de macht in handen hebben, overtuigend genoeg waarnemen! Het is daarmede op de ergste vervolgingen en verdrukkingen uitgelopen. En dit s b i v p v b a i g s s r zal in ernstiger en heviger mate voortgaan naarmate de communisten aan macht in Europa en daarbuiten winnen. Deze hunne vreselijke practijken leveren reeds een afdoend bewijs tot welk gruwelijk wanbeleid het kan en moet leiden als men voor de consciëntie der overheidspersonen zulk een uitzonderingspositie schept, als artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program dit doet.

Maar, merkt iemand op, hier wordt dan ook wel het ergste geval gesteld, waar het overheidspersonen betreft, die volslagen godloochenaars zijn. Als men dit denkt, vergist men zich ter dege. Men behoeft toch geen vol strekte godloochenaar te zijn om ook als overheidspersoon de meest schrikkelijke wanbedrijven tegen Gods kerk en wezenlijk godvruchtige lieden te begaan. Hier biedt de historie ons weder leerzame lessen, Men overdenke slechts wat Rome en rooms-katholieke overheidspersonen in de loop der eeuwen jegens hen misdreven hebben. Die laatst genoemde overheidspersonen hebben het zeer wel voor hun consciëntie bestaanbaar geacht, dat zij door middel van de inquisitie tal van godvrezende lieden als dusgenaamde ketters verbrandden, verdronken of onthoofden. Dit deden geen openbar-godloochenaars, maar het in onze dagen door vele Protestanten zo genoemde Christelijke Rome.

Dit deden vele R.K. overheidspersonen in zijn naam en op zijn gezag. En dat deden zij met een geruste consciëntie. Zij hebben zulks naar eer en geweten gedaan. Men roepe zich slechts in zijn herinnering terug hoe er bij een vorst als Philips de Tweede gedurig door onze voorouders op aangedrongen is, dat hij de inquisitie geheel zou afschaffen, Echter maar tevergeefs. Zelfs van de betrachting van enige matigin^ei daarvan wilde hij niets weten, bewerende, dat hij liever in het geheel niet regeerde dan over ketters. Dus-P genaamde ketters ten bloedens toe te d vervolgen, hen tot vrouwen en kin-' deren toe om te brengen, hen tot de laatste met de meest vreselijke straffen uit te roeien, dat achtte deze Philips als koning volgens eer en ge­ D weten zijn hem van God opgelegde R roeping. En daarin stond hij als w rooms-katholiek vorst niet alleen. i Hoe menigwerf hebben er toch in v Spanje zogenaamde auto-da-fe's V (plechtige, openbare ketterterecht-m r stellingen plaats gehad, waarbij de koning en met hem 't koninklijk hof ^ egenwoordig waren om er een onge-m luister aan bij te zetten. Deze « mene t fschuwwekkende moordpartijen op ans onschuldigen vonden plaats ^s zo heette het — ad majorem glo riam Dei (tot meerdere ere Gods). D et waren uitgezochte f eestpartij en, w aarbij in Spanje ruim 38.000 men­ h sen levend verbrand werden.

Mogelijk voert een lezer ons tegen: „dit dateert uit vroegere eeuwen. Thans heeft men zoiets schrikkelijks niet meer te duchten." Hoe kan men zoiets met goede grond beweren, dewijl de feiten ons toch het tegendeel leren. De R.K. professor Brom schrijft zeer naar waarheid in zijn boek „Katholiek" dat inquisitie en index noodzakelijke bestanddelen van het Katholicisme zijn. En in een pamflet dat de R.K. studenten het vorige jaar te Madrid verspreid hebben staat te lezen: „Wij Spaanse cademici van 1947 beschouwen ons n de ware zin des woords als de erfenamen van de geest van de inquisitie" en: „wij verkiezen de brandtapels der inquisitie boven de libe-o ale tolerantie."

Doch weder zou men ons kunnen tegenvoeren, dat wij ons slechts op particuliere gevoelens van min of meer vooraanstaande R.K. personen beroepen. Welnu, opdat dit niet met enige grond gezegd zal kunnen worden, gaan wij ons op Pauselijke uitspraken van de laatste tijd beroepen. Paus Pius IX heeft in zijn Encycliek met Sykhabus van 1864 alle staatkundige en burgerlijke vrijheden. vrijheid van drukpers, vrijheid van eredienst, het burgerlijk huwelijk, de gelijkstelling van alle kerken voor de wet veroordeeld en daarin uitgesproken dat het de plicht van de overheid was alle overtreders van de katholieke godsdienst te straffen. Paus Pius X heeft niet nagelaten in zijn Boromeas-Encycliek alle Hervormers als oproerige en goddeloze mannen, vijanden van het kruis van Christus, wier God hun buik is, te brandmerken.

Wie dergelijke Pauselijke decreten, welke^ met vele^ soortgelijke te yer meerderen zouden zijn, aandachtig leest, behoeft er niet aan te twijfelen wat naar opvatting van het hoofd van de kerk van Rome de plichten der overheidspersonen zijn en evenmin daaraan te twijfelen, dat de R K. overheidspersonen, indien zij daartoe bij machte zijn, deze plichten inzake de religie in hun ambtsbediening zullen uitvoeren.

Dit leert ons, waartoe het al kan komen, indien men naar opvatting van artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program de ordinantiën Gods i» ^^ ï^"^"^"; ^'^ van overheidsper-^onen bmdt. Daarmede worden die ordmantien met alleen geheel krach-^floos gemaakt, maar ook geeft men daarmede de overheidspersonen een vrijbrief om allerlei misdrijven te bedrijven, zelfs het zwaard m de hand ««i "^ar eer en geweten Gods heilif^" ^ler op aarde op het gruwelijkst e.yervolgen en te doden.

Wij zouden, om zulks nader te bevestigen, ons ook nog kunnen beroe-P^n op de schanddaden welke de Wederdopers ten tijde dat zij de macht '"^ ^l'^^^^ '"„^^"*^^n ^^'^^^^' ^^^f^" ^en hebben Wij zullen zulks echter "i^* doen. Wie daar meer van wil ^^ten, leze maar eens het werk van Dr. Karl Hase Neue Propheten „Das Reich der Wiedertaufer". Slechts dit willen wij er over zeggen, dat ook in Munster de Wederdopers zich boven Gods Woord geplaatst' hebben. Velen hunner spraken met de diepste minachting over Gods Woord, bewerende, dat Bibel en Babel woorden , , , i^, . ^ ^^^ ^en en dezelfde zm waren. Gemeenlijk erkenden de Dopersen dan «ok slechts in zoverre enige autoriteit aan Gods Woord en ordinantiën als deze met hunne inzichten strookten.

Daarom behoeft het niemand te verwonderen, dat de Doperse overeidspersonen tijdens hun schrikbeind te Munster met miskenning an de duidelijkste uitspraken van Gods Woord en van zeer kennelijke rdinantiën Gods naar de inzichten an hun verdorven verstand gereeerd hebben en dit bij hun vergaande geestesdrijver ij zeer snel voor unne consciëntie meenden te kunen verantwoorden, ook zelfs als zij e ergste misdrijven bedreven. Doch enoeg hierover.

De historie leert ons, dat het tot een lgehele verloochening van Gods orinantiën en vaak zelfs tot infame ruweldaden leidt, indien men met e revolutionnairen bij het besturen er onderdanen Gods ordinantiën an de rede der mensen of met de opersen aan diens innerlijk licht f met Rome aan het gezag der kerk n dat der traditiën bindt. En hetd P r d k e o r z b zelfde staat ook gewis en zeker te geschieden als artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program ooit in de practijk tot uitvoering wordt gebracht. Ook alsdan toch worden in feite Gods ordinantiën onderworpen aan het oordeel van de consciëntie der overheidspersonen. En is alzo de weg ontsloten tot het plegen van allerlei onrecht, ja, tot het bedrijven van gruweldaden en alsdan is het boven alle twijfel verheven, dat Gods ordinantiën er niet het loodje bij zullen moeten leggen.

Het is daarom, dan ook dat artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program van de hand gewezen moet worden door elk, die Gods ordinantiën niet aan enig menselijk gezag, wat dan ook, onderworpen wil zien, en met de gereformeerde vaderen van oordeel is, , dat Gods ordinantiën onverkort en onverzwakt tot richtsnoer en regel, zowel voor overheid als onderdaan, dienen te gelden eii beide daaraan een volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

In een kort bestek de inhoud onzer artikelen samenvattend, welke wij over de naam „Staatkundig-Gereformeerd" schreven, brengen wij in herinnering, dat wij in onze eerste artikelen met klaar bewijs gestaafd betoogd hebben, dat men bij de benaming Anti-revolutionnair of Christelijk Historisch altijd nog tal van vragen overhoudt, dewijl daaronder zoveel zelfs tegenstrijdige zaken hfgrepen kunnen worden, doch dat '), j> J met de naam Staatkundig Gereformeerd niet het geval is, dewijl' daarmee omlijnd is bepaald, wat er onder te verstaan valt. Vervolgens hebben wij daarin uiteengezet, dat reeds de naam „Staatkundig-CJereformeerd" genoegzaam aanduidt dat de S.G.P. op staatkundig terrein — niet, zoalt. haar meermalen geheel ten onrechte ten laste is gelegd — de oude Doperse opvatting hujdigt welke stelt, dat de staatkunde en hare beoefening als een geheel wereldse aangelegenheid niet alleen de Christen onwaardig, maar zelfs verboden zijn, maar dat zij met de oude Christelijke kerk en ook overeenkomstig de leer en de practijk der Reformatie van gevoelen is, dat naar luid van Gods heilig Woord op een iege-_ lijk mens, overheidspersoon en orf^ derdaan, te dien aanzien een dur# verplichting rust. De Overheidspersonen daarbij verplicht stellende om hunne onderdanen naar de eis van Gods Woord en Wet te regeren en de onderdanen gebonden achtende om hunne overheid te gehoorzamen en door gebed en andere middelen er naar te streven om een overheid te verkrijgen, wellce zich geroepen acht om het volk naar Gods ordinantiën te regeren. Voorts hebben wij nadrukkelijk vastgesteld, dat de S.G.P. allerminst een kerkelijke partij is, maar een interkerkelijke, welke gaarne elk onder hare leden ziet opgenomen, om het even van welke kerkelijke formatie hij ook lid moge zijn, die met haar het ongewijzigde artikel 36 der aloude Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt en voorstaat. Verder hebben wij beschreven, dat wij ons moeten verzetten tegen de uitdrukking „de eeuwige beginselen van Gods Woord", zoals deze in artikel drie van het Anti-revolutionnaire Program voorkomt, omdat deze zo rekkelijk van aard en strekking is, dat er welhaast alles onder verstaan kan worden en de deur ontsluit tot een ontzettend misbruik, zoals wij ook met voorbeelden aan de historie ontleend, bewezen hebben, dat zulks metterdaad geschied is. Daarbij bovendien nog als een ernstig bezwaar te berde brengende, dat Gods Woord zelf niet spreekt in rekkelijke zin van eeuwige beginselen, maar ten dezen altijd even nauwkeurig en precies zich bij ons aandient met de woorden: Gods Woord, Wet, Getuigenis, inzettingen en rechten. Ook hebben wij onze ernstige bezwaren naar voren gebracht nopens de woorden „noch rechtstreeks, noch door de uitspraak van enige kerk", welke men ook in artikel drie van het Antirevolutionnaire Program geschreven vindt. Wij hebben ten dien opzichte nadrukkelijk gewezen op het grote verschil dat zich in deze tussen de A.R.P. en de S.G.P. openbaart. De eerste wil dat staatsgezag noch rechtstreeks noch aan de uitspraak van enige kerk gebonden hebben, terwijl daarmede in flagrante strijd de S.G.P. dit rechtstreeks aan de uitspraken van Gods Woord en Wet_ onderworpen wil zien. En wat de uitspraak van enige kerk betreft, de A.R. Partij heeft haar Program gegrond op de neogereformeerde Kuyperiaanse opvattingen ter dezer zake, de S.G.P. daarentegen heeft haar program gericht naar de uitspraak van de kerk der Reformatie, zoals die in het ongewijzigde artikel 36 der aloude Nederlandse geloofsbelijdenis gegeven is en verklaart zich daarmede geheel accoord te gaan. Ten slotte hebben wij — zoals wij in den brede uiteengezet hebben — ons er allerminst mede kunnen verenigen dat het door ons gewraakte artikel bepaalt: „maar alleen in de consciëntie der overheidspersonen aan Gods ordinantiën gebonden zij".

Met dit artikel achten wij dan-onze bespreking over de naam „Staatkundig Gereformeerd" ten einde gebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1948

De Banier | 8 Pagina's

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1948

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken