Bekijk het origineel

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

15 minuten leestijd

Voor studie en leidraad

Het is verblijdend, zeer verblijdend zelfs, dat er reeds zo vele brochures bij de Administratie van De Banier besteld zijn. Veel meer zelfs dan het Hoofdbestuur had durven verwachten. Het heeft daarbij zijn stoutste verwachtingen verre overtroffen. Hoogst verblijdend voor de zaak zelf. Zo bestaat er dan het heugelijke feit, dat de beginselen der S.G.P., gegond als zij zijn op Gods onfeilbaar Woord en daarom ten volle waard, dat zij onder ons volk meer ingang vinden, in bredere kringen in den lande bekendheid verwerven. Niet minder verblijdend, omdat uit de talrijke bestellingen blijkt, dat er in de S.G.P. bij hare besturen, leden en vrienden nog een warme belangstelling en geen geringe liefde voor de beginselen onzer Gereformeerde vaderen bestaat en dat zij er geld en moeite voor over hebben om deze onder ons volk te verbreiden. Verblijdend ook al voor het Hoofdbestuur der S.G.P., dewijl het zijn arbeid door de vele bestellingen beloond mag zien. Aan degenen, die tot dusverre nog niet besteld hebben, zij bij deze medegedeeld, dat de brochures, die de redevoeringen, welke Ds. Zandt in de Tweede Kamer hield, de een bij de Algemene Beschouwingen over de Rijksbegroting voor 1950, de andere bij de behandeling van het voorstel van wet inzake de overdracht van de souvereiniteit van Indonesië, alsnog verkrijgbaar zijn bij de Administratie van De Banier. Postbus 2019, Utrecht. Zij zijn nagedrukt moeten worden, maar desondanks, hoewel de nadruk vermindering van onkosten met zich mede gebracht heeft, zijn zij nog verkrijgbaar, ook tegen de luttele prijs van slechts drie centen, hetgeen wel spotgoedkoop is, als men de vrij grote omvang der brochures in aarmierking neemt. Moge bovenal de Heere zijn zo onmisbare zegen op de verspreiding der brochures doen rusten'. r P s W a A

Haar Program. No. 39.

Artikel 36.

In ons eerste artikel rakende Art. 36 der aloude Nederl. Geloofsbelijdenis hebben wij met onwederlegbare bewijzen aangetoond, dat de practijk, welke nu reeds meer dan 25 jaren door de S.G.P. ten opzichte van dat artikel beoefend is, uitwijst, dat artikel 5 van het Program der S.G.P. gelezen, opgevat en verstaan moet worden naar de letter, zin en geest van artikel 36, zoals ons dat als een kostbaar erfstuk door onze gereformeerde Vaderen is nagelaten.

In ons tweede artikel ter dezer zake heben wij uiteengezet, dat die Vaderen artikel 36, dat een deel uitmaakte van de geloofsbelijdenis hunner kerk, gegrond op Gods Woord als het is, zulk een hoge waarde hebben toegekend, dat zij liever de schrikkelijkste vervolging verkozen hebben dan het te verloochenen of te wijzigen, ja, dat zij bereid waren om hun leven daarvoor op brandstapel en schavot te geven. G t d o v z i R d p g a

Dit behoeft niemand te bevreemden, want het was de Heere, Die hun die geloofsovertuiging geschonken had en dat geloof in hun harten gewrocht had. In dat geloof hadden zij het artikel geheel overeenkomstig den Woorde Gods te boek gesteld. In dat geloof hadden zij het openbaar gemaakt, niet vragende of de dag wel ooit zou aanbreken, dat het in enig rijk door enige overheid ten uitvoer gebracht zou worden. In dat geloof waren zij de zo ongelijke strijd voor de Waarheid tegen de machtigen der aarde begonnen; in dat geloof hadden zij hem, toen de brandstapels alhier allerwege tegen hen rookten en de schavotten van hun bloed dropen, voortgezet; in dat geloof mochten zij de zege wegdragen. Het onmogelijke had de Heere mogelijk gemaakt. Geen wonder, dat zich tegen dat artikel, dat zo onvoorwaardelijk voor de ere Gods op alle terrein des levens opkomt, en dat de algehele verdorvenheid van het menselijk geslacht zo onomwonden stelt, scherp verzet is gerezen.

Rome kon het niet dulden. Zij zag daarin het gezag van haar pausen en prelaten bedreigd en hare semi-Pelagiaanse leerstellingen op het scherpst aangetast.

De vrijgeesten verzetten zich er tegen, dewijl daarin aan de mens en diens gaven de ere en waardigheid werd ontzegd, welke zij, om het even in welke eeuw zij leven, er aan toegekend willen zien.

De Wederdopers waren er ook verbeten tegen, omdat zij hun leej tellingen er uitdrukkelijk in veroot eeld zagen.

ij deze bestrijders en bestrijdiii| eeft zich — het valt diep te betret en — ook de Anti-revolutionaii Partij gevoegd. Dit blijkt onweder sprekelyk uit haar Program, waar naar zij beoordeeld moet worden Wie haar anders wil beoordelen doet aan de waarheid te kort en 4 Anti-revolutionaire partij onrech aan.

Als wij nu het A.R. Beginselprogran naast het onverminkte artikel 3( leggen en beide in nadere beschou wing nemen, dan zal niemand hel kunnen tegenspreken, dat er tussei die twee een klove bestaat, welke nie te overbruggen is. Dan moet eer ieder onbevooroordeelde beoordelaar tot de erkenning komen, dat er in de. ze geen sprake is van een gradueel maar wel ter dege van een prind piëel verschil, dat het in deze niet gaat om betrekkelijk geringe geschil len, om wat meer of wat minder maar dat het hier verschillen betreft, die de wortel der zaak raken en met elkander niet te verzoenen zijn. Artikel vier van het Anti-revolutio. naire Program toch belijdt ten aan zien van de plicht van de Overheii inzake de handhaving van Gods Wel en die van de rechten der Waarheid, van de zuivere religie en de kerk van Christus gans iets anders dan he onverminkte artikel 36.

In een vorig artikel hebben wij het onverminkte artikel 36 afgedrukt, Nu drukken wij, opdat een ieder ziek nauwkeurig van beide artikelen o| de hoogte kan stellen, artikel 4 vai het Anti-revolutionaire Program af dat als volgt luidt:

„De Overheid, zoo leert ze, is als dienaresse Gods, in een Christelij ke en dus niet-godsdienstlooze natie, gehouden tot verheerlijkini van Gods Naam en behoort diensvolgens: a. uit bestuur en wetgeving alles te verwijderen, wat de vrije invloed van het Evangelie op ons volksleven belemmert; b, zich zelve, als daartoe in volstrekte zin onbevoegd, te onthouden van elke rechtstreekse bemoeiïng met de geestelijke ontwikkeling der natie; c. alle kerkgenootschappen of godsdienstige verenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hun denkwijze aangaande de eeuwige dingen zij, te behandelen op voet van gelijkheid; en d. in de consciëntie, voor zover die het vermoeden van achtbaarheid mist, een grens te erkennen voor haar macht."

De verschillen, welke er tussen het onverminkte artikel 36 en artikel ^ van het Anti-revolutionaire program bestaan, moeten bij een enigermate nauwkeurige beschouwing daarvan een ieder wel in het oog springen Artikel 36 bepaalt, dat de Overheid er op bedacht heeft te zijn, dat zij haar bestuur dusdanig inricht, dat God door een iegelijk harer onderdanen geëerd en gediend wordt, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt, terwijl heel het artikel vier van het Antirevolutionaire Program met geen syllabe rept van Gods Woord of Wet.

In deze stemt artikel 36 geheel overeen met Gods Woord, dat van een ieder in al zijn gedragingen eist, dat hij hetzij hij eet, hetzij hij drinkt, hetzij hij iets anders doet, dit alles ter ere Gods zal doen, doch artikel vier van het A.R. program laat met zijn verzwijging van Gods Woord en Wet die eis ten aanzien van de plicht van de Overheid ter aarde vallen. Zo doende handelt het A.R. program geheel naar de geest en zin van Dr. Kuypers woorden, welke deze in zijn uitlegging en nadere verklaring van dat program schreef, waar hij in een artikel van 3 Juni '78 schreef: „De Overheid wortelt rechtstreeks in het natuurlijke leven".

Artikel 36 houdt de Overheid ten dure plicht voor: „ook de hand te houden aan de heilige kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsche godsdienst om het rijk van den Antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt. Artikel 4 van het A.R. Program stelt in flagrante strijd daarmede, dat de Overheid zichzelve, als daartoe in volstrekte zin onbevoegd, te onthouden heeft van elke rechtstreekse bemoeiing met de geestelijke ontwikkeling der natie en alle kerkgenootschappen of godsdienstige verenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hun denkwijze aangaande de eeuwige dingen zij, op voet van gelijkheid heeft te behandelen. Ook in deze is het Anti-Program geheel conform de zienswijze van Dr. Kuyper, waar deze in een artikel van 13 Juni '78 schreef:

„Paragraaf 58c. Er zij gelijk recht op godsdienstig terrein voor allen. •Hoezeer ook met voorliefde voor het Evangelie bezield, mag de landsoverheid zich toch nimmer door die sympathie laten verleiden, om predikers, die het Evangelie bestrijden willen, te bannen of te binden. Wil een Jood tegen de Messias der Christenen opkomen, of een Mohammedaan tegen de Heilige Schrift, of een Darwinist tegen het denkbeeld van creatie, of een positivist tegen de wortel die voor alle heiligheid in het geloof ligt, dat moet hun vrijstaan. Maar ook de vereniging van geestverwanten voor zulk een doel moet vrijgelaten, zelfs of zulk een vereniging de naam van kerk of gemeente of genootschap aanneemt, moet de Staat om het even zijn. Ja, al wilde zich een kerk van atheïsten vestigen, men zou ze moeten laten begaan. Geen protectie, maar ook geen preventie of repressie. Men late groeien wat groeien wil en kan. Aan de Roomschen mag niets gegund, wat men aan de Gereformeerden onthouden zou, en evenmin mag aan de pauselijke geloovigen ooit een druk, overlast of verkorting van rechten worden aangedaan, die wij voor ons zelf niet zouden gedoogen. Zelfs indien Rome nog tienmaal sterker en grievender dan dusver ons tergde en hoonde, dan zou het ons nog voegen, stiptelijk kalm en koel van hoofd te blijven, en nooit een stroobreed af te wijken van ons beginsel, dat niet in-menging van de overheid tot richtsnoer stelt op het terrein van de geopenbaarde godsdienst".

Wie kan het ontkennen, dat Dr. Kuyper en het onder zijn invloed samengestelde artikel vier ingaan tegen wat het onverminkte artikel 36 belijdt? Dit valt door niemand te loochenen. Het staat onbetwistbaar vast. Het is door de Anti-revolutionairen zelf meermalen onomwonden toegegeven. Wij kunnen dit onder meer lezen met betrekking tot de 21 woorden, welke bij besluit van de Synode te Utrecht van de Gereformeerde Kerken in de jare 1905 uit artikel 36 geschrapt zijn in een geschriftje van mej. H. S. S. Kuyper, dochter van dr. A.Kuyper. In dit geschriftje, dat onder de titel „Waar het om gaat" het licht zag, wordt volledige instemming met de schrapping uit artikel 36 van de woorden: „om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen", betuigd.

Een getuigenis, dat te meer betekenis heeft, dewijl de voormalige leider van de Anti-revolutionair e Partij, dr. H. Colijn, in een voorwoord schreef, dat in dit geschriftje de lijnen zuiver getrokken zijn. Wij kunnen dit ook lezen in het Antirevolutionaire maandblad „Nederland en Oranje" jaargang 1925, bladzijde 107, waarin verklaard wordt: „Daarom hebben de Gereformeerde Kerken in 1905 dit stuk der belijdenis geschrapt en heeft de A.R.P. het reeds van 1878 verworpen". Wij zullen omtrent dat ingaan van de A.R. partij tegen wat artikel 36 belijdt, nog een getuige van Anti-revolutionaire huize oproepen. Het is niemand minder dan de huidige leider der A.R. partij, de heer Schouten, die dit in het even te voren genoemde maandblad „Nederland en Oranje" eerlijk en rondweg erkent. Wij treffen in dat maandblad jaargang 1927 immers een schema aan van een door de heer Schouten te behandelen onderwerp. Op bladzijde 115 lezen wij betreffende artikel 36:

„In dit artikel zooals het vastgesteld is door de Synode van 1618— 1619 komt onder meer voor: Ende haer ambt is, niet alleen acht te nemen ende te waken over de politie, maar oock de hant te houden aan den heilige Kerckedienst; om te weeren ende uit te roeyen alle afgoderije ende valschen Godsdienst, om het Rijcke des Antichrist te gronde te werpen, ende het Koninckrijke Jezu Christi te bevorderen, 't woort des Evangeliums overal te doen prediken, opdat Godt van een yegelijk ge-eert en gedient werde, gelijck hij in zijn woord gebiedt".

Daarop volgt de volmondige erkenning van de heer Schouten: „Tegen dit deel van Artikel 36 is de A.R. richting en de A.R. Partij van den aanvang af ingegaan". In dat ingaan tegen het door de A.R. Partij gewraakte gedeelte van artikel 36, juister gezegd in de bestrijding daarvan, is Dr. Kuyper zelfs zo ver gegaan, dat hij onze Gereformeerde voorouders ten laste heeft durven leggen, dat de hierbij betrokken zinsnede van artikel 36 „een iuonstruese stelling is, uit de roomsche practijk overgenomen" en dat hij in zekere zin de Libertijnen is bijgevallen. Het laatste heeft hij zelf erkend, waar hij in een artikel van 6 Juni '78 schreef:

„Beiden (liberalen en anti-revolutionairen) oordeelen we, dat de overheid zich zooveel mogelijk van alle inmenging in zaken „de zaliging der ziele rakende, te onthouden heeft; maar bij de Liberalisten steunt dit oordeel op de overweging, dat de overheid te goed is voor de godsdienst, en bij ons op de overweging, dat de godsdienst te goed is voor de overheid".

Wat valt uit deze woorden van Dr. Kuyper anders te concluderen, dan dat hij, en met hem de Anti-revolutionaire partij, tegenover onze Gereformeerde voorouders de Libertijnen, die hen fel bestreden hebben, in het gelijk heeft gesteld? Wat anders dan dat hij, afgezien dan van het minitieuse verschil, dat de Liberalisten uit overweging, dat de overheid te goed voor de godsdienst en de Antirevolutionairen uit overweging, dat de godsdienst te goed is voor de overheid — een verschil, dat de hoofdzaak en kern totaal niet raakt —- het met de Libertijnse Vrijgeesten geheel eens is, die steeds voorgestaan hebben, dat de Overheid zich in zake van het zo gewichtige stuk van de religie afzijdig zal houden? Wat anders dan dat de Anti-revolutionaire Partij, huldigende de stelling, dat de Overheid maar hebbe te laten groeien wat groeit en zelfs een kerk van atheïsten stillekens haar gang heeft te laten gaan, daarmede in het vaarwater der Libertijnen is terecht gekomen?

Deze anti-revolutionaire opvatting is volkomen in strijd met Gods Woord, vloekt tegen de leer en de practijk der oude Christelijke kerk en die der Reformatie. Naar deze opvatting van het Anti-revolutionaire Program behoren zo leugen en waarheid. Godsverering en Godslastering, de ware religie en de afgoderij door de Overheid gelijkelijk geëerbiedigd te worden, hetgeen naar Gods Woord door niemand mag worden gedaan. Allerwege toch gebiedt de Heere in Zijn Woord een ieder, om het even of hij een hoog of laag geplaatst mens in de maatschappij, magistraatspersoon of onderdaan is, de leugen te haten, haar te vlieden en te weerstaan en de waarheid lief te hebben, haar te belijden en van haar te getuigen. En dit onder alle omstandigheden, bij alle gelegenheden, aan alle plaatsen, in alle betrekkingen en op elk terrein des levens. Zo ook eist Gods Woord van een iegelijk mens, dat hij de ware religie — die voor niemand te goed is, ook niet voor een Overheidspersoon — zal aanhangen, zal belijden en beleven, zich daar- r-aar in heel zijn leven zal richten en hij daarvan, van welke kwaliteit hij ook moge zijn en welk ambt hij ook moge bekleden, te allen tijde uit liefde voor God en tot heil van zijn naaste getuigenis zal afleggen en daarvoor op zal komen. Gelijk het al evenmin overeenkomstig de leer en de practijk der oude Christelijke kerk en die der Reformatie is, dat de Overheid maar heeft te laten groeien, wat groeit, dat is nooit door dezen geleerd, maar wel juist het tegendeel.

Die door ons gewraakte opvatting is noch Christelijk, noch Gereformeerd, zij is Libertijns, een lievelingsdenkbeeld van de Vrijgeesten. Wij zullen het in dit artikel hierbij laten, daar wij in andere artikelen nog nader en breder op deze kwestie wensen in te gaan.

In dit artikel hebben wij dan geheel naar waarheid vastgesteld, dat het Anti-revolutionaire Program niet alleen afwijkt van artikel 36, zoals dit ir. de dagen der Reformatie is te boek gesteld en als belijdenis der kerk is aanvaard, maar daartegen rechtstreeks ingaat, zoals dat ook van Anti-revolutionaire zijde bij onderscheidene gelegenheden en door verschillende vooraanstaande Antirevolutionairen is erkend.

Alleen willen wij nog opmerken, dat wij volstrekt niet de enigen zijn, die in verzet zijn gekomen tegen de bestrijding van Artikel 36, zoals die door de Anti-revolutionairen, niet het minst door dr. A. Kuyper zelf, gevoerd is.

Reeds tijdens diens leven is hem van meer dan een zijde ten laste gelegd, dat hij met zijn bestrijding van Artikel 36 de vroegere bestrijders van dat artikel is bijgevallen en onze Gereformeerde voorouders is afgevallen. Hij is er op gewezen geworden, dat_ hij met zijn neo-gereformeerde leringen zich openlijk tegen Calvijn stelde en met zijn opvattingen voorstond hetgeen de Socinianen en Libertijnen geleerd hadden.

Wij brengen hierbij slechts in herin­ nering de brochures van prof. v. Velzen, eertijds docent aan de Theologische School te Kampen en van de Herv. Predikant Ds. Datema en de geschriften van dr. Hoedemaker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1950

De Banier | 8 Pagina's

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1950

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken