Bekijk het origineel

Financiële verhouding Rijk en Gemeenten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Financiële verhouding Rijk en Gemeenten

9 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede Ir. van Dis

f\ei wetsontwerp, houdende voorzieningen ten aanzien van de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten, hetwelk in de kringen der gemeentebestuurders heel wat stof heeft doen opwaaien, kwam verleden week bij de Tweede Kamer in behandeling. Onderscheidene sprekers hebben daarbij hun mening over dit ontwerp te kennen gegeven en daarbij bleek, dat er eigenhjk niemand was, die zich geheel met de inhoud er van kon verenigen. Bezwaren werden ingebracht tegen het percentage, dat de minister van Financiën voorstelde uit het Gemeentefonds aan de gemeenten uit te keren, bezwaren tegen de regeling inzake de compensatie wegens het derven van de opbrengst der inmiddels afgeschafte ondememingbelasting, bezwaren vooral 'ook tegen het feit, dat de minister over d? jaren 1948 tot en met 1950 een bedrag van circa 280 millioen gulden, waarop de gemeenten kraóhtens de wet

van Juli 1948 recht hebben, in het Gemeentefonds wilde reserveren, zodat dit bedrag niet zou worden uitgekeerd. De minister beriep zich daarbij onder meer op de financiële positie van het Rijk, maar in de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp van 1948 had de regering duidelijk te kennen gegeven, dat het vaste percentage voor de drie jaren (1948, 1949 en 1950) tot uitdrukking moest brengen, ' dat de uitkering niet afhankehjk zou zijn van de financiële positie van het "Rijk, noch van hogere of lagere opbrengsten, dan waarop gerekend werd. Hierop lettend is het dus zeer goed te verstaan, dat de gemeenten op de hun toekomende uitkeringen uit het Gemeentefonds, welk fonds uit 8 % van de totale belastingopbrengsten bestaat, gerekend hadden en dat het voor de bestuurders der gemeenten een streep door de rekening is, nu hun door de Regering het bovenvermelde bedrag onthouden wordt.

Ook is het duidelijk, dat deze kwestie in zeer nauw verband staat met die van de zelfstandigheid der gemeenten. Van onderscheidene kanten werd er dan ook juist met het oog op deze gemeentelijke zelfstandigheid scherpe kritiek op het regeringsibeleid geleverd.

Mr Oud, die als burgemeester van Rotterdam, als voorzitter van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, en voorts als oud-minister van financiën wel als bijzonder deskundig in deze materie mag worden aangemerkt, verklaarde daarbij zelfs, dat er van de financiële zelfstandigheid der gemeenten bitter weinig overgeschoten is en dat aan de door de Regering ingestelde commissie tot onderzoek van de mogelijkheid van financiële zelfstandigheid der gemeen-' ten — waarvan mr Oud voorzitter is — beter een andere naam zou kunnen gegeven worden, namelijk commissie tot het dienen van advies over de vraag, op welke wijze de gemeenten met de minste kosten kunnen worden bedeeld. Ook van Staatkundig Gereformeerde zijde werd tegen het aantasten der gemeentelijke zelfstandigheid nadrukkelijk opgekomen, gelijk blijken kan uit de rede, welke Ir van Dis bij de behandeling van dit wetsontwerp uitsprak en die we hier laten volgen. Ir van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Het heeft wel zeer lang geduurd, voordat de openbare behandeling van het wetsontwerp, hetwelk de Kamer thans bezig houdt, kon plaats hebben, evenals het ook zeer lang geduurd heeft, voordat het bij de Staten-Generaal werd ingediend. De indiening toch geschiedde eerst op 13 November 1950, hoewel de Regering reeds bij de indiening van de begioting voor 1951 van het Gemeentefonds op de derde Dinsdag van September 1950 in de Memorie van Toehchting had opgemerkt, dat voornoemde begroting samengesteld was

op hasii van

het wetsontwerp, dat de Kamer thans 'behandelt. Na de versdhijning van het Voorlopig Verslag op 20 Maart 1951 duurde het nog zes maanden voordat de Memorie van Antwoord verscheen, zodat de behandeling van het wetsontwerp pas kon plaats hebben meer dan een jaar nadat de begroting voor 1951 van het Gemeentefonds werd opgemaiakt.

Wij zouden het niet nodig geacht hebben. Mijnheer de Voorzitter, om op deze gang van zaken de aandacht te vestigen, indien door al deze langdurige vertragingen de administratie der gemeenten niet zeer bemoeilijkt was, doordat er niets van komen kon 'om nog in de gemeenterekeningen 1950 de afwikkeling van de slotuitkering 1947 op te nemen en de gemeenten moesten wachten op de afrekening 1947, 1948 en 1949 op een ogenblik, waarop zij in kasmoeilijkheden verkeerden, als nog nimmer is voorgekomen. Door deze wijze van behartiging van de belangen der gemeenten hebben vele gemeentebesturen zich dan ook

. ernstig gegriefd

gevoeld. Overgaande tot het wetsontwerp zelf. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij allereerst op te merken, dat dit in nauw verband staat met de zelfstandigheid der gemeenten, indien er althans nog van zelfstandigheid der gemeenten gesproken kan worden, aangezien daaraan in de loop der jaren reeds in belangrijke mate afbreuk is gedaan. Een feit, dait wij ten zeerste betreuren, omdat wij krachtens beginsel sterke voorstanders van de

gemeenteliike zelfstandigh

zijn en in afbreuk daarvan een aantasting zien van historisch verkregen rechten, doch ook een ondermijning van het Verantwoordelijkheidsgevoel dergenen, .die met het besturen der gemeenten belast zijn. Die aantasting der gemeentelijke zelfstandigheid komt wel in het bijzonder uit in de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten, waarmede zich het onderhavige wetsontwerp bezig houdt. Bij nadere kennisneming van dit wetsontwerp is het dan ook zeer goed te begrijpen, dat er van de zijde der gemeentebesturen zeer

ernstige kritiek

op dit wetsontwerp is uitgebracht, juist omdat men daarin een hoogst ernstige aantasting ziet van de financiële zelfstandigheid der gemeenten. In het wetsontwerp wordt toch voorgesteld om de bedragen, die in de jaren 1948, 1949 en 1950 boven de aanvankelijk geraamde ir het Gemeentefonds gekomen zijn, niet aan de gemeenten uit te keren, doch deze bedragen in het Gemeentefonds te reserveren. Dit voorstel wordt door zeer vele gemeenten als een grote onbillijkheid aangemerkt. Dit is wel overduidelijk gebleken op de

grote vergadering,

welke verleden week te Utrecht heeft plaats gehad, welke vergadering met eenparige stemmen haar grote ontstemming over het wetsontwerp heeft uitgesproken, omdat zij van oordeel was, dat het wetsontwerp, wat betreft het niet uitkeren aan de gemeenten van de bedragen, die in de jaren 1948, 1949 en 1950 boven de aanvankelijk geraamde in het Gemeentefonds gevloeid zijn, een inbreuk betekent op de wettelijke rechten der gemeenten. Bij de wet van 15 JuU 1948 toch is een, noodregehng getroffen voor de jaren 1948, 1949 en 1950, waarbij aan de gemeenten zekere bronnen van inkomsten toegewezen werden, uit de opbrengst waarvan zij haar uitgaven zouden moeten bestrijden. Daarbij is in

geen enkel opzicht

een voorbehoud gemaakt voor het geval de opbrengsten der belastingen de ramingen belangrijk zouden overtreffen. Ware dit wel geschied, dan zou er van een aantasten der wettelijke rechten geen sprake kunnen zijn, want dan zou de Regering zich terecht op de wet kunnen beroepen. Van zulk een voorbehoud is echter in de wet van 1948 geen sprake, integendeel, de Regering heeft destijds in haar Memorie van Toelichting nadrukkelijk verklaard, dat de uitkeringen zouden geschieden

onafhankelijk

van de opbrengst der belastingen. Hierop lettend. Mijnheer de Voorzitter, is het zeer wel te verstaan, dat er van uit de kringen der gemeentebesturen tegen dit wetsontwerp sterk verzet gerezen is. En dit niet alleen, omdat men het voorstel der Regering aanmerkt als een aantasting van wettelijk verkregen rechten, doch ook, omdat men ten zeerste bezorgd er over is, of de gemeenten van de gereserveerde gelden wel ooit iets ontvangen zullen, doordat het Rijk deze gelden voor zijn eigen uitgaven zal besteden.

Wij beweren niet, dat dit inderdaad het geval zal zijn, wij geven slechts weer wat er ten deze in de kringen der gemeentebesturen leeft. Daarom zouden wij er grote prijs op stellen, indien de Ministers, die de verdediging van dit wetsontwerp op zich genomen neoben, klare wijn zouden willen schenken en de verklaring zouden wülen geven, dat, indien het wetsontwerp ongewijzigd mocht blijven, de gereserveerde bedragen in elk geval ten behoeve der gemeenten zullen worden aangewend en niet door het Rijk voor andere doeleinden zullen worden gebruikt. Met zulk een verklaring zou althans een der naar voren gebrachte bezwaren tegen dit wetsvoorstel zijn weggenomen, namelijk het bezwaar, dat de reservering geen enkele waarborg biedt, dat de reserve tenslotte niet aan het Rijk ten goede zal komen. Mocht dit laatste wel het geval zijn, dan zouden wij dit met de gemeentebesturen inderdaad

schromelijk onbillijk

vinden. Wij hebben geen bezwaar tegen het vormen van een reserve op zichzelf. Integendeel, wij zijn er juist vóór, dat er een zuinig beheer wordt gevoerd, zowel door het Rijk als door de gemeenten, zodat wij ook voorstanders van reservering zijn. Tegen n reservering voor 1951 hebben wij dan ook geen bezwaar. Het gaat in dit wetsontwerp echter over de jaren 1948, 1949 en 1950. Het betreft hier gelden, waarop de gemeenten krachtens de wet van 1948 recht hebben, en het gaat niet aan, dat de Regering thans aan de gemeenten die gelden wil onthouden.

Gezien de sterke aantasting van de financiële zelfstandigheid der gemeenten, welke het wetsontwerp inhoudt, gezien ook de

sterk verhoogde uitgaven,

waarvoor de gemeenten zich gesteld ^ien ten gevolge ^van allerlei omstar digheden, zoals het herhaaldelijk stij gen van lonen en prijzen, alsook de ver „ meerdering van uitgaven, die nodig bij­ t ter vervulling van de aan de gemeentej opgelegde taken, zouden wij bij de Rg. gering met alle nadruk willen beplej. ten om aan de 'bezwaren, die tegen dit wetsvoorstel gerezen zijn, tegemoet te komen door bij voorbeeld de terugwer. kende kracht van artikel I, letter E, van het wetsontwerp tot 1 Januari 1951 [^ beperken en een nieuw artikel in te voegen, inhoudend, dat de over de jaren 1948 t/m 1950 nog aan de gemeenten toekomende na-uitkeringen vi^orden gebracht op speciale rekeningencourant met de individuele gemeenten gelijk van de zijde der Veieniging van Nederlandse Gemeenten is verzocht. Mocht de Regering niet bereid zijn aati de bezwaren tegemoet te komen, dan zullen vi'ij ons genoodzaakt zien om onze stem te geven aan de amendementen, die beogen de bezwaren, welke tegen dit wetsontwerp bestaan, weg te nemsn. Mijnheer de Voorzitter! Wat de kwestie der

compensatie

wegens derving der ondememingsbelasting betreft, ook daaromtrent hebben wij ernstige bezwaren tegen de regeling, zoal.'^ die in het ontwerp is neergelegd. Wij zijn namelijk van gevoelen, dat aan de gemeenten ten deze een volledige compensatie had behoren gegeven worden. Wij zullen op dit punt, alsool op andere punten, echter niet verder ingaan, doch ons in dezen aansluiten bij hetgeen door andere sprekers hierover reeds is gezegd en het derhalve bij de gemaakte opmerkingen laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Banier | 8 Pagina's

Financiële verhouding Rijk en Gemeenten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken