Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Nederlands-Indonesische Unie-aangelegenheden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Nederlands-Indonesische Unie-aangelegenheden

23 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ds. Zandt

Bij de behandeling van bovenstaande aangelegenheden in de Tweede Kamer voerde Ds Zandt het woord. Uit diens rede blijkt wel overduidelijk hoe rampspoedig voor Nederland de souvereiniteitsoverdracht van Indië aan Indonesië is geweest, alsook welke in-droeve koers onder meer ook al met betrekking tot Nieuw-Guinea, onze regering bhjft volgen. Met overtuigende bewijzen wordt daarin aangetoond hoe slecht Neder­ land bij die overdracht gevaren is, alsmede welk een ellende zij over tal van Indonesische volken gebracht heeft. Heel Indië is verkocht, verkwanseld en verraden door onze Regering en de haar daarbij gesteund hebbende partijen en personen. Niet het minst het Nederland zo getrouwe Ambonese volk. Bovendien dreigt er een groot gevaar, dat de bevolking van Nieuw-Guinea een zelfde lot ondergaat. Daarop wees Ds Zandt, alsook op het lot der Ambonezen hiex te lande, en op vele andere zaken, welke door hem ter sprake werden gebracht. Bij deze korte inleiding kunnen wij het laten, dewijl de rede zelf in een voor ieder bevattelijke taal is uitgesproken en derhalve geen nadere verklaring of voorlichting behoeft. Wij laten dan de rede in haar geheel volgen. D s Z a n d t sprak haar als volgt uit:

Mijnheer de Voorzitter! Geen wonder, dat de Minister bhjkens zijn in zijn Memorie van Antwoord afgelegde verklaring zich niet inlaat met het verleden van de Indische kwestie. Dit is te verstaan. Deels raakt dit verleden hem niet, dewijl hij eerst dit jaar lals Minister van Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen is opgetreden, deels omdat het niet te verdedigen valt, dewijl het zo

afgrijselijk zwart

is, dat al het water der zeeën het niet schoon kan wassen. Minder te verstaan valt het, dat hij, gezien de zo in-droeve afloop van de Indische kwestie, koerst in r'ezelfde fata'» richting, v/aarin dcor de hem voorafgaande ambtgenoten is gevaren. Ook nu weer toch zien wij, dat er gevaren wordt op hoop van zegen, met ijdel vertrouwen als stumnnan aan boord; ook nu weer ontbreekt alle vaste lijn in het beleid inzake Indonesië. Het is ook nu weer een varen op goed geluk.

Tegenover de Regering van Soekamo, welke standvastig op haar standpunt blijft staan, dat Nieuw-Guinea tot Indonesië behoort, staat ons» Regering al heel

zw(dc op haar benen.

Zij waggelt nu eens naar deze kant en dan weer naar gene kant. Ten bewijze daarvan diene, dat zij nog maar betrekkelijk korte tijd geleden de souvereiniteit over Nieuw-Guinea heeft willen opdragen aan de Nederlands-Indonesische Unie, waarbij zij haar neus lehjk gestoten heeft, want de Indonesische regering wees haar voorstel botweg van de hand. Thans toont zij zich volgens de Memorie van Antwoord bereid tot marchanderen. Het gaat weder de oude kant op van marchanderen en nog eens marchanderen; van de gunst der Indonesische regering te willen kopen door hét Nederlandse recht stuk voor stuk op te offeren. Zo waant zij dan de goede samenwerking tussen Nederland en Indonesië te verkrijgen. Zij vergeet daarbij, dat gekochte liefde nog nimmer de rechte hefde is geweest en dat gekochte gunsten immer met grove ondankbaarheid worden beloond. De vruchten daarvan zijn immer bitter. Op dezelfde wijze hebben de Regering en haar medestanders eertijds gewaand

een goede samenwerking

tot stand te zullen brengen door de overdracht van de souvereiniteit aan Indonesië. Doch de overdracht had nauwelijks plaats gevonden, of al degenen, die in naam van de progressieve democratie voor die overdracht zo geijverd hadden, zagen hun ijver beloond met het feit, dat het zelfbeschikkingsrecht van tal van Indonesische volken om hals gebracht werd. Zelfs een telegram van de Minister-President Dr Drees, waarin daartegen geprotesteerd werd, bracht daarin niet de minste verandering aan. Het werd smadelijk voor kennisgeving aangenomen.

Zo behoeft het ook niemand te verwonderen, dat, indien als resultaat van al het tegenwoordige marchanderen onverhoopt de souvereiniteit over Nieuw- Guinea aan Indonesië wordt overgedragen, de bevolking van Nieuw-Guinea een zelfde lot zal ondergaan als zovele andere Indonesische volken, Ambon wel inzonderheid, ondergaan hebben en dat ook deze bevolking uiteindehjk

verkwanseld, verkocht en verraden

zal worden. Heel dat heen en weer gewaggel heeft bovendien dit nog tegen, dat het de ons tot dusverre zo welgezinde Nieuw-Guineeërs ook aan het waggelen en wankelen brengt. Precies eender als dat in de Indische kwestie met de ons welgezinde Indonesiërs het geval geweest is. In die mate zelfs, dat een vooraanstaande, ons welgezinde Javaan verklaard heeft, dat de Nederlandse Regering hem en de zijnen als met de zweep naar Soekamo gedreven heeft.

Ja gewis. Mijnheer de Voorzitter, heel die onzekere, wankelachtige houding, welke onze Regering ook thans in zake Nieuw-Guinea aanneemt, is in staat om heel de bevolking van Nieuw-Guinea wankelmoedig te maken en te bewerken, dat zij de partij van de Indonesische Regering kiest uit vrees, dat zij bij de wankelbaarheid onzer Regering toch uiteindelijk onder haar bestuur zal komen. Zij kiest alsdan die partij niet van harte, maar om in de toekomst niet door represaillemaatregelen getroffen te worden. Welk een indruk moet men toch

op Nieuw-Guinea

van onze Regering krijgen als men daar een passage leest als in haar Memorie van Antwoord te lezen staat. En wel deze passage:

„Dat er op dit ogenblik in het ten opzichte van Indonesië te voeren beleid onzekere factoren zijn, kan de Regering niet ontkennen, maar Zij meent, dat deze onzekerheden door een algemene beschouwing over haar beleid niet kunnen worden weggenomen, omdat zij voortvloeien uit de • omstandigheid, dat de ontwikkeling van de verhouding tot Indonesië als zodanig, vooral gedurende dit jaar, tal van onzekere elementen in ach borg. Elementen, die niet binnen de macht der Regering lagen en waarvan Zij de verdere ontwikkeling voorshands niet anders dan nauwlettend kon gadeslaan".

Als men het door mij geciteerde overweegt en ook heel de gedragswijze der Regering in aanmerking neemt, dan moet men wel tot de conclusie komen, dat het regeringsschip, evenals tevoren, ook nu weer vrijwel zonder stuur op de wateren van mogelijk fortuin ronddobbert. Geen woord in heel de Memorie van Antwoord wijst er op, dat de Regering

rsooT het recht

wil opkomen. Geen woord is daarin evenmin te lezen, dat zij de rechten levens en goederen van haar onderdanen, in dit geval die der inwoners van Nieuw-Guinea — wat haar van God opgelegde dure phcht is — wenst te beschermen. p z s i t O

Neen, dezelfde jammerhjke tweeslachtigheid en besluiteloosheid, die het Regeringsbeleid in de Indische kwestie gekenmerkt hebben, bepalen ook thans weer de koers van het regeringsbeleid. Indien onze vaderen in de 80-jarige oorlog ook zulk een houding hadden aangenomen, nooit zou Nederland van het Spaanse juk bevrijd zijn geworden. Dan zouden vidj, naar mensehjke berekening, nog een Spaans wingewest geweest zijn. Van het onwankelbare vertrouwen, dat m

onze Gereformeerde vaderen

mochten bezitten, dat God de Heere een beminnaar van het recht is en dat degenen, die verwaardigd worden daarvoor te strijden, op Zijn almachtige hulp mogen rekenen, daarvan treft men bij de Regering, evenals weleer, ook thans geen spoor of zweem aan. Integendeel, het is bij haar een marchanderen en nog eens marchanderen met uiteindelijk gevolg, dat de Nieuw-Guineeërs hetzelfde lot dreigen te ondergaan als de Ambonezen en zij ook verkwanseld, verkocht en verraden zullen worden. Dat de Regering daarbij bittere teleurstellingen opdoet, bekent zij zelf. Dat staat te lezen in de passage van de Memorie van Antwoord, welke aldus luidt:

„Intussen is er in de situatie wel enige tekening gekomen, in de eerste plaats door de stappen, welke de Indonesische regering onlangs heeft ondernomen om te geraken tot herziening van de betrekkingen, zoals deze ter Ronde Tafelconferentie waren geconstrueerd, en voorts ook door het optreden van de Indonesische regering naar aanleiding van d^ indiening van het wetsontwerp tot vwjziging van de Grondwet wat betreft de omschrijving van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden". ^et kan niet anders dan

een bittere teleurstelling

voor de Regering en haar medestanders zijn, dat de Indonesische Regering nu al de Unie tussen Nederland en Indonesië opgezegd wenst te hebben. Wat al muziek is er toch in de Kamer en daar buiten over de totstandkoming van de Unie gemaakt! Wat al jubelende fanfares zijn daarover aangeheven! Die Unie zou een band vormen tussen Nederland en Indonesië, hechter en zegenrijker dan er ooit tussen Nederland en Indië bestaan had, zo werd er door de voorstanders der souvereiniteitsoverdracht alom in Nederland verkondigd. Werd daartegen aangevoerd, dat zij verbreekbaar was, dan werd van achter de Regeringstafel daaromtrent ten stelhgste verzekerd, dat de Unie zoiets als een eeuwige alhantie was.. Er is toch van achter die tafel met nadruk verklaard, dat het Unieverdrag geen eenzijdige opzegging kende en voor onbepaalde tijd was aangegaan. Later is van zekere zijde gezegd en geschreven, dat al die muziek maar gemaakt, en al die fanfares maar aangeheven waren om als 'n soort van vergulde pil te dienen, waardoor het ons volk gemakkelijker gemaakt werd om het verlies van Indie te dragen. Dit houdt in, dat de Unie dus als een soort van

volks- en kiezersbedrog

heeft moeten dienen, hetgeen geheel ast in het kader van het volks- en kieersbedrog, dat bij de Indische kwestie chering en inslag is geweest, ook al toen r de verkiezingsdagen door twee parijen, namelijk de partijen van de heren ud en Tilanus, de leuze „Hebt gij ook genoeg van Soekamo? Het roer moet om!" is aangeheven en later in deze Kaer in flagrante strijd met die verkiezingsbeloften en - leuzen door die partijen is gehandeld. De Regering heeft wel in Mei bij de behandeling van deze begroting met het hchtvaardige optimisme, dat haar steeds eigen was, maar dat altijd door de feiten gelogenstraft is geworden, verklaard, dat het zeer wel mogehjk was, dat nieuwe besprekingen tussen haar en de Indonesische regering klaarheid zouden brengen omtrent vele vraagstukken, welke toen nog een onderwerp van overleg tussen de beide regeringen uitmaakten. Het is nu inmiddels reeds November geworden, maar

van die klaarheid

is tot dusverre al bitter weinig gebleken, behalve dan op een belangrijk punt. En wel op dit prnit, dat wij thans nader gaan omschrijven. Het betreft de samenwerking tussen de beide genoemde regeringen. Onze Regering legt te dien aanzien een hoogst merkwaardige verklaring af. Zij zegt in haar Memorie van Antwoord toch:

„Vele leden hebben opgemerkt, dat Indonesië — in weervidl van Indonesische waarderingsuitingen aangaande samenwerking met Nederland — niets of weinig doet, althans veel nalaat om die samenwerking ook practisch te doen beleven. Zij koesteren dientengevolge twijfel aangaande het practisch effect van een eventuele herziening van de betrekkingen. Inderdaad meent ook de Regering, dat — afgezien nog van de in verband met het Nieuw-Guinea-vraagstuk gerezen moeilijkheden — in de afgelopen jaren de mogelijkheden tot vriendschappelijke sapienwerking minder zijn geëffectueerd dan in het gegeven kader mogelijk was. Maar het is haars inziens niet geheel juist om te stellen, dat Indonesië weinig of niets zou hebben gedaan om de samenwerking met Nederland practisch te doen herleven, al is het een feit, dat deze samenwerking vooral plaats vond op die terreinen, waar Indonesië kenne- Hjk een direct belang bij samenwerking had".

Deze regeringsverklaring is in verschillend opzicht merkwaardig. Eerstens wordt er in erkend, dat de samenwerking veel te wensen overlaat, en tweedens, dat Indonesië er zich dan wel gaarne en gretig van bedient; , als daarbij kennelijk een direct belang voor haar in het geding is. En dan geeft die samenwerking ons keer op keer weer te aanschouwen, dat Nederland

de vlag voor Indonesië strijkt,

zoals zij die over heel Indonesië voor haar gestreken heeft. Mijnheer de Voorzitter! Dit doet ons ook het ergste vrezen ten aanzien van de herziening van

het Uniestatuut,

alsook ten aanzien van de Nieuw-Guinea-kwestie. Wat het Uniestatuut betreft, bevinden wij ons, door 't gevoerde wanbeleid der achtereenvolgende kabinetten en de haar gesteund hebbende partijen en personen, in de hoogst jammerhjke verhouding van overwinnaars en overwonnenen. De Indonesiërs zijn de overwin­ naars én wij de overwonnenen. Het ligt voor de hand, dat het ook ten aanzien van de herziening van dat statuut precies eender zal gaan als het op de Haagse Ronde-tafelconferentie is gegaan, nameHjk dat de Indonesiërs zullen dicteren en wij maar hebben te noteren en te sanctionneren wat de Indonesiërs beheven te dicteren, met gevolg, dat heel de Unie om hals gebracht zal worden en de samenwerking nog al geringer zal worden en dat wij dan door de Indonesiërs beschouwd en behandeld zullen worden als elke andere vreemde natie. Mijnheer de Voorzitter! Dit bekomt te m.eer steim, als wij acht geven op de redevoering, welke de president van de Indonesische republiek,

Soekarno

ongeveer gelijktijdig met de aankomst hier te lande van prof. Supomo als vertegenwoordiger van de Indonesische regering ter bespreking van de vernieuwing van het Uniestatuut met onze Regering, hield. In die rede werd door de President toch op vrij dreigende toon gezegd, dat het Uniestatuut, met het oog op de houding van Nederland inzake Nieuw-Guinea, niet in andere vorm gegoten zal worden, maar dat zij opgeheven zal worden en dat opheffing als een definitieve verbreking van de laatste banden met Nederland dient aangemerkt te warden. Op die verbreking wijzen ook

al de stapper

y\ welke de Indonesische regering naar aaideiding van de indiening van het ontwerp tot wijziging van de omschrijving van het grondgebied van het Koninkrijk ondernomen heeft. Zij heeft de opneming van Nederlands Nieuw-Guinea in die omschrijving een onvriendelijke daad genoemd en daartegen krachtig geprotesteerd. Ja, zij acht zelfs de oplossing van het Nieuw-Guinea-geschil vóór de behandeling van het wijzigingsvoorstel in het Nederlandse Parlement urgent. Onze Regering heeft dienaangaande in haar Memorie van Antwoord wel verklaard:

„De Regering mag niet verhelen, dat deze houding van de Indonesische regering haar heeft verbaasd".

m Doch wat zegt zulks feitelijk? Wat heeft het in? De Indonesische regering zal over die verbazing niet geschrokken zijn. Evenmin als zij er van gesclxrokken is of haar houding ook maar iets gewijzigd heeft, als onze Regering in de loop der jaren over het aen en ander haar verbazing tegenover haar ter kennis gebracht heeft. Ja, wat zegt zulks feitelijk, wat nut heeft het, als de Regering in haar Memorie nog eens herhaald heeft:

„De stap van de Indonesische regering is voor haar even verrassend als onbegrijpelijk".

Dfe verklaring

zal al bitter weinig indruk op de Indonesiërs gemaakt hebben. Zij zal haar voor kennisgeving aangenomen hebben of zich er mogeUjk ook vrolijk over gemaakt hebben. En wat zegt het feitelijk, dat onze Regering in haar Memorie van Antwoord voorts verklaard heeft:

„Zij heeft de Indonesische regering van deze verrassing in kennis gesteld en zij heeft zowel de quahficatie „onvriendelijke daad" als het protest daartegen met kracht afgewezen".

Ook deze mededeling

zal de Indonesische regering gewis voor kennisgeving aangenomen hebben en kan er zeer wel de spot mee gedreven hebben of er meewarig om gelachen hebben. Gelijk dat ook wel het geval zal 5djn met wat de Regering de Kamer verder in haar Memorie van Antwoord heeft doen weten, namelijk dit:

„Voorts heeft ze er haar bevreemding over uitgesproken, dat de Indonesische regering de op haar verzoek te houden besprekingen over de Uniekwestie in de waagschaal wil stellen door daarbij het Nieuw-Guinea-vraagstuk als hoofdzaak ter tafel te willen brengen; de standpunten dienaangaande liggen immers zó ver uit elkaar, dat een oplossing over deze zaak op korte termijn wel ternauwernood te verwachten is".

Onze Regering heeft in deze toch bitter weinig rekening met de werkelijkheid gehouden.

De werkelijkheid

is toch zo, dat door de zo jammerlijke souvereiniteitsoverdracht niet alleen de eeuwenoude band tussen Nederland en Indonesië verbroken is, maar ook zó, dat de Indonesische regering in zake Indië fUes en wij er niets meer in te zeggen hebben en wij vrijwel totaal bij de gratie "an de Indonesiërs in Indië leven. De .roegere heer is vrijwel knecht geworden. Op jammerlijker en voor Nederland smadelijker wijze dan de overeenkomst van de Haagse Ronde-tafelconferentie tot stand gekomen is, had er moeilijk een andere overeenkomst tot stand kumien komen. De Regering en de haar steunende partijen en personen hebben het zelf aldus bewerkt door him goedkeuring en stem aan de Haagse overeenkomst te geven. En dat het zou lopen als het nu loopt, was gemakkelijk te voorzien, want bij die overeenkomst zijn wij niet gescheiden als vrienden, zelfs niet als gelijkwaardige partners, maar als tegenstanders en wel in de verhouding van overwianaars en verslagenen, de Indonesiërs als de machtigen en wij vrijwel als de machtelozen, getuige het vele, dat door '^•i Indonesische regering lijnrecht tegen- •over de gesloten overeenkomst is gedaan, getuige het Nieuw-Guinea-geschil. En, Mijnheer de Voorzitter, hierbij valt het ten zeerste te betreuren, dat de Kamer nog maar

steeds niet weet,

wat de Regerinig eigenlijk ten aanzien van Indonesië, alsook ten opzichte van Nieuw-Guinea wil. Ten aanzien hiervan bestaat er in de Kamer een vrij algemene klacht, waaraan in het Voorlopig Verslag uiting wordt gegeven, als daarin wordt gezegd:

„Het door dit Kabmet ingenomen standpunt in zake Nieuw-Guinea is naar het gevoelen dezer leden een symptoom van het tekort onzer regeerkracht ten opzichte van de Rijksdelen. De Regering lost de moeilijkheden, die met betrekking tot dit land gerezen zijn, niet op, maar wacht slechts af wat er misschien verder wel gaat gebeuren. De begroting voor de bijdrage aan Nieuw-Guinea drukt deze politieke houding van afwachten in welsprekende cijfers uit. Deze leden moesten tot hun leedwezen constateren, dat een overtuigde overzeepohtiek, met naJme een Nieuw- Guinea-politiek en eveneens een Suriname-poHtiek, bij dit Kabinet niet te onderkennen valt." Het is hierbij wel zeer typerend, dat

de begrotingen van Nieuw-Guinea

over de jaren 1950, 1951 en 1952 de Kamer nog steeds niet zijn aangeboden. De Regering deelt in haar Memorie van Antwoord dienaangaande wel mede, dat de ontwerpbegroting over het dienstjaar 1950 de Raad van State reeds heeft gepasseerd en dat de ontwerpbegrotingen over de jaren 1950 en 1951 nog in de loop van deze maand de Minister van Financiën zullen aangeboden worden, daarbij verklarende, dat deze late indieningen niet uit gebrek aan eerbied voor de Kamer hebben plaats gevonden maar aan allerlei omstandigheden te wijten zijn. Doch met dat al heeft zulks dan toch maar plaats gevonden en getuigt dit niet van een bepaalde eerbied voor de Kamer, die ook nu, evenals gedurende heel de Indische kwestie, maar al te veel genegeerd en al te slecht ingelicht wordt. Het gevaar is dan ook volstrekt niet denkbeeldig, dat de Regering de Kamer straks, evenals in de Indische kwestie,

voor voldongen feiten

zal stellen. Wat de Regering toch in haar communiqué van 21 September jl. aangaande haar gevoerde vertrouwelijke besprekingen met de bijzondere vertegenwoordiger van Indonesië, professor Supomo, heeft medegedeeld, zijn wat algemeenheden, die feitelijk de Kamer even wijs laten als zij tevoren was. Dit communiqué deelde mede:

„1. De Nederlandse Regering verklaart zich bereid om, nu Indonesië de wens heeft te kennen gegeven om de verhoudingen tussen beide landen op een andere basis te stellen dan op de thans bestaande Unie, een gezamenlijke bestudering ter hand te nemen van dit vraagstuk. 2. Bij die gezamenlijke bestudering zal onderzocht moeten worden of een nieuwe basis gevonden kan worden, welke voor beide landen aanvaardbaar is. 8. Van het resultaat dezer bestudering zal afhangen of de Nederlandse Regering zich definitief zal bereid verklaren aan de opheffing van de Unie mede te werken".

Mijnheer de Voorzitter! Van deze bestudering hebben wij volstrekt geen grote verwachtingen. Wij vrezen, dat het ook hierbij wel weer zal gaan als het nu zo vaak gegaan is. De Indonesische regering zal ook in deze onze Regering wel de wet voorschrijven en onze Regering zal mogeüjk na enig tegenstribbelen

wel slikken,

wat de Indonesische haar opdist. Evenmin hebben vsaj zulks ten aanzien van de oplossing van het geschil over Nieuw- Guinea. De vrees bevangt ons, dat het hierbij op

een koehandel

zal uitlopen, waarbij de wensen en belangen der bevolking van Nieuw-Guinea opgeofferd zullen worden en waarbij 't zelfbeschikkingsrecht, evenals dat van Ambon en andere Indonesische volken, om hals zal worden gebracht.

Overgaand tot een ander punt van behandeling, merken wij op, dat uit de gang van zaken, in Indonesië wel overtuigend blijkt, dat onze vroeger gedane bewering, dat Indonesië nog niet rijp voor zelfbestuur is, door de aldaar plaats hebbende gebeurtenissen bevestigd wordt. Op menigerlei gebied heerst daar een chaos. Overvallen op plantages, moordaanslagen op Nederlanders komen daar nog steeds veelvuldig voor. Alleen reeds het feit, waarvan de Memorie van Antwoord der Regering melding maakt, spreekt boekdelen. Daarin toch wordt medegedeeld:

, , Het Hoge Commissariaat komt inzonderheid ook voor de persoonlijke belangen der Nederlanders in Indonesië bij voortduring op, hetgeen onder meer hieruit blijkt, dat — afgescheiden nog van talrijke stappen door de Commissarissen van het Koninkrijk op locaal niveau verricht en de vele persoonlijke mondelinge démarches van de Hoge Commissaris bij de Indonesische minister van buitenlandse zaken en andere hoge autoriteiten — sedert de souvereiniteitsoverdracht bij de Indonesische regering 25 Nota's werden ingediend, betrekking hebbende op moordaanslagen met dodelijke afloop, waarvan Nederlanders het slachtoffer werden, en 50 Nota's betreffende de aanhouding van Nederlanders in Indonesië".

Mijnheer do Voorzitter! In dit verband gaan wij ook een kort woord spreken over vele Nederlanders, die zich

in hechtenis

bevinden, zonder dat in de berechting van hetgeen hun ten laste gelegd wordt enige merkbare voortgang valt te bespeuren. Te dien opzichte deelt de Memorie van antwoord het volgende mede:

„De Regering overweegt welke verdere maatregelen eventueel genomen zouden moeten worden door de onbevredigende toestand te beëindigen, waarin vele gearresteerde Nederlanders zich in Indonesië bevinden".

Het is echter zeer te vrezen, dat al de gedane protesten en genomeii en nog te nemen maatregelen niet bijzonder veel zullen uitwerken. Indonesië is immers een souvereine staat geworden, die zijn zaken naar eigen believen kan regelen en de Nederlandse protesten en bemoeienissen als een ongewenst, niet te dulden inlaten met interne aangelegenheden van de hand kan wijzen. En dat hij zulks ten aanzien van de Nederlandse protesten en bemoeienissen ook doet, daarvan heeft het alles weg.

75 Nederlandse Nota's

zijn er al bij de Indonesische regering ingediend, vele persoonlijke démarches bij de Indonesische minister van buitenlandse zaken en andere hoge autoriteiten hebben er vanwege het Hoge Commissariaat plaats gevonden en bovendien hebben de commissarissen op locaal niveau in dezelfde geest nog veel verricht en ondanks dat alles gaan

de moorden, overvallen, beroving van Nederlanders

ongestoord voort, zitten er nog vele Nederlanders onder even tevoren beschreven omstandigheden in de gevangenis, hebben er nog steeds vernielingen en allerlei verstoringen op de ondernemingen plaats, zodat deze niet kunnen werken en floreren als eertijds onder het Nederlandse bestuur. Voorts wensen wij nog iets in het midden te brengen over

de Nederlandse burgerlijke ambtenaren in Indonesische dienst.

Hun positie is bepaald hachelijk. Zij zijn nagenoeg door onze Regering ge­ dwongen om na de souvereiniteitsoverdracht in Indonesische dienst over te gaan. Hetgeen er sindsdien is voorgevallen, toont al heel duidelijk aan hoe onverantwoord de op hen uitgeoefende pressie is geweest. De ambtenaren zijn vrijwel allen de dupe er van geworden. Veel persoonlijk leed is over hen gekomen. En voor zo ver de Garantiewet hen daarin tegemoet treedt, is uit deze overeenkomst een belangrijk financieel nadeel voor Nederland voortgevloeid. Indien er straks onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië plaats vinden, is het wel de dure plicht onzer Regering alles te pogen om in de benarde toestand dezer ambtenaren een blijvende verbetering aan te brengen. Vervolgens wensen wij met het oog op de ons toegemeten tijd in het kort iets te zeggen over het verblijf van de circa

13.000 Ambonezen

liier te lande en de houding, welke de Regering tegenover hen aanneemt. Die houding heeft onder deze Ambonezen veel ontstemming verwekt, gehjk dat ook het geval is geweest, toen op last der Regering hun vlag in het kamp te Woerden werd neergehaald. De houding der Regering is in staat om van trouwe vrienden, zoals de Ambonezen zich altijd jegens ons betoond hebben, verbitterde tegenstanders te maken. De ontevredenheid der Ambonezen spruit mede daaruit voort, dat het recht van verzet tegen de maatregelen der Indonesische regering door onze Regering niet erkend wordt en dat de gemeenschappen, waarin de Ambonezen leven, door haar of opgeheven, of aangetast zijn, alsook dat hun militair verband bij hun aankomst in Nederland is opgelost. Ook al maakt het een grote grief bij de Ambonezen uit, dat degenen onder hen, die in het Koninklijk Nederlands-Indische leger trouw hun pHcht jegens Nederland verricht hebben,

uit onze landmacht

ontslagen zijn. Het verblijdt ons, dat het Ambtenarengerecht onlangs dit ontslag onwettig heeft verklaard. Wij bepleiten bij de Regering met alle klem, dat de betrokken Ambonezen alsnog weder in hun rechten hersteld zullen worden en weder in de dienst van onze landmacht zullen opgenomen worden. Het argument, dat de Regering voor het ontslag dezer Ambonezen heeft aangevoerd, kunnen wi] allerminst aanvaarden. Het kan daarom niet door ons aanvaard worden, omdat het standpunt der Regering, dat de gewezen Ambonese militairen slechts tijdelijk hier te lande vertoeven, niet houdbaar is, omdat het inbreuk maakt op de vrijheid der Ambonezen desgewenst onbepaalde tijd hier te lande te verblijven. En wat betreft de overeenkomst met de Indonesische republiek, welke inhoudt, dat deze groep Ambonezen niet operationeel zal worden gebruikt, ook in deze is voor ons het standpunt der Regering onaanvaardbaar, omdat de dienstneming van een aantal gewezen Ambonese militairen bij de verschillende onderdelen van onze weermacht niet strijdig is met het door de Indonesische regering opgelegde verbod om deze groep operationeel te gebruiken, te meer daar zij niet tegen de Indonesische republiek worden ingezet. Met alle beslistheid moeten wij ons er tegen verzetten, dat op de Ambonezen ook maar enige aandrang wordt uitgeoefend, dat zij naar Indonesië zullen terugkeren. Wij wensen volstrekt niet, dat deze mensen de kans zullen lopen

het slachtoffer van enige twaaferwming

te zullen worden. Zij hebben er recht op, gezien him verleden, dat zij hier in Nederland naar beste behoren behandeld zullen worden. Het is al meer dan erg genoeg, dat zij door de Nederlandse Regering en haar medestanders in de steek gelaten, verkocht en verraden zijn. Nederland heeft tegenover hen

een ereschuld

^•e vervullen. Onze Regering drage er zorg voor, dat deze Heden deugdehjk onderwijs ontvangen, dat zij een beroep of ambacht leren, dat hun nuttige en gestadige arbeid worde gegeven en dat bun verblijf in Nederland hun zo aangenaam en profijtelijk mogelijk worde gemaakt.

Ook betreffende de gerepatriëerden, waaronder er zijn, die in zeer zxjrgelijke omstandigheden verkeren, vragen wij ds volle aandacht der Regering om hun de behulpzame hand te bieden. Verder bevelen vn] de zorg voor het onderwijs in het Nederlands en de belangen der zending in Indonesië bij de Regering ten sterkste aan. Mijnheer de Vocwzitter! Tenslotte een kort woord over nog

Suriname en de Nederlandse Antillen.

Wij zijn er beslist voor, dat deze met Nederland in één Koninkrijk verbonden zuUen blijven, en kunnen niet nalaten om bij de Regering met nadruk te bepleiten, dat deze band in een deugdelijke vorm tot stand zal komen. De Regering voere in deze niet de poUtiek, welkr' zij ten opzichte van Indië heeft gevoerd. Zij volge een vastberaden koers, Lite zich niet leiden door de waan van de dag, maar drale er niet mede, dat spoedig, met erkenning van de aan deze gebiedsdelen toekomende rechten, de vorming van ons Koninkrijk een feit worde. De Regering stelle hierbij alles in het werk om met de haar ten dienste staande middelen de welvaart van deze gebiedsdelen te bevorderen en moge dit doen, zich daarbij richtende naar Gods Woord en Wet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952

De Banier | 8 Pagina's

De Nederlands-Indonesische Unie-aangelegenheden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken